De rekrutering

De Nederlandse regering in ballingschap o.l.v Gerbrandy hoopte d.m.v. oorlogsvrijwilligers en het oproepen van dienstplichtigen een aanzienlijke strijdmacht bijeen te brengen. De meeste optimistische schattingen gingen uit van meer dan tienduizend militairen.
De Nederlandse regering in London vaardigde bij Koninklijk Besluit van 8 augustus 1940 een wetsbesluit uit voor alle Nederlandse mannen, geboren tussen 1 januari 1904 en 1 januari 1921, die woonden in Groot-Brittanni, Noord-Ierland. Canada en de Verenigde Staten van Amerika, voor zover niet in werkelijke dienst van land- of zeemacht, verplicht zich voor de dienst te doen inschrijven. Zij zouden gewoon 'dienstplichtige' worden en verplicht zijn dienst te verrichten bij de land- of zeemacht voor de duur van de oorlog of zoveel langer als de Regering nodig zou achten. In februari 1941 werd dat tussen de achttien en de tweenveertig en betrof het ook de rest van de wereld, behalve bezet gebied en overzeese gebiedsdelen. De rekrutering was echter geen succes. De afkondiging van de dienstplicht werd aangeplakt in ambassades en consulaten en bekendgemaakt via het Londense Vrij Nederland en het blad de Knickerbocker in New York. Veel problemen stonden een effectieve personeelsvoorziening in de weg. De verblijfplaats van veel Nederlanders was bijvoorbeeld niet bekend bij de ambassades en consulaten. En om deze gegevens te kunnen achterhalen was de medewerking vereist van de betrokken overheidsinstanties. Veel landen werkten niet mee. Zeer veel mensen werden afgekeurd of kregen, om soms onduidelijke redenen, vrijstelling. Sanctiemaatregelen en dwang bleken in de praktijk ook niet uitvoerbaar: wie geen zin had, kwam niet opdagen. Veel Nederlanders in den vreemde gaven er bovendien de voorkeur aan dienst te nemen in het leger van hun nieuwe vaderland. Dit was wel te begrijpen, doordat ze op die manier een snelle naturalisatie kregen en een veel betere kostwinnersvergoeding. Ook waren veel Nederlanders in het buitenland werkzaam bij ondernemingen die ten dienste stonden van de oorlogsindustrie en waren om die reden vrijgesteld van de vervulling van hun dienstplicht. In Engeland kwam niet meer dan de helft van de dienstplichtigen op. De belangrijkste emigratielanden Canada, de V.S. leverden 540 man op, Zuid-Afrika in verhouding nog het meest: 600 man. Ook kwam er een contingent uit het Midden Oosten en wat minder bekend ook personen uit Oost-Afrika.

Een apart geval vormde Suriname: Er meldden zich in de zomer van 1941 te Paramaribo 400 meest creoolse vrijwilligers voor het Nederlands Legioen. Minister van Binnenlandse Zaken H.van Boeyen weigerde deze creoolse vrijwilligers echter, vermoedelijk vanwege de vrees dat zij als gekleurden aanstoot zouden geven aan de blanke, en racistisch denkende, dienstplichtigen en vrijwilligers uit Zuid-Afrika. Ook premier Gerbrandy liet zich, tijdens de ministerraad van 1 juli 1941, nogal laatdunkend uit over deze creolen: geen nikkertjes in de Irenebrigade. Desondanks werden er toch 15 Surinamers opgenomen in de Brigade. Ze kregen hun eerste opleiding in het verzamelkamp Stratford in Canada.

Door de negatieve resultaten van deze rekrutering moesten de schattingen van de uiteindelijke sterkte drastisch naar beneden worden bijgesteld. Eind 1940 koesterde minister van Defensie in ballingschap Dijxhoorn nog steeds hoop dat een brigade van drie- vijfduizend man gevormd zou kunnen worden. Zo'n brigade zou dan als zelfstandige, duidelijk herkenbare Nederlandse eenheid een bijdrage kunnen leveren aan de bevrijding van West-Europa. Een deel zou het 'Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot Brittani'(deze naam werd al snel veranderd in 'Nederlandsch Legioen', omdat de Engelsen de term Foreign Legions gebruikten voor vreemde troepen in hun land), zoals de ongeregelde troep in Porthcawl nu werd genoemd, moeten versterken. Het Nederlandse uniform werd vervangen door het Britse, met op de linker bovenmouw een leeuw met daaronder het woord 'Nederland'.

                                

Het mouwemblemen van brigademilitairen uit Zuid-Afrika en Canada                          Schouder-en mouwemblemen van de battledress

In augustus 1940 begon men de oorlogsvrijwilligers en dienstplichtigen uit Engeland samen te brengen in een Depotbataljon. Later kwamen hier de mannen uit andere landen (zoals Suriname, Nederlandse Antillen en Argentini) bij.  Een bijzondere groep vormde een veertigtal ex-legionairs van het Franse Vreemdelingenlegioen. Door dienst te nemen, hoopten ze hun verloren Nederlanderschap weer terug te verdienen.

Op 22 augustus 1940 tekenden zowel de Nederlandse als Canadese regering een overeenkomst waarin de Canadese regering toestemming verleent tot de werving en oprichting van een Nederlands bataljon op haar grondgebied. Nederland stelde zich garant voor alle daarbij horende kosten.

De dienstplichtigen en oorlogsvrijwilligers uit de V.S. en Canada werden vanaf het voorjaar van 1941 eerst in Stratford en later in Guelph in Canada opgeleid. De meeste van hen hadden nooit in Nederland gewoond en spraken geen woord Nederlands. Deze militairen droegen als herinnering aan hun herkomst een oranje Canadees esdoornblad ('maple leaf') op hun mouw.

Vanuit Zuid-Afrika reisden in totaal 650 man naar Engeland. Eind oktober 1942 werd de MS.Abosso II, met aan boord 50 Nederlandse rekruten van het zevende contingent, getorpedeerd. Alle rekruten kwamen hierbij om het leven. Per saldo kwamen er dus 600 mannen aan. De Zuid-Afrikanen droegen een springbok, hun nationale symbool, op hun mouw. Buiten genoemde landen gaven tweehonderd man gehoor aan de oproep om hun dienstplicht te vervullen.

Van het personeel, dat in Engeland op de verschillende manieren beschikbaar kwam, kon slechts een deel bij de Koninklijke Landmacht worden ingedeeld en nog een kleiner deel vond zijn bestemming bij het mobiele deel daarvan. Dit kwam, omdat er tevens personeel nodig was voor de Koninklijke Marine en voor de Luchtstrijdkrachten. Ook hadden de in Engeland gevormde Departementen veel personeel nodig en dan was er een groot aantal, dat niet aan de keuringseisen voldeed.

De militairen vormden de basis van de troepen. Bij hen voegden zich Engelandvaarders: Nederlanders die vanuit het bezette vaderland naar Engeland vluchtten. Dat gebeurde op uiteenlopende manieren. Een gedeelte stak rechtstreeks met een bootje de Noordzee over. (Lees: Soldaat van Oranje) Uit Franse havens vertrokken ook nog wel eens Hollandse kustvaarders, waarvan de kapitein plotseling koers naar Engeland zette.

Intussen bleven nog steeds vrijwilligers en dienstplichtigen  uit alle windstreken en Engelandvaarders toestromen.

'Ik wist wel wat over de strijd in de Sahara natuurlijk. Over bezet Nederland minder. Je kreeg in Kaapstad wel eens wat nieuws via kranten of van mensen van de koopvaardij. maar je had geen idee van jodenvervolgingen ofzo. Ik was niet zo'n patriot, maar moest toch een keer voor mijn nummer op. Ik meldde mij in Wolverhampton bij de Verkenningseenheid (Recce), omdat het mij wel een aardige manier leek om auto te leren rijden.'

Met nog geen 1500 man had het legioen in januari 1941 nog lang niet de sterkte bereikt die een brigade vereist. Desondanks werd toch op 11 januari 1941 optimistisch de naam  gewijzigd in  Koninklijke Nederlandsche Brigade.

Tot begin 1944 bleven de rekruten voor de Irene Brigade Engeland binnenkomen. Daarna ging het land hermetisch dicht i.v.m. de naderende invasie (Plan Overlord).

Commandant Looringh van Beeck

In oktober 1944 was er, door de talrijke gewonden, weer dringend behoefte aan aanvullingstroepen. Uit Frankrijk, Belgi en het zuiden van Nederland waren veel dienstplichtige Nederlanders en oorlogsvrijwilligers beschikbaar gekomen. Doordat de Brigade inmiddels in de omstreken van Grave bivakkeerde, waren de aanvoerlijnen te lang geworden. Men vond een voormalig arbeidsdienstkampje in Vreewijk bij Deurne in de Peel. Daar het te dicht bij de frontlinie lag, werd het kamp tijdelijk verlaten voor een perceel bosgrond in de buurt van Helmond dat voorlopig als bivak diende. Toen het Duits offensief stokte keerde men er onder leiding van majoor Looringh van Beek en de toegevoegde majoor Beelaerts van Blokland  weer terug. Laatstgenoemde hield zich, op eigen verzoek, tijdelijk bezig met het aanvullingsdetachement en de organisatie van de opleiding van nieuwe rekruten in Vreekwijk. Hij verwachtte dat van een brigade op sterkte meer invloed bij de Engelse beleidsmakers kon worden afgedwongen. Hij kreeg echter amper de kans om dit de verwezenlijken, want  in november 1944 werd hij op verzoek van Prins Bernhard overgeplaatst naar de staf van de Bevelhebber Nederlandse Strijdkrachten in Brussel. Daar de Brigade van Grave weer naar Tilburg werd gedirigeerd, werd Vrekwijk weer ingeruild voor Leopoldsburg in Belgi. Na een zes weekse opleiding ging de compagnie naar een H.B.S.-school in Bergen op Zoom.

Op 26 januari 1945 betrok de commandant Looringh van Beeck in laatstgenoemde plaats de Cort Heiligers kazerne, die weldra werd omgedoopt in de 'Prinses Irene'-kazerne om de Engelsen te dwarsbomen, die door de kou gedwongen, ook op zoek waren naar een 'vast' onderkomen.  De commandant maakte van de beschikbare letters op de gevel de naam Prinses Irene Brigade. De ontbrekende letters bestelde hij bij de plaatselijke smid. Dit werd de laatste oorlogsmaanden het opleidingscentrum voor oorlogsvrijwilligers (O.V.W.)van de Irene Brigade.

   

Parade in Bergen op Zoom van oorlogsvrijwilligers                                                                        Leren aardappelen schillen