Herinneringen H. Hendriks mei 1940 - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Herinneringen H. Hendriks mei 1940

Mei-juni 1940
HERINNERINGEN van Dr. H. Hendriks

Nadat ons bataljon (11-27 R.I.) in de nacht van 10 op 11 mei 1940 terugtrok vanuit de Peel-Raamstelling ten oosten van Deurne om bij Aarle-Rixtel, waar de Zuid-Willemsvaart en het Wilhelminakanaal bij elkaar komen, een nieuwe stelling in te nemen, werd ons bataljon zaterdagmiddag, 11 mei 1940, door gevechtshandelingen uit elkaar geslagen. Het is dan ook een feit dat, toen later bekend gemaakt werd waar de diverse regimenten van het Nederlandse leger na de overgave terecht waren gekomen, over 27 R.I. nimmer iets is medegedeeld.
Uiteindelijk wist ik als hoogste in rang  (vaandrig) met enige honderden militairen van allerlei onderdelen Walcheren te bereiken. Hier kreeg ik op 15 mei 1940 de opdracht een aantal pistooldragenden (voornamelijk mortieristen) naar Zeeuws-Vlaanderen te brengen. 's Nachts werd met de veerboot van Vlissingen naar Breskens overgestoken. We hadden geluk, want op zijn volgende tocht werd de veerboot gebombardeerd en zonk.
In Zeeuws-Vlaanderen heb ik Prins Bernhard nog ontmoet, die vanuit Engeland naar het nog niet bezette deel van Nederland was overgestoken.
Vrijdag 17 mei 1940 's avonds staat mij nog helder voor de geest. Het werd onheilspellend  stil - geen geluid van mitrailleurvuur, geen  geluid van ontploffende bommen, enz. - geen enkel geluid! Ik naar het "hoofdkwartier" waar ik om inlichtingen vroeg. Daar werd mij door de Overste Sicherer medegedeeld dat de strijd in Zeeland ten einde was en dat we binnen niet al te lange tijd krijgsgevangen zouden worden gemaakt.  Op de vraag waarom we ons  niet aansloten bij de terugtrekkende Fransen  (Franse eenheden waren op 10 mei 1940 meteen  België ingetrokken en wisten ook nog even Nederland binnen te trekken, tot ongeveer Breda-Tilburg) werd gezegd, dat volgens de grondwet commandanten niet de bevoegdheid hadden Nederlandse militairen naar vreemd grondgebied te dirigeren.
Op mijn uitdrukkelijke vraag of ik vrij was in mijn handelingen werd positief geantwoord. Daarop ging ik terug naar de militairen die ik enkele dagen tevoren naar Zeeuws-Vlaanderen had gebracht. Ik vertelde hen de situatie en stelde voor de grens over te gaan. Vrijwel iedereen vond dat goed. Fietsen werden gevorderd en die nacht vertrokken we uit Nederland om 's ochtends vroeg (zaterdag 18 mei 1940) in Oostende aan te komen. Daar ontmoette ik de  P.A.G.-colonne (pantserafweergeschut) van 27 RI met de vaandrigs Van Kampen, Gerlach en Christiaanse. Omdat we elkaar goed kenden mochten we met hen verder mee; de fietsen werden in Oostende achtergelaten.
Zij vertelden mij onder meer dat zij in Helmond kans hadden gezien een Duitse tank te vernietigen.
Wij wisten net voor Duinkerken langs te komen, hier zaten wij midden in het zware bombardement van Abbeville en werden uiteindelijk naar Caen (Normandië) gedirigeerd.  Hier verzamelden zich  uiteindelijk ruim 1000 Nederlandse militairen. Het commando werd - naar ik meen - gevoerd door Overste Koch, een militaire arts.
