LEGIONAIRS IN DE BRIGADE
'Kees Rijnveld, Jean de Sturler en J. Samson waren inmiddels instructeurs van het vreemdelingenlegioen geworden. Er waren n.l. heel wat Nederlanders opgevorderd, of vrijwillig opgekomen, die vrijwel geen Nederlands kenden. Ik denk dan aan René Schutz (een aardige kerel) en zijn veel minder populaire neef André ("in France zey call me charmant, but heare zey call me cocksuck!") Dat scheldwoord was hen door een groep Nederlands-Canadese soldaten toegedacht. Daar zaten een paar bijzonder ruwe klanten bij, maar ook Willem (Bill) de Roos die later de Willemsorde kreeg. Daar onze sergeants geen vreemde talen spraken, moesten de korporaals theorie geven in het Engels, Frans en zo nodig zelfs Duits. Dat laatste was nodig bij Edgar van Bloeme (hat bei de UFA gearbeitet).'
De lange weg
van vreemdelingenlegioen naar Prinses Irene Brigade.
Ik zal niet
ingaan op ervaringen, wederwaardigheden, of gevechten. Dan zou het namelijk een
boek worden.
Op 7 februari
1939 tekende ik in Parijs voor vijf jaar bij het vreemdelingen legioen.
Alvorens verder
te gaan wil ik eerst een paar misverstanden uit de weg ruimen.
1 Er wordt niet
geronseld, het aanbod is groter dan de vraag, de sterkte was toen plusminus
10.000 man.
2 Niemand wordt
verplicht naam of nationaliteit te veranderen, (mag wel).
3 Er wordt
verondersteld dat men iets op zijn geweten moet hebben om daar naar toe te
gaan.(er zijn uitzonderingen, maar zó weinig dat die te verwaarlozen zijn).
In 1939 bestond
het legioen uit 80% politieke vluchtelingen. Namelijk Spanjaarden vanwege
Franco, Duitsers (Hitler), Italianen (Musolini). De rest bestond uit avonturiers,
zoals ikzelf.
Na een harde
opleiding van 4 maanden in Salda (Algerije), volgden ong. 3 maanden
woestijndienst in Marokko.
Begin september
1939, bij het uitbreken van W0II werden ons Bataljon naar Frankrijk gezonden.
In juni was wel
duidelijk hoe de afloop zou zijn. We kregen opdracht, hoe dan ook naar
Noord-Afrika terug te gaan, dus trokken we richting Marseille waar we een
koopvaardijschip "leenden" en de bemanning de "raad" gaven ons naar Oran te
varen. Ze waren bang voor de Italiaanse Marine, maar die hebben we niet gezien.
Eenmaal in Oran
werden al snel onze mensen naar de Spaans-Marokkaanse grens gestuurd, waar we
ons ingroeven in verband met mogelijk Spaanse deelname aan de oorlog; op enkele
incidenten na was het daar een saaie boel. Gelukkig kregen
we de opdracht ons bij een groep vrije Fransen te voegen, die samen met de
Britten tegen de Italianen vochten. Het was toen oktober 1940. Dat werd een
voettocht van 2 a 3 duizend km. door de Sahara en Libische woestijn. Ik was toen
korporaal. Ik wil die tocht met één woord afdoen: Verschrikkelijk!
Begin januari
1941, dus 3 maanden later, braken we door de Italiaanse linies en maakten bij
Sidi Barani contact met de Britten. Die zonden ons een maand op rust in de
nabijheid van Alexandrië. In die tijd werden we ook voorzien van modern
materieel en wapens.
In april-mei
1941 kregen we behalve met de Italianen ook met Duitsers te maken en werd de
strijd ook grimmiger tot eind 1942 (ik was toen sergeant).
Begin november
1942 begon de opmars van 2.500 km die in mei 1943 in Tunesië zou eindigen.
Nadat de
nederlaag van de AS-mogendheden een werkelijk feit was geworden, werd de rest
van onze afdeling (zo'n 50 man waren er over van de 800 waar we in 1939 mee
waren begonnen) naar het hoofdkwartier in Sidi-Bel-Abis (Algerije)gezonden.
Daar bleef ik
tot 7-2-44, mijn 5 jaren waren voorbij en ik vervoegde mij bij het Nederlandse
Consulaat in Algiers. Daar heb ik mij aangemeld voor de Prinses Irene Brigade en
kwam uiteindelijk in Dovercourt terecht bij de 3e Unit.
Hoe we via
Frankrijk en België tenslotte in Den Haag kwamen weet iedereen, dus eindigt hier
mijn verhaal.
Willem
Antonisse
Rotterdam