Congleton

Park Mill

Officieel kwamen de eerste troepen op 2 oktober 1940 in Congleton aan. Dit waren de zogenaamde 'mobiele troepen' het A-gedeelte van het Nederlands Legioen. Deze mobiele troepen bestonden uit:
 
- 1e Bataljon; 5 infanteriecompagnieën plus 1 compagnie motordienst
 
- 1 Compagnie Mobiele Marechaussee van  4 secties
 - 1 Detachement Politietroepen van 60 man

Ze kwamen aan op het station in Congleton (Cheshire), een plaats die toen ongeveer 12000 inwoners telde. Het Irene-muziekkorps stond hen al op te wachten. Ze speelden marsen zoals 'Piet Hein'. Achter dit korps marcheerden ze, onder grote belangstelling van de plaatselijke bevolking, het stadje in. Een gedeelte werd gelegerd midden in de stad in een 'een ongezellige, armelijk, haveloos, vervallen' leegstaande papierfabriek Park Mill. Plaatselijk beter bekend als het gebied bij de Fairground. Weer een ander gedeelte vond onderdak in de Riverside Mill. Tenslotte kwam een groep iets ten noordoosten in Buglawton terecht,  in de Eaton Bank Mill.

'In iedere Mill kreeg een groep een plaats aangewezen. Dat ging in de trant van: "Zo, in deze Mill kunnen dertig man slapen. Hier liggen zakken, buiten ligt stro en verder zoeken jullie het maar uit!"'

'Het was daar zo brandgevaarlijk, de pijpen van de gloeide kachels gingen door de houten plafonds heen, die rondom de pijpen al verkoold waren. Ook konden de ramen niet open en waren er geen nooduitgangen.'

 Een kijkje in een Mill. Siem Jol kijkt toe...

 

'Enkele extra grote kachels verspreidden enorme hitte voor wie er vlakbij stond, terwijl verderweg alle warmte door de tocht werd weggeblazen. Er was per verdieping één grote wasplaats, zonder douches en met alleen koud water. Wij hadden in een café mensen ontmoet, die ons toestonden elke week in hun huis een bad te kunnen nemen, maar het adres mocht niet verder verteld worden.'

'De ramen  konden niet open, de trappen waren van hout en er was geen nooduitgang. Als er brand uitbrak, dan verbranden er 500 Nederlanders...'

 

 

   

 

 

 

 

 

Foto: P.Heuts jr.-Canada



Voor- en achterzijde van de Riverside Mill. Hierin was vroeger de Marsuma sigarenfabriek gevestigd.                                                                      Paul Heuts poetst zijn kistjes op een brandtrap


                                                                                                                                     Een kijkje op de 'kamers' in de mills (Foto's: Coen Hijzeler)

In november 1940 arriveerde het zogenaamde "Depotbataljon" eveneens in Congleton, na een korte legering in Conway (Noord-Wales).
 Dit Depotbataljon bestond uit:
 - 3 rekrutencompagnieën van 95 man
 - 1 compagnie subsistenten en rekruten van de categorieën b, c en d (ongeschikt voor dienst te velde) van 145 man.

 Vale Mill

De P.A.M. (politieafdeling Marechaussee) werd afzonderlijk gelegerd in de Vale Mill. De goede contacten met de plaatselijke bevolking vergoedden evenwel veel van de ongemakken. Congleton bezat veel industrie, o.m. textiel-, melk-, en sigarettenfabrieken. Het had tevens een Village-Hall (voor de 'dances') twee bioscopen, tien kerken en een veemarkt. Het was dus een doorsnee Engels industriestadje. bioscoopticket in congleton

De mannen van het Legioen vonden snel  hun weg in de bioscoop en de pubs van Congleton en werden zeer gewaardeerd door de dames die in de laatste maanden niet zo heel veel mannelijk gezelschap gewend waren. En dus waren deze stoere militairen met hun grappige accent (althans de meesten) zeer welkom gezelschap. Dit wekte natuurlijk nogal wat  jaloezie bij de Engelse militairen die met verlof waren. En zodoende zijn er in Congleton wel eens Hollands-Engelse veldslagen geleverd die niet in het oefenprogramma stonden ... In het gewone leven werden de Hollanders zeer goed geaccepteerd. Anders dan de andere "vreemdelingen" in het Verenigd Koninkrijk (Amerikanen, Polen, e.d.) stonden ze niet op eigen gelegenheden, zoals clubs en kerken. Ze mengden zich gewoon met de bevolking en maakten zodoende zeer veel vrienden. Vooral bij de plaatselijke schonen stonden ze bekend om hun hoffelijkheid.

