Porthcawl
Overzicht diverse Brigadeplaatsen
Aankomst Nederlandse militairen in Porthcawl 13 juni 1940
Foto's : M. Berrier
Bedankbrief
van minister Dijxhoorn aan W. Molenaar (document M.
Berrier)
Kleinere groepjes en individuele militairen lukte het vanuit verschillende
Franse kustplaatsen Het Kanaal over te steken. Voorlopig werd dit samenraapsel
van militairen en marechaussees ondergebracht te
Haverfordwest. Dit primitieve onderkomen raakte
echter al snel overvol.
Vanaf 10 juni 1940 werd iedereen overgebracht naar het kamp 'Dan-Y-Graig' (=onder de rotsen) bij Porthcawl in Wales. Dit kamp
was mede door
toedoen van de al in Engeland aanwezige Luitenant- Kolonel Noothoven van Goor
in gereedheid gebracht. In totaal kwamen in die mei- en juni maanden van 1940
120 officieren, 360 onderofficieren, 980 korporaals en soldaten aan. Ze waren
afkomstig van de Infanterie, Korps wielrijders, Cavalerie, Artillerie, Genie,
Luchtvaartafdeling, Politietroepen en Marechaussee. Zij vormden de aanzet voor
een Nederlandse strijdmacht in Groot-Brittannië. Het commando over de troepen
hier was in handen van majoor Sas, die van de Marechaussees bij Den Beer
Poortugael.

Een uitnodiging van Ltn.kol Sas voor de allereerste inspectie van het Kamp
v.l.n.r
kpt. Suijlen, kapt. Kist, kpt.Van der Kroon
Op 19 augustus 1940 werd uit de Marechaussee een Mobiele compagnie samengesteld van mannen tot 38 jaar. Deze compagnie bestond uit vier pelotons, elk onder leiding van een opperwachtmeester. Kapitein E. Suijlen voerde het commando. Uit het personeel boven de 38 jaar werd een Politieafdeling gevormd, dat onder commando stond van kapitein F. van der Kroon. Deze 77 man kreeg een nauwkeurig omschreven politiële taak, zoals toezicht en controle op Nederlandse militairen. Het merendeel van de opperwachtmeesters boven de 40 jaar werd bij verschillende departementen in Londen gedetacheerd, waarzij hand- en spandiensten verrichten.
'Konijnen zitten er bij honderden en fazanten kraaien ons 's morgens wakker. Duizenden grote grijze ratten brachten ons 's nachts een bezoek in de tenten sleurden zelfs scheerzeep weg.'
Een in glooiend landschap gelegen kamp dichtbij de zee met aan de noordkant een hoge berg begroeit met allerlei houtgewas. Op het terrein stonden slechts enkele grote tenten en een groot aantal lag gevouwen op de grond. In korte tijd stonden er tenten van diverse afmetingen. Het canvas was echter met carbolineum geïmpregneerd, zodat het in die tenten niet was uit te houden.
'Ik deed meteen mijn totaal versleten jasje uit. Mijn eigen broek was al in Frankrijk op de middennaad geheel in tweeën gevallen. Mijn ondergoed stonk. De doucheruimte in dit kamp was de hele dag open met heerlijk warm water.'
'Irenehelm' met kenmerkende gouden leeuw
Enfield -P14
Sommige militairen konden op de eerste dag al een nieuw uniform ophalen in een Engels fouriertent, compleet met alles erbij: een Enfield P14 geweer, die nog uit de Eerste Wereldoorlog dateerde, 5 (!)patronen, bajonet, koppel en Engelse helm. Het uniform was een Engelse battledress met lange broek met een grote zak op de linkerdijbeen. Ook het ondergoed was van Britse topkwaliteit. De schoenen waren normale leren werkschoenen met zool- en hakbeslag.
'Was de ontvangst bij aankomst in Engeland al niet bijster enthousiast, in Porthcawl werden we helemaal behandeld als een partijtje vijfde kolonisten en moesten alle wapens en camera's inleveren. Wij mochten niet naar de stad en de bevolking had een verbod gekregen ons iets te verkopen.'
Het kamp was omringd met
prikkeldraad. Het "stelletje ongeregeld" werd door de Britten in het begin
nogal met argusogen bekeken. Men vond het maar vreemde snippenschieters. Bij
hun aankomst, en nog een tijdje daarna, werd het kamp bewaakt door Britse
soldaten en werden zij min of meer, en niet altijd op vriendelijke wijze,
bejegend als krijgsgevangenen. Heel begrijpelijk, want de Duitsers hadden er in
de beruchte meidagen een handje van om tussen de terugtrekkende en vluchtende
soldaten, een stuk of wat agenten en spionnen te schuiven. Er zijn er dan ook
enkele uit het kamp gehaald en veroordeeld.
Bovendien was het moreel van de mannen vanzelfsprekend aangetast. De snelle Duitse
opmars had grote indruk op hen gemaakt, terwijl de scheiding van gezin en verdere
familie velen zwaar viel. Ook moesten de uitgeweken Nederlanders een uitvoerig
Brits en Nederlands veiligheidsonderzoek ondergaan.
Niet verwonderlijk dat de Engelsen blij waren met de komst van de
Marechaussees en Politietroepen, zodat ze met een gerust hart de bewaking konden
overdragen. Ze moesten ook wel eens hier en daar corrigerend optreden, zoals
zij vroeger ook in Nederland hadden gedaan. De wacht was ondergebracht in een
autobus bij de ingang van het kamp. Dit alles maakte ze in de ogen van de
militairen niet altijd even populair.
Een ander ding was dat zij als "beroeps"een hogere gage hadden dan de anderen en
logisch dat in zulke gevallen de jaloezie wel eens
om de hoek kwam
kijken.
In eerste instantie was de naam van deze ongeregelde troepen in Porthcawl: 'Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot Brittannië'. Deze naam werd al snel veranderd in 'Nederlandsch Legioen', omdat de Engelsen de term foreign legions gebruikten voor vreemde troepen in hun land.
' De bevolking was aardig. Als ze ons vroegen : "Are you Dutch?' zeiden we:"Nee, Hollanders!" Dutch klonk ook zo Duits.'
Sgt. Theo Bot in grijze pak van de
Politietroepen, met grijs-oranje banderol met Netherlands op zijn mouw

