Mei en juni 1940

   

Na een vijfdaagse strijd capituleerde op 14 mei 1940 de Nederlandse krijgsmacht. Generaal Winkelman, de opperbevelhebber van Land en Zeemacht, was er vanuit gegaan dat de strijd enige weken lang volgehouden zou kunnen worden. Er waren dan ook geen evacuatieplannen voor de Koninklijke Landmacht voorbereid.

De militairen die tijdens de Duitse opmars uit handen van de vijand wisten te blijven, verloren soms onderling contact. De beslissing al dan niet te proberen Engeland te bereiken, werd dan ook vaak door commandanten van kleinere groepen of zelfs individueel genomen. Andere militairen en zelfs burgers hadden geen keus. Dit gold onder andere voor de 17 militairen die de verscheping van 1000 Duitse krijgsgevangenen vanuit IJmuiden naar Engeland begeleidden. Eenmaal in Engeland aangekomen, ontdekten zij dat er geen weg meer terug was.

Hoe verging het de troepen beneden de grote rivieren? Het bataljon (11-27 R.I.) trok zich in de nacht van 10 op 11 mei 1940 vanuit de Peel-Raamstelling ten oosten van Deurne terug, om bij Aarle- Rixtel, waar de Zuid-Willemsvaart en het Wilhelminakanaal bij elkaar komen, een nieuwe stelling in te nemen. Het bataljon werd 11 mei 1940, door gevechtshandelingen uit elkaar geslagen. Uiteindelijk wist een vaandrig (de hoogste in rang) met enige honderden militairen van allerlei onderdelen Walcheren te bereiken. Hier kreeg hij op 15 mei 1940 de opdracht een aantal pistooldragenden (voornamelijk mortieristen) naar Zeeuws-Vlaanderen te brengen. 's Nachts stak men met de veerboot van Vlissingen naar Breskens over. Ze hadden geluk, want op zijn volgende tocht werd de veerboot gebombardeerd en zonk.

Lees hier het uitgebreide verslag van kapitein Zouteriks van het bataljon 11-27 R.I. dat ook in de Peel-Raamstelling actief was.

17 mei 1940 's avonds was het onheilspellend stil - geen geluid van mitrailleurvuur, geen  geluid van ontploffende bommen, enz. - geen enkel geluid. De Overste Sicherer deelde toen mee dat de strijd in Zeeland ten einde was en dat iedereen binnen niet al te lange tijd krijgsgevangen zouden worden gemaakt. Volgens de grondwet hadden de commandanten niet de bevoegdheid om Nederlandse militairen naar vreemd grondgebied te dirigeren. Hierdoor mochten ze zich niet aansluiten bij de terugtrekkende Fransen. Deze eenheden waren op 10 mei 1940 meteen BelgiŽ ingetrokken en wisten ook nog even Nederland binnen te trekken, tot ongeveer Breda-Tilburg.

Klik hier voor beelden van gevechten bij Vlissingen en overtocht naar Engeland

Een groot aantal Nederlandse militairen nam toen, op eigen initiatief, het besluit om te vertrekken uit Nederland. Fietsen werden gevorderd en die nacht vertrokken ze uit Zeeuw-Vlaanderen om 's ochtends vroeg 18 mei 1940 in Oostende aan te komen. Daar was op dat moment ook de P.A.G.-colonne (pantserafweergeschut) van 27 RI met de vaandrigs Van Kampen, Gerlach en Christiaanse. Omdat ze elkaar goed kenden mochten ze met hen verder mee; de fietsen lieten ze in Oostende achter. Zij wisten net voor Duinkerken langs te komen. Hier zaten zij midden in het zware bombardement van Abbeville en werden uiteindelijk naar Caen (NormandiŽ) gedirigeerd.  Hier verzamelden zich uiteindelijk ruim 1000 Nederlandse militairen. Het commando werd gevoerd door Overste Koch, een militaire arts.

Klik hier voor appťllijst van het detachement van kapitein M. Niterink, nabij de Zuid-Willemsvaart

Majoor Den Beer Poortugael

Een bijzonder geval vormde de eerste divisie der Koninklijke Marechaussee uit Brabant. Deze divisie onder bevel van majoor Den Beer Poortugael bestond uit 273 man: 4 officieren, 137 onderofficieren en 132 marechaussees. De commandant had in de begindagen een plan voorbereid voor een terugtocht naar de vesting Holland.