'De plaatselijke predikant George stelde niet alleen zijn huis, maar ook zijn kerk en de social hall ter beschikking van ons.'

'Het probleem was dat er in Congleton behalve aardappelen schillen, kaarten, exerceren en wachtlopen bijna niets te doen was.'

'Rond de fabrieken was een kolonie van vrouwen ontstaan, die door met een soldaat te trouwen wel Nederlander werden maar de taal niet spraken.'

Vele militairen brachten daarom regelmatig bezoeken aan Britse gezinnen in Congleton en omgeving. Onvermijdelijk kwamen ze daar ook in aanraking met de plaatselijke schonen. Tientallen militairen vonden in deze periode hun levensgeluk en er werden in die periode maar liefst 88 Anglo-Dutch baby's geboren.

Ondertussen was in Londen al zeer uitvoerig over de bestemming van het Legioen gesproken en werd besloten tot de vorming van een Brigade (regiment). De organisatie werd doorgespeeld naar de Inspecteur der Nederlandse Troepen de reservekolonel G.B. Noothoven van Goor, die op 22 mei 1940 benoemd was tot generaal-majoor en vervolgens dus tot I.N.T. Generaal Noothoven van Goor was naar Engeland uitgeweken nadat hij enige tijd had gefungeerd als hoofd van de militaire missie bij het Belgische opperbevel. De I.N.T. had in oktober 1940 eveneens zijn standplaats in Porthcawl verlaten om zich, op enige tientallen mijlen van Congleton verwijderd, in het plaatsje Knutsford te vestigen.

Voor het onderhoud aan het Nederlands wagenpark had men in Congleton de beschikking over een kleine leegstaande garage, die vnl. gebruikt werd voor kleine reparaties aan o.a motoren. De auto's, vrachtauto's en bussen waren in onderhoud bij de Jubilee-garage vlak voor Astbury. Officieel heette het de L.A.D. (Light Aid Detachement) Deze beschikte behalve over drie benzinepompen ook over een café. Bij beide garages sliep het personeel boven de werkplaats.  De maaltijden werden ook hier dagelijks per auto vanuit Congleton gebracht.

'Bij het eten zat nooit bestek en borden. Geen nood. Met een schroevendraaier wipten we een wieldop ('chapeau') van een auto en gebruikten die.'

Ranton House 

                                                               Ranton House met links achter de Abbey                                                           

Op Oudejaarsdag 1940 kreeg de Compagnie mobiele Marechaussees het buitengoed Ranton Abbey bij Haughton (8 km ten zuidwesten van Stafford) als standplaats. Het was eigendom van Lord Lichfield. Het was een groot gebouw met ruim 40 kamers en een eigen elektriciteitsvoorziening die huisde in een toren naast de Abbey. Op 2 januari 1941 kwamen ook 16 gepantserde voertuigen aan. Er is naar een oplossing gezocht om de marechaussees zo goed mogelijk in te zetten.

In hun vrije tijd zochten de marechaussees vaak vertier in het nabij gelegen Stafford. Populaire uitgaansgelegenheden waren dan:
v.l.n.r Alexandra Hotel, Borough Hall, Bear Inn en Wagon & Horses

Eind 1940 besloot de regering tot de vorming van een Brigade(regiment). Het kreeg de naam Koninklijke Nederlandsche Brigade en werd op 11 januari 1941 opgericht. Zowel de Koningin als Prins Bernhard gaven aan dat zij zich konden vinden in het woord "Koninklijke", maar voor een verdere toevoeging van een Koninklijke naam zou de Brigade eerst nog een betere geoefendheid moeten laten zien.
Voorlopig bestond het uit een staf en twee bataljons volgens de Britse organisatie. Het 1e Bataljon, o.l.v. Majoor Doorman, werd gevormd uit het bestaande 1e Bataljon, het 2e Bataljon, o.l.v.Majoor De Broeckert,  uit het Depotbataljon en de Compagnie Mobiele Marechaussees. Deze Compagnie zou per 1 januari in het bataljonsverband treden. Het lag toentertijd nog in de bedoeling een complete Brigade volgens Britse organisatie en een Pantserverkenningsafdeling te vormen. Het eskadron pantserwagens  in Ranton Abbey vormde hiervan de kern. Dit werd eind januari opgericht. Een groot deel van de Compagnie mobiele Marechaussees werd erbij ingedeeld.  In eerste instantie o.l.v. Kapitein Kist, daarna door kolonel Phaff, de latere commandant van de Brigade.

  Verlofpasje Kpl. Van de Velde uit Ranton ("Rantan"?)Abbey

                                                                                                                                                                                                                                                Sgt. H. Knol in servicedress voor onderofficieren

Kapitein Kist, de compagniecommandant, was een liefhebber van veldoefeningen. Vanwege zware meerdaagse oefeningen, die samen met de fanatieke Home Guard, werden gehouden, kregen alle militairen per kwartaal 7 dagen vakantieverlof. Ze konden dan gaan en staan waar ze wilden. De treinreis werd door O&O betaald, alle andere kosten waren voor eigen rekening. Vrij reizen was vooral populair bij in Nederland getrouwde militairen, daar die slechts 50%van hun salaris kregen uitbetaald, daar hun echtgenotes thuis 'doorbetaald' kregen.

De organisatie was echter bij lange na niet op volle sterkte en bovendien gedeeltelijk bezet met minder geschikt personeel. In november 1940 werd door jongere officieren al in een rekest om verbetering van de troepen gevraagd. Zij stelden voor: geen promotie, geen commando voor weggelopen en ongeschikte officieren en verwijdering van de fysiek ongeschikten. En..... afzien van het brigadeplan. Hiervoor in de plaats: een bataljon infanterie, een eskadron pantserwagens, scholing voor de bevrijding, personeel voor liaison, commando's duidelijke taakomschrijving, nu reeds een actievere taak, veel detacheren bij Engelse eenheden. Er werd hierna veel aan conditietraining en exerceren gedaan.

Op 30 december 1940 werd de Compagnie Mobiele Marechaussee, die op 24 september was opgericht, verplaatst van Congleton naar Haughton, 8 km ten zuidwesten van Stafford. Ze werden daar gelegerd in kasteel Ranton Abbey, dat eigendom was van Lord Lichfield. Het grote gebouw beschikte over 40 kamers en had een eigen stroomvoorziening die was gehuisvest in de nabijgelegen toren. Daar het niet was te zien vanaf de grote weg werd eer een bord bij het begin van de oprijlaan geplaatst met het opschrift "To Marechaussee".
 Op 2 januari 1941 kwamen de 16 gepantserde voertuigen van de compagnie aan. Compagniecommandant Kpt. Kist hield van veldoefeningen. Er waren regelmatig zware meerdaagse oefeningen, meestal samen met de Home Guard.

(document M. Berrier)

Op 22 februari 1941 verzocht  minister Dijxhoorn koningin Wilhelmina de Brigade de naam 'Brigade Prinses Irene' te geven. Prinses Irene was na haar geboorte in 1939 petekind van de Landmacht.

Op 6 maart verliet bijna de gehele compagnie Mobiel Marechaussee Ranton Abbey voor een tweedaagse oefening. Enkelen bleven achter voor wachtdiensten.

    
Bron: archief Pamela Kuntz-Bosch

In diezelfde nacht van 6 op 7 maart 1941 werd Ranton Abbey, waarschijnlijk door een vlam gevatte houten balk die door een schoorsteen liep, door brand verwoest. Het vuur greep razendsnel om zich heen. De kamermuren waren van hout en riet bijeengehouden door een kalklaag. Twee mannen lieten zich vanaf de bovenste etage langs aan elkaar geknoopte lakens zakken. Een slipte en viel van een hoogte van 8 meter naar beneden en raakte zwaar gewond. Veel persoonlijke eigendommen van de manschappen gingen verloren.
De compagnie keerde terug naar Congleton en werd
meteen opgeheven. Onder deze Marechaussees bevonden zich velen van gevorderde leeftijd. Deze werden voor een groot deel in Londen bij de ministeries te werk gesteld.