Kort na aankomst in Porthcawl: links Wim Veerkamp al in Engels uniform en rechts Albert Greeve nog in Nederlands uniform

Het provisorische tentenkamp te Porthcawl. Foto linksboven, op de voorgrond politietroepen, nog gekleed in het Nederlandse grijze uniform. Foto hierboven Marechaussees.
'Weken achtereen kregen de kieskeurige Hollanders niets anders te eten dan stamppot met lamsvlees, waarop geel schapenvet dreef.'
De maaltijden in dit kamp werden genuttigd aan lange houten tafels in de
buitenlucht. Viermaal per dag en van goede kwaliteit, al was niet iedereen die
mening toegedaan. Opvallend was dat er altijd thee was. Er was maar één kapper
op zo'n 2000-3000 man.
Na verloop van tijd kregen deze militairen de naam van Nederlands Legioen en werden ze in de overbekende battledress gestoken. De Nederlandse rangonderscheidingen maakten plaats voor de Engelse, met op de linker bovenmouw een leeuw, met daaronder oranjekleurig 'Nederland'.
De dag begon meestal met een P.T. (physical training), die bestond uit een veldloop. Na deze opwarmer kreeg men Engelse les en wapenleer. Vervolgens snelheidsmarsen en velddienst. Een Engelse officier gaf instructie over de Tommygun en Molotov-cocktail (!). Er stonden ook vaak demonstraties met de Brengun carrier op het programma. Om de conditie op peil te houden werden er regelmatig sportdagen gehouden. Dit kwam de onderlinge verstandhoudingen ten goede.
Het mankeerde aan bewapening. Die bestond uit: driehonderd geweren met vijf patronen per wapen en enkele verouderde machinegeweren. De Nederlandse militairen gebruikten bij de exercitie vaak bezemstelen in plaats van geweren. De meeste Nederlandse wapens waren in 1940 verloren gegaan of ingeleverd bij de Engelsen. Zij, die bij Duinkerken in materieel opzicht gigantische verliezen had geleden, gaf uiteraard prioriteit aan de bevoorrading van de eigen troepen. Pas vanaf 1941 werd de materiële situatie bij de brigade geleidelijk beter door de Britse leveranties.