Klik hier voor de appťllijst van de Marechaussees

Op 11 mei 1940 verzamelden de Marechausseebrigades zich te Roosendaal. De vesting Holland bleek echter onbereikbaar: Duitse troepen hadden bruggenhoofden gevestigd op de as Moerdijk-Rotterdam. Duitse bommenwerpers zorgden er voor dat grote delen van Roosendaal in brand stonden. De inspecteur van het Wapen gaf daarom opdracht tot afmars naar Putte (N-Br.). Vervolgens vertrok de colonne per fiets, onder escorte van Belgische officieren, over Belgisch grondgebied richting Antwerpen. Onderweg sloten allerlei Nederlandse militairen zich aan.

'Ik zie in gedachten nog steeds die colonne gaan. De glanzende helmen werden met een soort blauwsel dof gemaakt. We hadden zware fietstassen en de klewang hing tussen het frame'.

'We trokken overal aandacht van de plaatselijke bevolking en hoorden kreten als: 'Welkom' en 'Leve Koningin Wilhelmina'. Ook kregen we gratis ijsjes en sigaretten'

Na enige uren bereikten zij de aan de rand van Antwerpen gelegen Luchtbal-kazerne. Hier begon men allereerst met een appŤl om eventuele 'verkeerde elementen' onder de militairen te ontmaskeren. Nog steeds onder begeleiding van de Belgen trokken zij 's avonds via de Scheldetunnel naar Hulst, waar zij rond 02.00 uur uitgeput aankwamen. Hier werden zij ondergebracht in het Patronaatsgebouw. Ondertussen was een groot aantal Belgische en Franse soldaten Zeeuws-Vlaanderen binnengetrokken. Men wilde, ondanks de Nederlandse capitulatie op 14 mei, met hulp en aan de zijde van de geallieerden blijven doorvechten. Bij deze capitulatie waren de Nederlandse troepen in de provincie Zeeland buiten de overgave gehouden, omdat er zich nog buitenlandse troepen in dit gebied bevonden. Schout-bij-nacht Van der Stadt, die inmiddels het bevel had overgenomen, besloot op 17 mei na overleg met de Franse legerleiding, Zeeland prijs te geven. Hij gaf de Koninklijke Marechaussee opdracht Zeeland te verlaten om een vliegveld nabij Nantes te gaan bewaken. Hier hadden volgens berichten vliegtuigen en personeel van de Nederlandse Militaire Luchtvaart zich begeven.

 

                 

Gevorderde bussen met rechts de buschauffeurs                                                               Nog even poseren met de chauffeurs.......   

'Mijn vader zou die marechaussees 's avonds alleen maar even over de Franse grens brengen en dan over een paar uur weer terug zijn. Hij had zijn pantoffels zelfs nog aan. Die paar uur werden vijf jaar...'  

Daarop vorderden de Marechaussees in allerijl autobussen van de Zeeuwsch-Vlaamse Tram Maatschappij en andere particuliere busbedrijven met hun burgerchauffeurs. Deze chauffeurs, uiteindelijk tweeŽnveertig personen, zouden tot hun ongenoegen enkele weken later in Engeland worden gemilitariseerd. Verder vorderden de marechaussees vrachtwagens voor het transport van de rijwielen. Deze bonte colonne trok op 18 mei samen met de Politietroepen en andere militairen door BelgiŽ en Frankrijk heen voor de Duitsers terug. De terugtrekkende militairen werden gehinderd door de vluchtelingenstroom en geplaagd door Duitse luchtaanvallen.

Klik hier voor appťllijst van de burgerchauffeurs en grenscontroleurs

' Een van mijn maten kreeg een lekke band en hield in paniek een bus aan die vol met Nederlandse officieren zat. Hij vroeg of hij mee mocht rijden. De 'heren' in de bus riepen naar de chauffeur: "Doooooooorrijden!". Waarop mijn maat met zijn karabijn in de aanslag riep: "Ik schiet jullie koppen eraf als ik niet mee mag!"  Mooi dat ie mee kon.'

'We kwamen bij Abbeville in Noord-Frankrijk en een drukte en een ellende en een verschrikking, daar kwamen die vliegtuigen weer. Ik vergeet het nooit! Ik sprong met mijn kameraad in een droge sloot, je gelooft 't of niet, midden tussen een stel nonnen! We lagen daar en die rotmoffen schoten met een mitrailleur door die sloot. Hoe we eruit zijn gekomen, weet ik nu nog niet.'

'Ik bewaakte op 10 mei 1940 met mijn eenheid het vliegveld Souburg bij Vlissingen. In Breskens vorderden wij een auto van een boer en mengden ons in een vluchtelingenstroom naar het zuiden. Er was een verschrikkelijke chaos onderweg. In Frankrijk werden wij voor Duitsers aangezien en na verhoor raakten we onze wapens en auto kwijt. Met eten bedelen bij het Rode Kruis konden we uiteindelijk via Duinkerken naar Engeland ontsnappen.'

'De Fransen waren minder gastvrij dan de Belgen. Ze eisten betaling in Franse valuta en namen geen franken of guldens aan.'

Eťn van de colonnes bestond op een gegeven moment uit de Dodge van luitenant Du Bois, twintig personenauto's w.o. een grote Cadillac, een groene Chevrolet '37, een nieuwe Packard, gevolgd door een Chevrolet varkensvervoer-vrachtwagen, een Ford V8 vrachtwagen en een Ford V&D-bestelwagentje. In alle wagens zaten drie of vier inzittenden met uiteenlopende bagage. In Poitiers bivakkeerde men op 20 mei op een groot kazerneplein, om de nacht door te brengen en in ieder geval verzekerd te zijn van gratis warm eten en drinken (rode wijn!). Meeliftende evacuťs betaalden uit dank meestal de benzine. In andere gevallen ging men gewoon in de rij staan achter de auto's van de Politietroepen. Van hieruit ging het richting Limoges. Hier verbleef men veertien dagen op de binnenplaats van een grote boerderij. Vlak voor Nantes kreeg men te horen dat bewaking van het daar gelegen vliegveld niet meer nodig was.

               

                                                                 Schoolgebouw in Cresserons                                                       Kerk in Cresserons

Rond 5 juni kreeg men bericht om naar een verzamelpunt in Douvres-La Delivrande, een dorpje ten noorden van Caen, te komen. Alle Nederlandse militairen in Frankrijk werden daar verwacht. Bij aankomst bleek deze groep niet de enige te zijn: zes bussen, enkele grote vrachtwagens met platform boven de cabine, een oplegger met grote aantallen fietsen erop, een paar 5-tons trucks en tientallen personenauto's, die gezien hun K-kenteken vrijwel allemaal uit Zeeland afkomstig waren. Er waren grote aantallen Marechaussees bij die opvielen door hun prachtige blauwe uniformen. Men werd hier ondergebracht op een verhoogd gedeelte achter de kerk in een appelboomgaard. De Marechaussees ('de blauwen') verbleven vnl. in een schoolgebouw in Cresserons.

Lees hier het gedetailleerde verslag over deze tocht van de Marechaussees door S.A.N. Jol

Lees hier het dagboekverslag van de vlucht van ziekenverzorger A.J. Meuleman die werkzaam was in Militair hospitaal te Breda

Een andere groep die uit Nederland kon vluchten was een detachement Politietroepen, welke in eerste instantie de grootte had van 75 man. Hierbij was een groep van veertig man, o.l.v. serg-maj. T.Omvlee, die hun terugtochtbevelen (=voorgeschreven route om zich te hergroeperen) hadden gevolgd. De andere 35 man waren afkomstig van een interneringskamp uit Ooltgensplaat op Goeree-Overflakee. Hier bewaakten zij samen met zes burgerbewaarders 21 staatsgevaarlijke personen: NSB'ers en communisten. Onder hen o.a de woordvoeder van de N.S.B. Rost van Tonningen.

Klik hier voor appťllijst van de politietroepen

Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, vorderde de gevangenisdirecteur Molenaar met hulp van res. Ltn. P. Drost  vrachtauto's en twee schepen, om alle gevangenen en personeel uiteindelijk naar het Zeeuw-Vlaamse Sluis te brengen. In een oud-klooster, aan de weg naar Sint Anna ter Muiden, dat al dienst deed als opvanghuis voor protestantse en katholieke joodse vluchtelingen, werden deze staatsgevaarlijken voorlopig gehuisvest. Daar de gevangenen in geen geval in Duitse handen mochten vallen, kreeg Drost de opdracht om zich met hen naar Frankrijk te begeven. Op 17 mei ging een lange stoet PT'ers, Marechaussees en gevangenen in gevorderde vrachtauto's, autobussen en auto's op weg naar Oostende. Van hieruit volgde deze groep een moeizame reis naar Duinkerken. Op commando van Franse militaire autoriteiten werden de gevangenen afgeleverd in een gevangenkamp te Ambleteuse. De joodse vluchtelingen werden onder begeleiding van de PT naar Arras gebracht.

