Kort daarop begon de opmars weer, Brussel tegemoet, Diest, het Albertkanaal, waar we enige tijd door de Duitsers werden opgehouden. Toen begon eindelijk de toekomst alles te overstemmen. Wanneer zouden we Nederland binnentrekken. Wanneer zouden we onze ouders weer zien, onze vrouwen, zussen en broers? Hoe zou het er zijn ? De intocht in Brussel was grandioos geweest. Stel. je voor zo Rotterdam binnen te trekken, je vader en moeder te ontdekken tussen die juichende menigten.

Nederland, eindelijk Nederland. Het was vroeg in de ochtend, toen we de grens passeerden. Het was inmiddels september geworden. De koeien in de weiden waadden met hun poten door de witte nevel. Hier en daar hief een beer, op het land aan het werk, de hand ter verwelkoming. Er schoten mij enkele regels te binnen van een bekend gedicht: Thermopyiae, Troja, Salamis, maar de boer hij ploegde voort.

Ook te vervangen door: Libië, Caen en Stalingrad, maar de boer hij ploegde voort. Minder welluidend misschien, maar even reëel.

Valkenswaard was de eerste plaats van betekenis, die we doorkwamen. De mensen liepen in pyjama de huizen uit om ons te begroeten. We wisselden in het voorbijgaan enkele woorden. Een klein meisje riep: „Daag!" We hadden in geen maanden, anderen zelfs in geen jaren, een klein meisje dag horen zeggen. Dat kleine woordje werd sommigen te machtig.  Zelfs een rauwe beroepsvechter, die tijdens de Spaanse burgeroorlog in de internationale brigade gevochten had en er enige jaren Vreemdelingenlegioen op had zitten, kreeg opdat moment een vuiltje in zijn oog.

We keken onze ogen uit. De huizen, de schuren, de hekken, de heiden, de weiden, de koeien, de gezichten van de mensen, ze waren Nederlands. Ergens draafde een hondje een eindje mee. „Een echt Nederlands hondje," zei een van ons. En hij meende het. Het was alsof ik jaren niet in Nederland was geweest. Hoe lang was het in eeuwigheid geleden. Nog geen jaar!    

Later op de dag, als we even stilstonden, werden we omstuwd door menigten mensen. Sommigen waren kilometers ver komen fietsen om ons te zien en met ons te praten.  Weer deelden we sigaretten uit, hoewel niet overvloedig meer als in die eerste dagen.

„De eerste Engelse sigaret sinds jaren, meneer! Vijf jaar eigen teelt gerookt. Jullie hebben maar geboft? Hoe zijn jullie eigenlijk in Engeland gekomen?

„Zou de oorlog voorbij zijn eer het winter is? De Amerikanen zijn al over de Rijn, zeggen ze."

„Hebt u die laatste mop over Hitler en Goering al gehoord? Ze zullen 'm nu wel knijpen, denk ik "

"Hoe groot is de Brigade? Zo groot als een divisie?"

De Brigade rolde door tot Grave, enkele dagen daarna tot Neerbosch.

Ik sliep voor het eerst in maanden weer eens in een bed, een witte weelde. Met graagte aten we zelfgebakken brood van boer Hoogstraten , dik belegd met spek. Zij proefden voor het eerst sinds jaren weer chocolade, zuurtjes, rozijnen,  wittebrood. "Net  cake", zeiden ze.

De luchtlandingen bij Arnhem waren inmiddels begonnen. Honderden vliegtuigen  met zeilende zweefvliegtuigen op sleeptouw in een heldere hemel. De oorlog scheen spelenderwijs ten einde te lopen.

Onderweg waren we grote groepen Duitse krijgsgevangenen gepasseerd, dicht opeengepakt staande op open plekken in de bossen of, in de weidenlangs de weg gekleed in haveloze uniformen, vermoeid, bemodderd, ongeschoren.  Ze mochten niet gaan zitten van hun bewakers, die op enige afstand van de grauwe carrés stonden opgesteld, de mitrailleurs tot vuren gereed. Hoelang stonden ze er al op het tijdstip, dat we langs kwamen? Uren? Dagen? Men vertelde, dat het een represaillemaatregel was. De Duitsers zouden de eerst gelande parachutisten hebben mishandeld en neergeschoten, nadat ze hen krijgsgevangen hadden gemaakt. In de bossen had men Amerikaanse soldaten gevonden, opgehangen aan de bomen. Maar alle ellende, die we meemaakten, alle verhalen over wreedheden, bloed en dood schenen weer uit onze gedachten weg te trekken als morgendamp. We waren jong, de zon scheen, de mensen waren blij, we zouden spoedig thuis zijn, ons leger was onoverwinnelijk. De wegen waren overdekt met oorlogsmaterieel, tanks, geschut, snelle gevechtswagens, troepcarriers, alles goed in de verf. Dofglanzend groen speelgoed, bemand met goed geklede soldaten, aan wie je duidelijk kon zien, hoeveel een ruime overvloed aan calorieën in een oorlog waard is.                        

Enkelen, die in de smalle corridor Eindhoven-Nijmegen woonden, waren al even thuis geweest. Hoe breed die corridor precies was, wisten we niet. We hadden er nauwelijks enig begrip van hoe de strijd verliep.

Op zekere dag kregen we geen sigaretten. Dat was wel even lastig, maar we hadden gelukkig nog een voorraadje. De volgende dag was alles weer normaal. Achteraf bleek, dat de Duitsers er op die dag in geslaagd waren de corridor te doorbreken. Gedurende enige tijd hadden we op een eiland gezeten, omringd door Duitse troepen.

Hoe stonden de zaken er eigenlijk voor? We konden de mensen ook geen inlichtingen geven. Was Maastricht al bevrijd? En hoe stond het met Roermond, Venlo en Venray? We sloegen er maar een slag naar; zo kwamen de geruchten in de wereld.

Een van de Limburgers kon het niet meer uithouden. Op een nacht verdween hij in oostelijke richting, gekleed in een geleende overal. Hij kwam zonder moeite in Venray, zijn geboorteplaats. Maar de Duitse troepen vulden geleidelijk weer de opengevallen gaten, met als gevolg dat hij niet meer terug kon. Hij overwinterde er in een kelder vanwege het onafgebroken granaatvuur. Zijn heimwee werd later als desertie berecht door de krijgsraad.

De landelijke rust, die we op het weiland van boer Hoogstraten genoten, werd na een week verstoord. Weer werden de colonnes gevormd. Weer reden de zware motoren van de koeriers tussen de trucks door om tot sneller doorreden of tot afremmen te manen. We zagen van verre de beweeglijkheid op de dijk, wachtend op Eddie, onze chauffeur. De motor deed het niet; hij keek met een peinzend gezicht in de motorkap, draaide hier en daar een schroefje wat vaster en krabde op zijn hoofd.

„Foute boel, jongens. Het kreng vertikt het!" Hij gaf ons een olijke knipoog.

Een uur nadat de brigade vertrokken was, liep de motor weer als gesmeerd. Ik verdacht Eddie er heimelijk van met de motor te hebben geknoeid. Misschien deden de anderen dat ook. Maar niemand zei iets.

We reden door tot Eindhoven en lieten ons ergens in een café vollopen met slap, waterig bier. We bleven er broodnuchter bij. De last begon pas onderweg naar het Wilhelminakanaal, waarheen de brigade vertrokken was. Om het kwartier moesten we stoppen om de voorraad bier geleidelijk te lossen. Het was inmiddels oktober geworden; het weer was koud en regenachtig.

Weer groeven we onze putten, maar we besteedden er minder zorg aan dan voorheen. Een paar maanden oorlog en ons geduld was al op. Het front was vastgelopen en dat juist in Nederland; waarom wisten we niet. Aan deze kant van het kanaal wapens en wagens in overvloed, aan de overkant een armoedig, afgetakeld leger. In de stilte van de nacht op wacht staande hoorden we de armoe: het ratelen van een boerenkar en hu, ho! — een Duitse soldaat, die het paard van zijn wagen mende, die munitie of eten rondbracht.

Zo af en toe sproeiden ze wat lichtspoormunitie onze kant uit, kleurige stippellijnen aan de nachtelijke hemel. Wijzelf hadden de order gekregen om geen schot te lossen.