De materiële situatie in september 1940
Bovendien voldeed een groot aantal militairen niet aan de fysieke geschiktheideisen. Dit kwam o.a. door de relatief hoge leeftijd van de oorlogsvrijwilligers. Ook de marechausseeonderofficieren behoorden vaak niet meer tot de jongste, terwijl de meeste dienstplichtigen door het stelsel van legervorming eveneens relatief oud waren. De oudste onderofficier was 57, de jongste marechaussee 22 jaar. De gemiddelde leeftijd van de brigademannen was 32 jaar. Velen werden naar Londen overgeplaatst en werden daar tewerkgesteld.

Parade van de Nederlandse troepen in Porthcawl. De PAG-trekker is omgebouwd tot anti-tankvoertuig.
De heterogene samenstelling van de Brigade bemoeilijkte
het functioneren ervan als eenheid. De militairen hadden zeer verschillende
maatschappelijke achtergronden. Onder de rekruten bevonden zich bijvoorbeeld een
relatief groot aantal personen met een hogere opleiding. Vanwege het overschot
aan kader en officieren konden evenwel weinigen van hen worden opgeleid
voor een hogere rang. Niet iedereen wist deze teleurstelling even goed te
verwerken en een enkeling begon zich kritisch op te stellen. Ook in militair
opzicht was de herkomst verschillend.
In het bijzonder de Marechaussees werden
niet erg welwillend bejegend. Vele dienstplichtigen hadden zich in de
vooroorlogse burgermaatschappij een negatief beeld van deze beroepsmilitairen
gevormd.
Luchtmachtpersoneel nabij Porthcawl juli 1940
'Ik voelde me niet lekker bij die lui. Voor de oorlog reed ik een straatje voor ze om. Ze bekeurden je als je geen fietsplaatje had.'
'In het begin leek Porthcawl meer op een krijgsgevangenenkamp. Een heuvelachtig terrein, waarop de officieren de beste plaats hadden. De marechaussees waren wat apart gezet onderaan de heuvel. Blauwen, zo noemde ze ons nogal haatdragend. Je moet niet vergeten dat we voor de oorlog niet bepaald een geliefd korps vormden. De meeste soldaten en burgers hadden in Nederland wel eens met ons te maken gehad, boetes of korte gevangenisstraffen voor smokkel bijvoorbeeld. Nu zaten we bij elkaar op een stukkie grasland. Dat geeft wel eens wrijving. Dat was met de Engelsen ook wel eens. Er waren 's avonds nogal eens knokpartijen in de kroegen van dat dorp. Dan hoorden we d'r natuurlijk wel weer bij. Nederland tegen Engeland...'
'Op de boot van Engeland waren er verschillende officieren die zichzelf hadden gepromoveerd: een korporaal bleef twee jaar lang luitenant. Een medisch student beweerde arts te zijn. Kapitein Nolet bleek later sergeant Nolet te zijn...'
'De meeste officieren uit de Peellinie waren als eersten in Engeland. Dat zette veel kwaad bloed bij iedereen.'
Mede hierdoor was er een gebrek aan vertrouwen van de manschappen in de officieren. Niet alleen liepen er teveel van rond, maar, wat veel ernstiger was voor de geloofwaardigheid, een deel van het kader was niet opgewassen tegen het infanteriebestaan. Sommige hoofdofficieren waren in bureaufuncties het troepenleven ontwend geraakt. Anderen namen de oefeningen niet al te serieus en bereidden zich er nauwelijks op voor. De Britten waren verbijsterd door het openlijke defaitistisch gepraat van vele Nederlandse officieren. De meeste daarvan zagen geen heil in voortzetting van de oorlog en drongen aan op vertrek naar de West of naar Indië, inclusief de commandant.
'Er was een enorm verschil tussen officieren en de gewone jongens. Er waren plaatsen waar je niet mocht komen en ik geloof ook dat de Engelsen de eerste tijd contact tussen ons en onze eigen officieren verbood. Een hoop van die officieren deugden niet, dat heeft een tijdje geduurd. Je kon niet zeggen dat we nou bepaald achting voor die lui hadden.'
Bij de burgerchauffeurs van de Zeeuws-Vlaamse Tramweg Mij. was die achting, na alles wat ze hadden meegemaakt, er nooit geweest. Wie van hen de dienstplichtige leeftijd had, werd ingedeeld bij het wachtlopen.' Jansen, ingedeeld voor wacht!' ' Maar ik ben burger!' 'Je staat op de appèllijst!' Ja, omdat ze me in dit kamp hebben gezet!' 'Niks mee te maken, wachtlopen!'
'Wij burgerchauffeurs hadden onze tenten achter in het
kamp. We hoorden nergens bij en kregen nog steeds geen geld. We waren op een
dag zelfs in hongerstaking gegaan. Als we niet direct aan het werk gingen, zou de commandant ons naar
een gevangenkamp sturen. Ds. Van Dorp heeft toen bemiddeld met minister
Dijxhoorn en we kregen uiteindelijk een voorschot...'
Op een gegeven moment was de situatie van de burgerchauffeurs zo uitzichtloos dat er een georganiseerde hongerstaking uitbrak. Van hogerhand was hen van alles en nog wat beloofd, maar men kwam die beloften niet na. Daarop werd er zelfs gedreigd hen op te sluiten als enemy aliens. Ds. Van Dorp bemiddelde voor hen met minister Dijxhoorn. Zijn adjudant Kruls besloot alles in de minne te schikken en bood hen tenslotte een contract als militair werkman aan. Uiteindelijk ging de Britse regering met deze regeling akkoord.
Dominee Van Dorp
Na enkele weken werden de officieren en adjudantenonderofficieren ingekwartierd in het stadje Porthcawl, dat voor de overige militairen nog steeds 'out of bounds' was.
'Toen we eenmaal meer vrijheden kregen, gingen we vaak
naar Coney Beach en naar de pubs. Daar leerden we pas Engels spreken. De meisjes
waren prima docenten...'
'Het ontmoetingspunt in de stad was het ijswinkeltje van de familie Borza. Het maakte deel uit van het Esplanade hotel, waar zij ook de eigenaar van waren. Daar werkte ook een zekere Eirwen Jones, zij trouwde al op 21 september 1940 met 2e luitenant Hendrik Hendriks.'
De plaatselijke garage Evans werd al snel ingehuurd voor het onderhoud aan het Nederlands wagenpark. Toen na verloop van tijd de stad ook werd vrijgegeven, mocht de 10-persoons monteursploeg de verblijven boven deze garage gebruiken als slaapplaats. De maaltijden werden zelfs uit het nabij gelegen kamp hiernaartoe gebracht. Op een gegeven moment was deze plaats zo populair dat er soms wel vijftig slapers waren. De stemming steeg evenredig met het aantal amoureuze betrekkingen die werden aangeknoopt met de plaatselijke schonen.....
De oorspronkelijke eigenaars van de overgekomen particuliere voertuigen werden schadeloos gesteld aan de hand van een zgn. schatting. De geschatte waarde liep uiteen van £ 80 voor een Opel Kadett tot £1100 voor een Mercedes bus. De Chevrolet varkensvervoerwagen bracht £400 op.
In het begin was het autogebruik nog gelimiteerd tot enkele hoge rangen: alle officieren met een hogere rang dan kapitein kregen een 'mooie' auto met chauffeur. Ook de aalmoezenier en dominee hadden deze privilege.

Uit de kampklok september 1940
Nederlandse officieren vonden in de omgeving van Porthcawl gelegenheid om de golfsport te beoefenen. Op 26 en 27 juli speelde een team van Het Nederlands Legioen, onder aanvoering van Kap. Tienhoven, een wedstrijd tegen Londense Nederlanders. (zie ook herinneringsbord onder button "Monumenten van de PIB")
In het kamp werd ook een koor opgericht, o.l.v. dirigent
Leenstra. Binnen korte tijd waren ze zover gevorderd dat, met toestemming van de
regering in Londen, in Cardiff een opname voor de BBC werd gemaakt, die op 22
september werd uitgezonden. Behalve het volkslied werden ook nog enige
vaderlandse liederen ten gehore gebracht.
Ook was er een cabaretgezelschap met de alles zeggende naam
'Tijl Uilenspiegel', die regelmatig op zomeravonden voor de manschappen optrad.
De allereerste kerkdiensten werden op het kamp zelf gehouden. Na een paar weken werd de St. John Church in Newton (Porthcawl) de thuishaven van veel manschappen.
De contacten tussen de Engelse overheid en het Nederlands Legioen verliepen via een liaison-officier (=verbindingsofficier).

Uit de "Kampklok" augustus 1940

De eerste 'pioniers' van Ruperra Castle, in 't midden met zwart haar sld. Sturler
'Er was een echt kasteel, maar het bood onvoldoende plaats aan het hele bataljon. Wij, de derde compagnie, of alleen het derde peloton daarvan, lagen in tenten. Volgens de geruchten moesten we weg uit Porthcawl ,omdat het contact met de uit Nederland overgekomen troepen ons ook opstandig zou kunnen maken.'
'Het voordeel van die tenten, vlak bij een lage muur om het kasteel, was dat je ongemerkt na het avondappel kon binnenkomen. De tentcommandant meldde om 10 uur "allen present" en er was zelden controle. Het nadeel was dat je verrekte van de kou. '
In augustus 1940 kwamen hoe langer hoe meer burgers het kamp binnen, allen met dezelfde oproep in de hand: "In naam der Koningin Wilhelmina....opgeroepen het vaderland te bevrijden van de Duitse bezetters ..." Het waren de eerste 'Engelsen' met een Nederlands paspoort en opgeroepen voor directe indiensttreding. Het waren mensen uit diverse geledingen van de maatschappij: werkzaam in geld-en diamanthandel in Londen, Unilever-werknermers, variétéartiesten, muzikanten, zangers, journalisten en zelfs doctoren en chirurgen. De nieuwe lichting, zonder eerste oorlogservaringen, kon zich niet goed mengen met de manschappen van het eerste uur. De laatstgenoemde rekruten werden samengebracht in een Depotbataljon. Ter voorkoming van een te grote troepenconcentratie in het tentenkamp werd dit Depotbataljon, in verband met het luchtgevaar, op 29 augustus 1940 verplaatst naar Ruperra Castle, ten noorden van de weg tussen Cardiff en Newport. Dit nog niet zo oude kasteel had heel veel verdiepingen, zalen, torens en in-en uitgangen. Er was een dagelijkse verbinding tussen het kamp in Porthcawl en dit kasteel: zes aparte auto's met elk een aparte missie......De postdienst vond plaats met een van de drie 'Hollandse' Harley-Davidsons (1200 cc met achteruitversnelling!)met zijspan.

Ruperra Castle net voor de brand die het in 1941 verwoestte. Op dat moment waren er Engelsen in gelegerd.
De subsistentencompagnie die hier ook werd gehuisvest, werd ter promotie al snel omgedoopt in '4e Compagnie.' Commandant was reserve-kapitein der Artillerie Cohen. De kaderleden waren onderofficieren van de Militaire Politietroepen en ervaren instructeurs. De ongeschikt bevondenen voor gevechtsfuncties, werden voor zover het hun conditie toeliet, wel opgeleid: exerceren, marcheren, wapenexercitie en onderhoud, oefeningen met gasmaskers en ook de hindernisbaan werd genomen. De meeste kregen daarna een passende functie: administrateur, hulpfoerier, corveeër, messbediende, hulpkok enz.

Oefenen op het strand augustus 1940 Oefening met PAG-trekker

Parade in het kamp
v.l.n.r. Henry Janssen, E. Koldewy, Peter Meuwissen, Kees van Hulsteijn, M.
Melkman, Kpl. Knol
Uit de kampklok september1940
Linksonder het huwelijk van Eirween Jones met Hendrik Hendriks op 21 september 1940 in het kerkje van Newton Nottage bij Portcawl.
Op 24 september bestond het legioen uit:
A. Mobiele troepen
- 1e bataljon: vijf infanteriecompagnieën en een compagnie motordienst
- een compagnie mobiele marechaussee van vier pelotons
- een detachement politietroepen van 60 man
Een nieuwjaarswens van de 4e compagnie
B. Depotbataljon
- drie rekrutencompagnieën van 95 man
- een compagnie subsistenten (burgers en afgekeurden voor actieve dienst) ook wel 4e compagnie genoemd, van 145 man
'Toen wij de haven van Port Talbot moesten bewaken, zagen we dat Swansea door de Duitsers werd gebombardeerd. De lucht zag zwart en het stonk enorm door de olietanks die in brand stonden.'
Enkele pelotons werden ingezet voor bewakingsdiensten in nabij gelegen havens en staalfabriek o.a. bij Port Talbot bij Swansea en langs de grillige zuidkust van Wales. Ook de bewaking van de vliegvelden St. Athens bij Cardiff en Stonning Downs hoorde daarbij. De marechaussees, onder commando van Den Beer Poortugael, bleven gestationeerd in Porthcawl.

Wachtmeester Jol met kameraden in een strandpaviljoen te Porthcawl
Naarmate het jaar op zijn eind liep werden de nachten kouder. Aangezien het tentenkamp niet geschikt was voor overwintering, werd uitgekeken naar een geschikt onderkomen. Op 28 september werd aan de Coney Beach in Porthcawl een afscheidsavond gegeven, die vnl. bestond uit muziek en zang. Het hoogtepunt van deze avond was het uit volle borst zingen van het door dirigent Van der Lijn van het kampkoor gecomponeerde Legioenslied.

Programma afscheidsavond van 28 september
1940 in de Grand Pavilion in het Nederlands
en het Engels
In de laatste Kampklok van Porthcawl schreef L.R. van Vliet zijn afscheidsgedicht 'Om nooit te vergeten' over dit kamp:
Om nooit te vergeten
Ik voel mij droef en aangedaan
Omdat ik uit het kamp moet gaan
Een traan bevond zich op mijn wang
En in mijn hart een treurgezang
Hoe zal ik mij des nachts vervelen
Geen rat zal rond mijn bedje spelen
En ik zal niet meer liggen woelen
Of van die kleine beestjes voelen
De wespen, ach hoe zullen zij
Hun doelwit vinden zonder mij?
Adieu, gekriebel en gejeuk
Adieu, keiharde grond
Adieu, gedierte allemaal
't Was akelig, maar gezond
Op 2 oktober 1940 hadden de manschappen voor de 113e maal onder tentdoek geslapen. Toen de tenten werden gestreken, lieten ze een schoon kamp achter. Op het station in Porthcawl stonden twee treinen klaar die hen naar Congleton zouden brengen. Ze werden door veel Engelse meisjes uitgewuifd.....

Conwy, met op de achterste rij 2e van rechts Van Hulsteijn, 6e van rechts E. Koldewey,
gehurkt 1e van rechts Huub Lauwers
'We waren blij in midden-oktober naar Conwy in Noord Wales te verhuizen. We lagen daar in een groot gebouw vlak bij het strand. Het was heerlijk weer in een bed te liggen en een goed bad te kunnen nemen. Aan de overkant van de weg lag een heuvel van 100 a 150 meter hoog, die we eens met gasmasker op moesten bestormen. Natuurlijk kwam Scottie als eerste boven. Toen ik mijn masker afzette, liep er wel een halve liter water uit. We hebben daar mooie marsen gemaakt, langs de zee of langs een riviertje en in de bergen. Plezierig was ook het nabijgelegen Llandudno, een gezellig stadje aan een heel mooie baai. Jammer genoeg bleven we ook daar niet lang.'
'Conwy was
een rustig plaatsje aan de voet van een hoge berg en gelegen aan zee. We werden
daar in het Morfa-kamp van 9 oktober tot 27 november in barakken ondergebracht.
Onze Commanding Officirs waren hier Majoor P.F. de
Broekert en J. de Waal. Het hoofdkwartier was hier gevestigd aan de
Beechwood Court. Behalve in het Morfa-kamp waren er ook troepen gelegerd
in de Bryn Hyfryd.
Vier weken lang geen air-raid en
mooi dat het er was aan zee en tussen de bergen. Het was alsof er geen oorlog
bestond. Alleen de uitbetaling van soldij was erg onregelmatig, we zaten
regelmatig zonder geld.'
Het Depotbataljon werd op 10 oktober 1940 van Ruperra Castle naar
Conwy in Noord-Wales overgebracht. Juist voordat dit bataljon eind november ook
werd verplaatst naar Congleton, kwam door een
noodlottig ongeval in Llandudno het allereerste brigadelid om het leven:
Jan Engelinus Trip.