De Politietroepen gingen vervolgens in colonne via Dieppe, Rouen, Le Mans, Tours, Poitiers tenslotte naar Limoges.

Lees hier het verslag van een andere groep van de Politietroepen w.o. Willem van der Eem

       
'Kookpotten' ergens  in Noord-Frankrijk                                                   Begin juni 1940:Marechaussee en Politietroepen bij Franse kust   

In Limoges hadden de PT'ers een ouderwetse kookpot met bijbehorende kolen opgeladen. Sindsdien werd de warme hap hierin gemaakt. Met de 'eetketel' konden de manschappen het eten ophalen. Het bestond meestal uit een pollepel stamppot. In Limoges kreeg men van de Nederlandse ambassade in Parijs de opdracht zich weer terug naar Douvre-La Delivrande (nabij Caen) te begeven. Op 30 mei arriveerde daar de groep PT'ers o.l.v. Drost. Een andere groep Politietroepen o.l.v. de sergeanten De Puyt en Kruse voegde zich bij hen. Het totaal van de PT brengende op 102 personen.

'Op een gegeven moment werden vrijwilligers gevraagd voor het begeleiden van een Frans munitietransport naar het front dat toen langs de rivier de Seine liep. Ook ik gaf mij hiervoor op. Toen wij (ca. 60 man)van onze opdracht  in Caen terugkeerden, waren de Nederlandse militairen vertrokken met bestemming Brest en zij hadden alle auto's meegenomen, dus daar stonden we zonder vervoer. Van de Franse militaire commandant vernamen wij dat ook wij de opdracht hadden naar Brest te gaan. Hij regelde voor ons vervoer per trein. Echter, de trein werd steeds op een zijspoor gerangeerd omdat de troepentreinen naar het front voorrang hadden. Het duurde daarom bijna een week om Brest te bereiken. Het was toen dinsdag 11 juni 1940. Toen we 's avonds om ca 8 uur op het station arriveerden, zagen we een boot de haven uitvaren. Deze boot, vernamen wij, had aan boord de Nederlandse militairen, die reeds eerder uit Caen waren vertrokken. Het was de bedoeling geweest dat ook wij ons hierop zouden hebben ingescheept. Wel was er voor ons de opdracht om naar Engeland te komen en zo mogelijk het achtergelaten materieel - een 40 tal vrachtauto's - mee te nemen. Wij zagen echter geen kans om vervoer naar Engeland te regelen; bovendien begon de tijd te dringen, want de Duitsers, nadat zij het front langs de Seine hadden doorbroken, kwamen steeds dichterbij en met zijn allen voelden we er weinig voor om alsnog krijgsgevangen te worden gemaakt.'

De Beatrix in Brest aan de kade. Een korporaal van de Politietroepen kijkt  u aan.

Tot 8 juni bracht deze grote groep nabij Caen de tijd door met o.a  zwemmen en het volgen van Engelse les. Toen kwam het bericht dat men zich naar Brest moest begeven om te worden ingescheept naar Engeland. Uiteindelijk bereikte de colonne pas op 10 juni die stad, in het uiterste westen van Bretagne. Men reed vrijwel direct de pier op in de 'Port Commercial'. Hier bevonden zich al enkele honderden Nederlandse militairen met hun voertuigen die zich op soortgelijke wijze aan de greep van de Duitsers hadden onttrokken. In het midden van de kade stond een groot gebouw met aan weerszijden nog voldoende kaderuimte om te parkeren. Hieraan lag de lichtgrijze MS 'Prinses Beatrix', van de maatschappij Zeeland, met de boeg naar voren. De walkranen begonnen meteen met netten de tientallen personenwagens en motoren te laden. Al snel bleek er geen plaats meer was voor de bussen en vrachtwagens. De bestuurders werd de keus gegeven om achter te blijven met hun voertuigen of gewoon weg te rijden.....of hun voertuigen weg te zetten en als passagiers aan boord te komen.
Aan boord kregen ze een warme maaltijd, maar moesten daarvoor drie dekken op en neer om het eten uit de kombuis te halen.

 


Aankomst Prinses Beatrix
in Plymouth. Al gearriveerde Marechaussees kijken toe.

'We waren meegetroggeld door de blauwen, die nu met zijn allen aan boord gingen om voor de Moffen te vluchten. De chauffeurs met hun gevorderde auto's/bussen lieten ze in de steek en moesten maar voor zichzelf zorgen....'        

''Het viel me meteen op dat elektrische kabels rond het gehele schip waren aangebracht, tegen eventuele magnetische mijnen.'

'We mochten aan boord niet roken en ook mochten we op geen enkele wijze licht maken.'

'Verschillende passagiers gooiden vanaf het schip francbiljetten en munten richting de kade. Veelal raakte het 'tussen het wal en het schip'.'

'Toen de Beatrix enkele mijlen onderweg was, bereikte ons het bericht dat ItaliŽ de oorlog had verklaard aan Engeland en Frankrijk. We hadden er weer een vijand bij...'

'Boven Brest stegen zwarte rookwolken op en trokken een gordijn over de brandende stad. Boven het bruisen van het kielzog klonken de dreunen van de inslaande granaten. De Duitsers hadden de stad bereikt.'

'Wij hadden zeer strenge orders om op geen enkele wijze ook maar enig licht te tonen. Eťn van onze officieren beijverde zich in het bijzonder dat duidelijk te maken. Hij bedreigde ons als het ware met doodschieten indien de order niet werd opgevolgd.'

'Ons oudere personeel had slaapplaatsen in kooien aangewezen gekregen, maar zij maakten er vrijwel geen gebruik van als gevolg van het dreigende gevaar. Jongeren die wel durfden te gaan slapen mochten van hun bedden evenwel geen gebruik maken. Ja, zo gaat dat dan. ...'

Deze 'passagiers' in Brest maakten het leeuwendeel uit van de troepen die in Engeland arriveerden. Op 11 juni kwamen 43 officieren en 830 onderofficieren en manschappen met de MS 'Prinses Beatrix' in Plymouth aan. Nadat de boot hier aan de wal lag, mocht er niemand af. Er moesten aan boord eerst nog drie maaltijden worden gebruikt en pas om 21.00 uur stapte men in de trein met onbekende bestemming. Ze stopten nog even rond 12.00 uur in Exeter, waar iedereen op belegde broodjes en krentenbollen werden getrakteerd. De hele nacht reed men door en om 6.30 uur de volgende morgen bereikte men het station te Porthcawl in Zuid-Wales. Hier verwelkomde Luitenant- Kolonel Noothoven van Goor in gezelschap van enkele officieren op een donker stationnetje, de eerste uitgeputte en vervuilde manschappen.

'Zo marcheerden wij in de vroege morgen naar een tentenkamp dat was gesitueerd op een glooiend terrein met uitzicht op het Bristol Kanaal. Hier en daar zagen wij bewoners vanachter de ramen en langs terzijde geschoven gordijntjes naar ons kijken. Later hoorden wij dat sommigen hadden gedacht dat wij Duitsers waren. Onze zwarte schoenen en beenkappen met daarbij de rijbroeken welke wij droegen, hadden daaraan medegewerkt. '

   Station Porthcawl

'15 juni 1940, bracht de ommekeer. Een Nederlands koopvaardijkapitein sprak ons aan, want hij dacht, gezien ons uniform, dat we Nederlandse militairen waren. Hij vertelde ons dat hij een lading tarwe voor de Nederlandse regering aan boord had en dat hij midden op de Atlantische Oceaan opdracht kreeg naar een geallieerde haven op te stomen. Hij was die ochtend Brest binnengevallen ,maar omdat hij hoorde dat Brest op vallen stond, wou hij meteen weer vertrekken en naar Engeland gaan. Op zijn vraag of hij iets voor ons kon doen was uiteraard ons antwoord : " Ons meenemen!" Na overleg met de Franse havencommandant werd het schip de M.S. Flensburg", dat op de rede lag, langs de kade gemeerd. Nederlandse militairen bedienden de kranen en 's avonds stond het gehele dek vol met de vrachtauto's. Voor 2 a 3 was er geen plaats meer;  die hebben we dus achtergelaten.

' 's Nachts vertrokken wij - wij werden nog gebombardeerd, maar liepen gelukkig geen schade op. De maandag daarop werden we in de Ierse zee aangevallen door een Italiaanse duikboot. Er werd een schuimstreep ontdekt in het water en door het alarm verscheen iedereen aan dek. Er waren twee reddingsvlotten aan boord waarop maar zoín dertig man pastte. Iedereen besefte dat wanneer het schip zou zinken er niet voldoende reddingsmiddelen waren voor alle passagiers. Kapitein van Rijn beval het schip een zig-zag koers te varen en de torpedo trof gelukkig geen doel. Na het uitzenden van een S.O.S. zagen we enkele uren later Britse torpedojagers jacht maken op deze onderzeeboot  en ze hebben hem te pakken gekregen.'

' Sommige buschauffeurs hadden toen al weken rondgedoold, eerst door Zuid-Nederland, toen door BelgiŽ en Frankrijk, met hun bus vol humeurige Marechaussees. Soms hadden ze Duinkerken aangedaan waar het Engelse leger met zijn rug naar de zee een wanhopig strijd vocht, waren van haven tot haven gereden en overwogen tenslotte om maar weer terug naar het vaderland te rijden. Om dat moment kwam de verlossing: in Brest liep als laatste schip nog de 'Flensburg binnen....'

Flensburg

Lees hier het verslag van Dhr. Hendriks over de vlucht vanuit Nederland en de tocht met de Flensburg.

Ondertussen werden door enkele achter gebleven officieren, w.o. Bram du Bois, iedere dag pogingen ondernomen om een schip te bemachtigen dat de overige militairen en voertuigen kon overzetten. 's Morgens op 15 juni arriveerde, bijna niet meer verwacht, een grote vrachtboot de 'Flensburg' in de havenkom van Brest. Dit Nederlandse schip lag erg diep en had vier laadbomen en even zovele ruimen, gesloten met luiken waarover strak dekzijl getrokken was. Het was aanzienlijk langer en breder dan de Prinses Beatrix. Het schip zat vol Zuid-Amerikaans graan, dat bestemd was voor Rotterdam. Kapitein Van Rijn was genegen de overgebleven militairen over te brengen en kreeg toestemming van de Franse en Engelse autoriteiten daarvoor. De vrachtwagens ( w.o P.A.G.'s = pantserafweergeschuttrekkers), bussen en auto's op de kade werden m.b.v. scheepskranen op het schip getild. Hiervoor moesten aan dek wel aanpassingen worden gedaan. Scheepstrappen en ontluchtingspijpen werden in allerijl met primitief gereedschap verwijderd. Op enkele bussen, een vrachtauto en een aanhangwagen na, ging alles aan boord. 's Avonds om 22.15 uur vertrok de Flensburg van Brest naar Engeland,  zonder konvooi, zonder geschut en zonder reddingsmiddelen. Dit tweede detachement, dat uit het bijna gecapituleerde Frankrijk vertrok richting Engeland, bestond uit 7 officieren en 78 onderofficieren en soldaten. De volgende morgen kwam dit gezelschap in Falmouth aan, maar daar waren geen hoge kranen beschikbaar om de vracht te kunnen lossen. Hierop werd koers gezet naar Newport in Zuid-Wales. Onderweg was er nog even paniek bij een U-boot alarm, maar een Brits vliegtuig verjoeg deze Italiaanse onderzeeŽr met dieptebommen. Op 19 juni 1940, om 14.00 uur, werd geankerd te Newport. Aan boord kwamen Kapitein Gonggrijp en de Luitenant van Van Voort van Zijp, tevens douane en een Engelse commissie van onderzoek. Een urenlang onderzoek volgde, de bagage werd doorzocht, vragen gesteld, papieren bestudeerd en toen werd het schip verlaten. En hoewel deze vrachtboot geenszins voor zoveel mensen was ingericht, heeft het toch aan niets ontbroken. Op uitstekende wijze is voor hun gezorgd en na weken hadden ze weer volop kunnen eten en behoorlijk kunnen slapen.

In groepen van 10, tussen gewapende Engelse soldaten, werden de militairen in autobussen geladen. In de bus zat zelfs een gewapende Engelse soldaat. Op deze wijze werden ze door "onze eigen bondgenoten" ontvangen en vervoerd naar het tentenkamp Dan-Y-Graig, nabij Porthcawl. Angstig stil was het in de bus. Een wrokstemming groeide bij sommige. En in deze stemming arriveerden ze bij hun andere makkers in genoemd kamp. De vracht zou door de Engelsen worden nageleverd.