       

                                                                  Bezoek Prins Bernhard aan de manschappen  Prins Bernhard met rechts de burgemeester van Congleton Dan Charlesworth

     


                                                            Prins Bernhard (midden) inspecteert een gevechtswagen nabij Leek in Staff.                                                                           
Siem Jol met zijn collega actief actief in Leek (Foto's:  S. Jol)

Op 20 en 21 maart 1941 bezocht Z.K.H. Prins Bernhard de Brigade te Congleton, waar hij een oefening bijwoonde en met de compagnie napraatte over de brand in Ranton Abbey. Hij werd er met tal van problemen geconfronteerd. De prins schreef enkele dagen later dat zolang er defaitistische officieren en ongeschikte soldaten rondliepen de Brigade niet de naam 'Prinses Irene' verdiende. Deze brief had wel enig effect. Minister Dijxhoorn weigerde nog fysiek minder geschikte militairen van hun gevechtsfuncties te ontheffen. Maar zijn opvolger minister Van Boeyen begon minder geschikt en overcompleet kader over te plaatsen. Mannen die in  Engeland tot (onder-)officier waren opgeleid traden in hun plaats.

Lees hier een persoonlijke noot van dhr. T. Herbrink over dit bezoek.

'Wat ons stak was dat die minister met geen woord repte over de ramp die ons enkele weken daarvoor trof in kasteel Ranton Abbey."

Op 25 maart bezocht de minister van Oorlog de Brigade, waarbij hij de toezegging deed, dat zij een vaandel zou worden uitgereikt.

Eskadron Pantserwagens van de Marechaussee keurig opgesteld op de 'Fairgrouds' in Congleton bij bezoek van de minister.

Aankomst L. de Putter (L) in Wilboarclough op 11 februari 1941 (Bron D. de Putter)

 The Albion Mill in Biddulph

 

 

 

Voormalig postkantoor in Wildboarclough                                                                                                                                                                                                                                   

De Compagnie Mobiele Marechaussee werd op 29 maart 1941  opgeheven. Dit betekende een uiteenzwerven van het personeel naar verschillende onderdelen. Op 1 april 1941 vertrok een aantal onderofficieren en Marechaussee naar Biddulph ter indeling bij het Pantser Eskadron. Zij bivakkeerden hier ook weer in een oude fabriek: de Albion Mill. Het douchen gebeurde bij de oude kolenmijn "Victoria Colliery" te Knypersley, plm. 3 km zuidelijker gelegen. 14 andere onderofficieren vertrokken naar Wildboarclough en werden daar tot 24 juni belast met de bewaking van Engelse vliegtuigbommen, opgeslagen in een oude wolfabriek Cragg Mill. Ze werden daar zolang ondergebracht in een voormalig postkantoor.  (voorheen de kantoren van de in 1957 afgebroken Crag Works, vervolgens postkantoor en dorpshuis en tegenwoordig een woonhuis).

 

 

 

 

 

 

 



Parade van de Brigade door Congleton op 24 mei 1941 (foto: Coen Hijzeler)

 

 

 

 

 

 





 

In de zomer van 1941 verrichtten verschillende pelotons, ter aanvulling van hun weekgeld,  hand- en spandiensten op boerderijen in de buurt van Congleton. Op rechtse foto Eelke Wolters uiterst links bij de boer. (foto N. Slater)

Op last van de regering waren in september 1940 al plannen gemaakt voor de bouw van een permanente kazerne. De brand in Ranton Abbey had het ministerie van Defensie in Londen overtuigd dat haast moest worden gemaakt. De keuze viel op Wrottesley Park, 8 km ten westen van Wolverhampton (Staffordshire) gelegen. De Nederlander Henri Wijnmalen, die na een carrière als piloot in eigen land en rijinstructeur in Frankrijk, aannemer was geworden in Twyford, mocht voor Nederlandse rekening aanvangen met de bouw van het kamp.     

Sinterklaas en Kerstmis werden echter nog wel in Congleton gevierd.

Klik hier voor een terugblik van de Congleton Chronicle van 11 februari 1966 over bovenstaande periode.