Op een gegeven moment werden vrijwilligers gevraagd voor het begeleiden van een Frans munitietransport naar het front dat toen langs de rivier de Seine liep. Ook ik gaf mij hiervoor op. Toen wij (ca. 60 man)van onze opdracht  in Caen terugkeerden, waren de Nederlandse militairen vertrokken met bestemming Brest en zij hadden alle auto's meegenomen, dus daar stonden we zonder vervoer. Van de Franse militaire commandant vernamen wij dat ook wij de opdracht hadden naar Brest te gaan. Hij regelde voor ons vervoer per trein. Echter, de trein werd steeds op een zijspoor gerangeerd, omdat de troepentreinen naar het front voorrang hadden. Het duurde daarom bijna een week om Brest te bereiken. Het was toen dinsdag 11 juni 1940. Toen we 's avonds om ca. 8 uur op het station arriveerden, zagen we een boot de haven uitvaren. Deze boot, vernamen wij, had aan boord de Nederlandse militairen, die reeds eerder uit Caen waren vertrokken. Het was de bedoeling geweest dat ook wij ons hierop zouden hebben ingescheept. Wel was er voor ons de opdracht om naar Engeland te komen en zo mogelijk het achtergelaten materieel - een 40 tal vrachtauto's - mee te nemen. Wij zagen echter geen kans om vervoer naar Engeland te regelen; bovendien begon de tijd te dringen, want de Duitsers, nadat zij het front langs de Seine hadden doorbroken, kwamen steeds dichterbij en met zijn allen voelden we er weinig voor om alsnog krijgsgevangen te worden gemaakt.
Zaterdagmiddag, 15 juni 1940, bracht de ommekeer. Een Nederlands koopvaardijkapitein sprak ons aan, want hij dacht, gezien ons uniform, dat we Nederlandse militairen waren. Hij vertelde ons dat hij een lading tarwe voor de Nederlandse regering aan boord had en dat hij midden op de Atlantische Oceaan opdracht kreeg naar een geallieerde haven op te stomen.
Hij was vanochtend Brest binnengevallen maar omdat hij hoorde dat Brest op vallen stond, wou hij meteen weer vertrekken en naar Engeland gaan. Op zijn vraag of hij iets voor ons kon doen was uiteraard ons antwoord:"Ons meenemen". Na overleg met de Franse havencommandant werd het schip: M.S. Flensburg", dat op de rede lag, langs de kade gemeerd. Nederlandse militairen bedienden de kranen en 's avonds stond het gehele dek vol met de vrachtauto's. Voor 2 á 3 was er geen plaats meer;  die hebben we dus achtergelaten.
 's Nachts vertrokken wij - wij werden nog gebombardeerd, maar liepen gelukkig geen schade op. De maandag daarop werden we in de Ierse zee aangevallen door een Italiaanse duikboot. Na het uitzenden van een SOS zagen we enkele uren later Britse torpedojagers jacht maken op deze onderzeeboot - ze hebben hem te pakken gekregen.
Dinsdag 18 juni 1940, de dag dat Frankrijk  zich overgaf, althans een wapenstilstand sloot, kwamen we te Newport aan. Groot was onze teleurstelling  dat wij meteen achter prikkeldraad werden gezet. De "screening" was echter snel voorbij en twee dagen later arriveerden wij in het Dan-Y-Graig tentenkamp.
In het nabijgelegen Porthcawl leerde ik al  gauw mijn vrouw kennen en op zaterdag, 21 september 1940 trouwden wij in het vlak bij het  kamp gelegen middeleeuwse kerkje van Newton  Nottage. Lt. Broek was "Best man" en de luitenants Van Kampen, Gerlach en Christiaanse bruidsjonkers. Na de kerkdienst wachtte ons een grote verrassing. Onder de tonen van vrolijke marsmuziek door de militaire band onder de leiding van Lt De Groot liepen wij onder een boog van sabels naar het nabijgelegen  hotel waar Generaal Noothoven van Goor ons namens alle officieren een zilveren theeset aanbood dat thuis nog steeds te pronk staat.
We konden niet op huwelijksreis gaan, want in verband met de alarmtoestand - men verwachtte een Duitse invasie - had ik slechts bijzonder verlof tot zondagavond; bovendien moest ik mij maandag melden voor een 3-weekse "Gas - and decontamination course".

Uit:  De Vaandeldrager no. 11
 
Lees hier de herinneringen van Ceylonganger H. Hendriks

Zie hier het gedetailleerde dagboekverslag met foto's van H. Hendriks
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu