F. Looringh van Beek - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

F. Looringh van Beek

Rekrutering
"OOM PAUL" MAJOOR F. LOORINGH VAN BEECK
Door J. J. G. Beelaerts van Blokland, Oosterbeek
 
Looringh van Beeck was een bijzonder man in onze Brigade. Bijzonder, door karaktereigenschappen en ook door een krijgshaftig voorkomen.
Overgekomen uit Zuid-Afrika kwam hij in onze Brigade, die toen nog een weinig samenhangend geheel was. Als Grenadier verwachtte hij discipline en korpsgeest die bij ons toen ontbraken. Schrijver dezes, die in juni 1941 overkwam, cavalerist, een wapen van discipline en korpsgeest, vond Looringh met dezelfde gevoelens en kritiek op toestanden in onze Brigade.
Looringh had zo'n grote verhalen over zijn bezit in Zuid-Afrika en de melaatsheid van zijn vrouw dat wij ze maar moeilijk konden geloven. Dit deed afbreuk aan het vertrouwen. Hij kreeg dus een eenvoudig baantje in onze legerplaats in Wolverhampton.
Toen de Brigade in de winter 1943/44 door mij werd gereorganiseerd en geoefend, was mijn eerste werk het stoppen door afkeuring van onze mensen die naar Londen wilden gaan. Daar werd het Militair Gezag opgericht. Men dacht aan banen voor het leven en geen risico van afgeschoten ledematen. Begrijpelijk dat velen ergens gebreken en pijn gingen voelen. Bij deze zaak kwam een volgende moeilijkheid, namelijk de eis van de Engelsen dat er een "reinforcement cie" moest komen om de verliezen op te vangen. Hoe beman je zo'n compagnie als je zelf zwaar onder de sterkte bent? Gedachtig aan Looringh belaste ik hem met deze compagnie en zond al degenen die voor afkeuring werden voorgedragen en voor wie ik geen andere meer aantrekkelijke functie in de Brigade kon vinden. Looringh werd gezegd dit gezelschap flink aan te pakken, desnoods om de andere dag te water en te brood.
Looringh hielp hen snel van hun moeilijkheden af. Toen wij na enige maanden bij hem in Wolverhampton op inspectie kwamen, liet hij zijn troep zo goed exerceren zoals wij dat bij onze Brigade nog nooit hadden gezien. Als een geboren opvoeder liet hij zijn soldaten eerst één schouderbandje "PRINSES IRENE" dragen, en bij slagen van geoefendheid het tweede.
Onze verliezen in Normandië werden door deze eenheid opgevuld. Wel bleef een droesem van een 20-tal over die niemand wilde hebben. Nu had onze batterij artillerie maar vier kanonnen en moest er zes hebben. Ik zei de batterijcommandant dat dat kon, mits hij de droesem aannam. Dat deed hij en twee weken later schoten er twee kanonnen meer.
Na de "Slag van Arnhem" was er voor mij geen werk meer in de Brigade en werd het opleiden van rekruten belangrijk. Ik ging toen Looringh helpen die met zijn compagnie was aangekomen in het kamp Vreewijk bij Deurne. Bij hem waren toen de luitenants Koos Rijkens, onze sportinstructeur, en Nico Burgers.
De vijand brak door bij Meijel en wij, praktisch zonder inzetbare troep, weken terug. De vijandelijke aanval stopte en wij gingen in haast terug naar ons kamp om te verhinderen dat andere troepen er in zouden trekken. Looringh van Beeck maakte daar een krijgsgevangene, gebruik makend van zijn wandelstok.
Daarna vond Looringh de Cort Heijligerskazerne in Bergen op Zoom en doopte deze om in Prinses Irene kazerne. Hiermee hield hij de Engelsen van zich af omdat voor hen "home barracks" een heilig begrip is.
Met grote vaart ging Looringh aan het werk, gaf teruggekeerde militaire krijgsgevangenen onze militaire rantsoenen, hielp locomotieven  herstellen door achtergebleven pantsermateriaal van de Canadezen voor sloop beschikbaar  te stellen. Dat gaf later moeilijkheden met hen: alleen de rupsbanden waren nog over. Ook  hielp hij de burgergemeente met herstel van oorlogsschade.
Een rare zaak was ons vaandel. In Engeland bepleitte ik tevergeefs om het vaandel in onze commandowagen mee te nemen. Onze Brigade C., van huis uit artillerist, een wapen dat geen vaandels kent, weigerde het mee te nemen. Ook een poging van Prins Bernhard voor medeneming had geen resultaat. Looringh wist dat en nam later toch het vaandel mee, waardoor onze Brigadecommandant danig verstoord was. Een straf voor Looringh werd later gelukkig door hogerhand ongedaan gemaakt.
Helaas mocht zijn afdeling niet mee doen aan de overwinningsparade in Den Haag, wat voor hem een grote teleurstelling was. Een andere was, dat hij niet afgelost werd en een functie kreeg in de strijdende groep toen onze mariniers vertrokken.
Met teruggekeerde cavaleristen wilde ik ons wapen opnieuw oprichten in juni 1945 en vond toen grote gastvrijheid bij Looringh van Beeck in Bergen op Zoom. Hij bood mij onderdak, kleding en voeding voor 40 man. Wij verstookten wel wat meer benzine dan gebruikelijk bij een infanteriedepot, wat bij de Engelsen opzien baarde. Ons Wapen is hem daarvoor nog steeds zeer dankbaar. Als verstokt Grenadier richtte Looringh van Beeck, na onze Brigade van manschappen voorzien te hebben, het regiment Grenadiers opnieuw op.
Terug naar Zuid-Afrika als reserve-kolonel weigerde hij zijn pensioen. Gelukkig dat Prins Bernhard op een reis in Zuid-Afrika Looringh tegenkwam, die onder zeer armoedige omstandigheden leefde. De Prins wist hem zijn pensioen te doen aannemen en te zorgen dat dit aan hem werd uitbetaald.

Prins Bernhard over 'Oom Paul':

In een interview dat de journalist Ad Stroop van het 'Stadsblad' Bergen op Zoom met Z.K.H. Prins Berhard had, verteld de prins over majoor Looringh van Beeck dat deze zich in Engeland zeer intensief heeft beziggehouden met de training van de Prinses Irene Brigade.
'Hij was', aldus Zijne Koninklijke Hoogheid, 'vrijwillig' uit Zuid Afrika gekomen. Hij gaf zijn 'farm' op, kortom:hij had maar één groot doel: de bevrijding van Nederland. Al snel werd hij belast met de opleiding van de rekruten. Prins Bernhard: 'Er kwam van alles binnen. Ook mensen van het Vreemdelingenlegioen. Al gauw was Oom Paul in rang bevorderd'.
De prins vertelt ook over de karwats van nijlpaardhuid, waarmee Oom Paul altijd rond scheen te lopen. 'In lokale taal heette dat ding 'Sjambok', voegt hij er aan toe. Het was een gemeen ding om mee te slaan.

Verveling
De prins: 'Oom Paul kreeg, zoals ik al zei, de opleiding en de begeleiding van al die jongens onder zijn hoede. U moet zich voorstellen dat de Brigade in Engeland niets te doen had. De jongens verveelden zich behoorlijk, begrijpelijk als je gekomen bent om zo gauw mogelijk te gaan helpen bij de bevrijding van ons land. Dat bleef maar duren'.
De prins geeft aan dat deze situatie ongeoorloofd verlof in de hand werkte, te vergelijken met ongeveer desertie in oorlogstijd. Oom Paul had daar zo zijn eigen gedachten en middel over en tegen. Zijne Koninklijke Hoogheid: 'Oom Paul zei tegen de jongens het volgende: 'Of je komt voor de krijgsraad, of je accepteert mijn straf. Wat was nou die straf. De zogenaamde bastonnade: een pak slaag op de blote voetzolen met de sjambok welke hij altijd bij zich droeg. Dat was natuurlijk hoogst irregulier. Maar Oom Paul zei er ook steeds bij: 'Niks doorvertellen, anders krijg ik moeilijkheden, vertel je het wel door, krijg je een dubbel pak slaag.'
Z.K.H, stelt uitdrukkelijk dat de jongens in de Brigade hem adoreerden, ondanks het feit dat Oom Paul hen streng aanpakte.

Vrouwen
Ik herinner mij', zo gaat de prins verder met het ophalen van oude beelden uit de jaren veertig, 'dat er een man uit het vreemdelingen legioen was, een 'toughe' kerel, hoogst gedisciplineerd, die wilde gaan trouwen. Maar hij had geen geld en wilde zijn familie toch een feestje aanbieden. Hij vroeg Oom Paul om geld en een kort verlof.
Oom Paul gaf hem het voor die tijd flinke bedrag van ƒ 25,-. Na enkele dagen was de man nog niet terug. Hij kwam pas een week later. Ook was hij niet getrouwd in die tussentijd, maar had het geld opgemaakt aan de hoerenhuizen. Ik kan u verzekeren dat deze man behoorlijk met de sjambok heeft gehad'.
De verhalen die Prins Bernhard vertelt, heeft hij gehoord van Oom Paul of van anderen. 'Maar', zo stelt hij nadrukkelijk, 'veel dingen heb ik ook zelf met hem meegemaakt'.

Speech
Zo vertelt de prins over de speech die Oom Paul ter gelegenheid van het feit dat de Prinses Irene Brigade ontbonden zou worden. Het afscheid was gepland in de Clingendael kazerne die nu in Juliana kazerne heet in Den Haag. Er waren vele speeches, onder andere ook van van de Brigade commandant De Ruyter van Steveninck. Deze had er voor gezorgd dat Oom Paul, ondanks zijn jaren, toch nog zeer energiek, achter de frontlinies moest werken om allerlei jongens op te vangen en op te leiden voor de Brigade, in plaats van knokken aan het front, na de invasie in Normandië.
De Prins: 'Nadat hij zijn speech had gehouden in Zoeloetaal, vroeg ik hem: 'Wat heb je in Godsnaam allemaal gezegd? Niemand heeft er een woord van verstaan'. Oom Paul gaf toen een zeer korte, maar krachtige samenvatting dat hij zijn commandant een rotzak vond, omdat hij hem om zijn leeftijd niet naar het front had willen sturen.' Oom Paul heeft hem dat zijn leven kwalijk genomen. Prins Bernhard heeft het De Ruyter van Steveninck nooit verteld. Later, na de oorlog werd Oom Paul Kolonel-commandant van de Grenadiers.

Een nieuwe brief
De prins vertelt nog een anekdote over Oom Paul. Iets wat hem karakteriseerde in de omgang met mensen, van hoge of lage rang, het deed er niet toe. De prins: 'Oom Paul kreeg een afwijzende brief van het Departement op een aanvraag van het een of ander, wat weet ik niet meer, doet er verder ook niet toe. Oom Paul ging zelf naar Den Haag, wist daar uit te vinden welke ambtenaar de afwijzende brief had geschreven en deelde de man mee dat hij vijf minuten had om een nieuwe brief te schrijven, anders dreigde de sjambok. Hij kreeg daarna zijn toewijzing. Het gesprek komt op de terugkeer naar Zuid Afrika, naar Swaziland.

Geen pensioen
Prins Bernhard: 'ik heb alles via anderen moeten vernemen, maar Oom Paul kwam terug in Zuid Afrika en bleek zijn farm kwijt te zijn en trof bovendien een hoop narigheid in de familie aan. Hij bezat praktisch geen cent, want, wat ik van vrienden later, veel later, heb gehoord had hij zijn pensioen geweigerd. Besteed al dat geld maar aan de wederopbouw van mijn land. Nederland heeft die centen nodig.
Prins Bernhard heeft er persoonlijk voor gezorgd dat Oom Paul zijn pensioen alsnog kreeg. Met terugwerkende kracht over 12 tot 14 jaar. Z.K.H.: 'Dit typeert de man: alles over voor zijn land, niets voor hem zelf. Toen ik hem terugzag in Swaziland, had hij letterlijk niet meer dan een hemd, een broek en een paar schoenen. Ik had groot respect voor Oom Paul, ik mocht hem graag, niet in de laatste plaats om de 'good sence of humor'. Oom Paul zou als hij in Nederland was geweest, een ideale verzetstrijder zijn geweest. Het was een fantastische man'.

Vragen
Gevraagd naar de basis van zijn hechte vriendschap met Oom Paul zegt de Prins: 'Ik leerde hem dus kennen bij de Brigade, soms zag ik hem ook wel in Londen. Ik heb met hem gegeten en heel veel met hem gepraat. Daarbij viel mij op dat hij een gezellig, maar ook nuttig mens was. Verder heb ik u nogal wat over zijn karakter verteld'.

Verdiensten
Over de verdiensten van Oom Paul voor Bergen op Zoom tijdens en net na de bevrijding, weet de prins tot zijn grote schande niks. Wel weet ik nog goed dat hij de naam van de Cort Heyligers kazerne omdoopte in Prinses Irenekazerne. Ik heb me daar nog sterk voor gemaakt. Ik heb een paar vrienden - helaas zijn ze nu dood - die in verschillende opzichten iets voor mij hebben betekend. Oom Paul is er één van. Je kon hem een voorbeeld noemen voor een boel dingen en een boel mensen. Ik wil graag medewerking verlenen bij het tot stand brengen van een blijvend en een meer publiek eerbetoon aan deze plichtsgetrouwe, recht-door-zee-zijnde man.

Eigen weg
'Een aristocraat, althans zo zag hij er uit en iemand niet bureaucratisch was, hij ging zijn eigen weg', aldus Generaal b.d. Jhr. J. Beelaerts van Blockland. 'Ik was zeer goed met hem bevriend. Hij had altijd van die fantastische verhalen. En als wij Nederlanders ergens de pest aan hebben, is het wel daaraan. We namen Oom Paul dan ook niet zo au serieux. Totdat de moeilijkheden zich in onze brigade aandienden. Toen heb ik Oom Paul als het ware uit de anonimiteit gehaald'. B.V.B, geeft daarbij een typering van Oom Paul.

Stelletje ongeregeld
Oom Paul stond bekend als ene sociaalvoelend commandant. Toen een paar soldaten te laat terugkeerde wilden zij niet langs de wacht, maar klommen over de kampmuur. Aan de andere kant vielen ze echter door ramen van enkele eenruiters (broeibakken, redactie), eigendom van soldaten uit de compagnie van Oom Paul.
Oom Paul hield een inzameling om de schade, veroorzaakt door 'onbekenden' te vergoeden. Het was die tijd zo, dat er steeds weer manschappen weg moesten. Naar Indië, naar Suriname. Kortom het was een stelletje ongeregeld. Ik heb de situatie aan Prins Bernhard uitgelegd. Het moreel van de manschappen werd er ook niet beter op. Op een gegeven moment is er een commissie gevormd met als doel de jongens met een boos oog aan te kijken. Wat was er namelijk gebeurd? Minister Van Boeye ('Ook zo'n goeie' - men had een heel alfabet op bepaalde hooggeplaatste personen), had de brigade laten weten als antwoord op de vraag hoe het nou verder moest, (de troep was onvoldoende geoefend, kort aan manschappen, technische mankementen etc.) dat men dan maar wat later moest komen.' Dat bleek voor veel officieren de druppel die de emmer deed overlopen. Men zocht allerlei middeltjes (dokter) bij het militair gezag te komen. Dat had allerlei voordelen, waaronder een baantje voor het leven! Van de Engelsen mocht de Prinses Irene Brigade pas oversteken als een reserve-eenheid had.
Oom Paul moest het stelletje aanpakken. En hoe! Ik heb nog nooit de brigade zo zien marcheren.

Vaandel
Zo ook het voorval bij de landing in Normandië. Boven op de duintjes zagen we ze al: kaalhoofdige brigadefiguren. Zij waren de eersten, terwijl het normaal was dat aanvullingstroepen later volgden. En Oom Paul had, strikt tegen de orders in, het vaandel meegenomen. De troep wilde dit en Oom Paul deed het! Hij werd er voor gestraft.
 

 
 
 
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu