De Nederlandse Antillen en Suriname in oorlogstijd

Na de Duitse inval in Nederland in 1940 waren Suriname en De Nederlandse Antillen ook in oorlog met Duitsland. De olieraffinaderijen en bauxietmijnen waren een potentieel doelwit voor eventuele Duitse aanvallen.

Op Curaçao en Aruba bevonden zich sinds 1915 de grootste olieraffinaderijen ter wereld (Shell, Standard Oil en Arend Petroleum Mij.). De ruwe olie die daar verwerkt werd tot benzine, olie en smeermiddelen, was afkomstig uit het Venezolaanse meer van Maracaibo. Een zeer onstabiel bestuur in die republiek maakte het raffineren op de Antillen gewenst. Aanvoer geschiedde met kleine tankschepen. De uitvoer naar het oorlogsgebied met oceaantankers. In 1939 voorzagen de raffinaderijen op de Antillen 43% van de oliebehoeften van de Engelsen en Fransen, en voor 80% van de Royal Air Force. De Amerikaanse invasie in Noord-Afrika in 1942-1943 draaide voor 100% en de strijd in de Pacific, 1944-1945, voor 75% op de brandstof uit de Antillen.

Bij het uitbreken van de oorlog tussen Duitsland enerzijds en Frankrijk en Engeland aan de andere kant, waren en bleven de Nederlandse Antillen neutraal. Zij waren een toevluchtsoord voor vluchtelingen van het Nazi-regime. In de havens van Curaçao en Aruba zochten een twaalftal Duitse koopvaardijschepen een veilige ligplaats. Een Franse kruiser van het Marine-eskader op Martinique, de "Jeanne d'Arc" lag buiten de territoriale wateren en verhinderde de Duitsers uit te varen.

Het bericht van de Duitse inval in Nederland bereikte de Antillen in de vroege uren van 11 mei 1940. Nederlandse Mariniers, matrozen en Militaire Politie namen de Duitse koopvaarders in beslag en de opvarenden gevangen. Op Aruba werd een schip door eigen bemanning tot zinken gebracht. Alle 440 bewoners van Duitse nationaliteit, zakenlui, vluchtelingen en Nederlandse N.S.B.'ers werden opgepakt, afgevoerd naar en opgesloten op Bonaire. In eerste instantie werden hiervoor drie schoolgebouwen voor gebruikt: één voor vrouwen en kinderen, één voor Duitse zeelieden en één voor de overige mannen. Al na een paar dagen komen de zeelieden in opstand en niet lang daarna worden zij overgebracht naar Brits Jamaica.Veel geïnterneerde Duitse joden kregen beperkte bewegingsvrijheid op het eiland.
Ondertussen was in juli 1940 het Kamp Bonaire gereed. Het werd ingericht voor ruim tweehonderd geïnterneerden. Het was een relatief klein kamp met een bescheiden bewaking. De vrouwen en kinderen werden ondergebracht in kleine huisjes, de mannen in een grote loods.

Op 11 mei 1940 arriveerden twee Engelse oorlogsschepen, "Caradoc" en "Despatch", en een bevoorradingsschip. De staat van beleg werd afgekondigd. Verduisteringsmaatregelen werden van kracht voor woon- en industriegebied.

Op de Nederlandse Antillen waren 150 man militaire politie. Voor de echte defensie van de Antillen kon men een beroep doen op de VKC (Vrijwillige Korps Curaçao) en de VKA (Vrijwillig Korps Aruba). De dienstplicht werd al in 1939 ingevoerd bij de oprichting van de Antilliaanse Schutterij. Op de Antillen en Aruba waren er binnen de Schutterij ook vrijwillige hulpdiensten zoals de Burgerwacht.  De Nederlandse regering stuurde ter aanvulling 250 mariniers samen met een schip, twee duikboten een vliegtuig. Deze mariniers trainden de Antilliaanse dienstplichtigen. Zij werden overwegend ingezet voor bewakingsdiensten.

Op Curaçao en Aruba werden kustbatterijen gebouwd en bemand. Op Curaçao op "Steenrijk" en "Bullenbaai".(zie foto hieronder) Uit Martinique (Franse Antillen) werden inheemse Franse troepen naar de Antillen gezonden ter versterking van de defensie. Na de capitulatie van Frankrijk werden die teruggeroepen naar Martinique.

De Franse Mariniers werd vervangen door Schotse militairen en na 7 december 1941 (Pearl Harbour) kwamen Amerikaanse zee- en landmachteenheden. De defensie van St. Maarten ( 1/2 deel Frans) en Bonaire, werden versterkt met Schutterijdetachementen. Een aanval op de olieraffinaderijen en opslagparken aan de kust werd (nog) niet gevreesd.

Vanwege de grote militaire en economische belangen was het logisch dat vanaf 1940 eerst Engelse en Franse troepen op de Antillen werden gestationeerd en vervolgens in februari 1942 pas de US-troepen. Zij verbeterden de vliegvelden en richtte een marinebasis in op Curaçao.

Duitse onderzeeboten vielen transportschepen met olie en bauxiet aan. Op 16 februari 1942 werd bij Aruba de eerste Duitse torpedo op het westelijk halfrond afgevuurd op het tankerschip Pedernales. Diezelfde nacht werd door een Duitse onderzeeboot  de olietankparken aan de Bullenbaai te Curaçao en van de Lago Oil  op Aruba, vanuit zee beschoten. Echter zonder schade van belang. De kustbatterij Bullenbaai beantwoordde het vuur. De marinier der Ie klasse Van Niel, werd ter plaatse bevorderd tot korporaal.

In Aruba liep een Duitse onderzeeër aan de grond in de Paardenbaai, maar kon op eigen  kracht wegkomen. Een aantal vrachtschepen (o.a. van de K.N.S.M. (Kon. Ned. Stoomboot Mij.N.V.) werd op het traject Curaçao -Trinidad -New-York getorpedeerd. De toen grootste tanker ter wereld, m.s. Odin werd bij Westpunt Curaçao tot zinken gebracht. De Amerikaanse lichte kruiser, U.S.S. Eerie werd voor Curaçaobaai (Curaçao), door torpedo's getroffen. Ze werd brandend op het Rif, bij Willemstad gezet en vloog daar in de lucht. Het gevolg was dat de Amerikanen wel enkele oorlogsvliegtuigen en torpedojagers naar het gebied dirigeerden. Tevens werden er in de St. Anna- en Caracasbaai stalen netten aangebracht, om de torpedo's te weren. Kleine Zeppelins werden daarna ingezet voor de opsporing van de duikboten.

Voor de havens van Curaçao en Oranjestad .(Aruba) werden meerdere kleine tankers, die uit Venezuela ruwe olie aanvoerden, getorpedeerd of in brand geschoten. Toen bleek dat de reddingmiddelen aan boord ondeugdelijk waren, brak een tien dagen durende zeeliedenstaking uit. De olieaanvoer en verwerking stagneerde. Nadat de zaken aan boord verbeterd waren, eindigde de staking. Een aantal Chinese opvarenden weigerden aan de vaarplicht te voldoen en werden in een kamp op Suffisant (Curaçao) opgesloten. Bij een controle door de politie kwamen ze in opstand  waarbij tien Chinezen doodgeschoten werden. Een diplomatiek incident met de Chinese Republiek was het gevolg.

De duidelijke aanwezigheid van Duitse onderzeeërs leidde tot onrust en allerlei geruchten. Er gebeurden ook alarmerende dingen. De grote Amerikaanse club van de Standard Oil op Aruba brandde op mysterieuze wijze af  Men sprak van sabotage en/of "vijfde colonne"  De gezinnen van Amerikaanse olie-employees werden met spoed naar Amerika geëvacueerd.

In stille baaien werden boven water liggende onderzeeërs gezien. In de nacht werden nabij de baaien geheimzinnige lichtsignalen waargenomen. Motortorpedoboten kwamen in actie en patrouilleerden, zonder resultaat, op zoek naar U-boten. Dat die er wel degelijk waren bleek uit de torpedering van een groot vrachtschip in de haven van Castnes (St.Lucia) waardoor die geblokkeerd werd en geen schip er in of uit kon. De stagnerende bevoorrading leidde tot hongersnood. De zeer sterke Duitse radiozender Radio Zeesen (zie foto) kon op Curaçao worden opgevangen en bracht onrustzaaiende berichten. Zij meldde de landing op Curaçao van een Duitse zeeman. Die bezocht in Willemstad de bioscoop en dronk een glas whisky op het terras van Hotel Americano. De datum, naam van de film, prijs van het toegangskaartje en kosten van de consumptie werden genoemd, ook meldde men de sterkte van bewakingsdetachementen, de situatie bij de kustbatterijen en zo meer. Allemaal redenen voor onrust en geruchten onder de bewoners. Waarschijnlijk waren de Duitsers helemaal geen aanval van plan. Ze hoopten door hun propaganda en acties nabij de eilanden de onrust op te voeren, stakingen in de oliebedrijven te bewerkstelligen en eventueel daardoor de fabricage stil te leggen of te stagneren. Het hoofddoel was de oliestroom van de geallieerden te hinderen. Hoe dan ook.

Naarmate de konvooien naar Europa beter geëscorteerd werden, verminderde het aantal verliezen bij de koopvaardij. Meer onderzeeboten werden vernietigd op de Atlantische Oceaan. De invasie in Normandië, de opmars van de Russen, gebrek aan grondstoffen in Duitsland en  bombardementen op onderzeebootonderkomens, werden fataal voor de operaties van het onderzeebootwapen. Het aantal U-boten dat in de Caribische wateren opereerde, liep sterk terug. Ze waren meer nodig op het Europees strijdtoneel.

(o.a. informatie J. de Waal)

In Suriname richtte men in 1939 de zgn. Schutterij op. Dit was een landmacht. De Schutterij was bedoeld als aanvulling op de Nederlandse reguliere troepen (TRIS) en werd gevormd uit de lokale bevolking. Zij mocht krachtens de grondwet niet buiten het eigen grondgebied worden uitgezonden. In eerste instantie bestond deze troepen slechts uit 180 man. Het aantal vrijwillige aanmeldingen was echter zo laag, dat de Nederlandse regering 200 KNIL-soldaten stuurde ter ondersteuning. Om de personele problemen het hoofd te kunnen bieden, werd in februari 1942 de dienstplicht ingevoerd. Het aantal soldaten in de Schutterij steeg tot ruim 5000 man en er was zelfs sprake van hen in te zetten in Nederlands-Indië, maar de Surinaamse Staten weigerden in te stemmen met de grondwetsherziening, die hiervoor noodzakelijk was. Behalve Creolen was het een mix van Hindoestaanse, Indonesische, Chinese en Indiaanse mannen.  De grens met Frans-Guyana werd inmiddels beveiligd door het Korps Stads- en Landwachten, een groep vrijwilligers, die ook onder de Schutterij viel. Binnen dit vrijwilligerskorps werd een afdeling voor vrouwen opgericht, het Vrouwelijk Vrijwilligers Korps. Hoewel de vrouwen ondersteunende taken uitvoerden, kregen zij ook schietles en exercitie. De Surinaamse landmacht beschikte slechts over een paar mitrailleurs en twee kanonnen.

De Amerikaanse president F.D. Roosevelt bood koningin Wilhelmina op 1 september 1941 per brief aan om drieduizend Amerikaanse militairen naar Suriname te sturen. De Nederlandse regering in ballingschap had nog bedenkingen: de vroegere Nederlandse kolonie Ceylon werd begin 18e eeuw ook tijdelijk bezet door Engeland en nooit teruggeven... Ze stelde daarom als voorwaarde dat de Amerikaanse troepen onder Nederlands opperbevel moesten komen te staan, dat het slechts voor bepaalde tijd zou zijn en dat de Nederlandse regering de verblijfskosten (èèn miljoen gulden p.j.)voor haar rekening wenste te nemen.

      

     

Mannen van de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton bereidden zich voor op hun vertrek 

In september 1941 vroeg men vanuit de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton, in Engeland, per direct vrijwilligers om naar Suriname te worden uitgezonden. Binnen 24 uur zaten ze in de Schotse haven Greenock aan boord van het artillerie instructie schip HMS Van Kinsbergen en vertrokken naar de West.

Het detachement bestond uit 175 man w.o. drie officieren, 4 onderofficieren. Ze waren voor toenmalige begrippen zwaar bewapend met o.a. tommyguns, een klein kaliber mortier, veel munitie, handgranaten en moderne geweren.

Aangezien ook in Suriname de defensie verwaarloosd was - er lag slechts een compagnie van het KNIL en een klein detachement mariniers - vond de regering in Londen het klaarblijkelijk noodzakelijk vóór de Amerikanen in Suriname zouden aankomen, het Nederlandse militaire aanzien wat op te vijzelen, hetgeen dus geschiedde door het ijlings zenden van de de twee detachementen van de Brigade. Tegenover de komst van 70 mariniers en de inzet van de Prinses Irene Brigade detachementen stonden op een gegeven moment ruim 2000 Amerikaanse manschappen.

Even de benen strekken in Barbados

De reis met de Van Kinsbergen ging vrij snel via Bermuda, Sint Maarten, Saba en Sint-Eustatius naar Paramaribo. De aankomst aan de kade in was hier overweldigend. De bevolking was uitgelopen en de militaire kapel van het KNIL garnizoen speelde een welkomstlied. Ze werden op de kade ontvangen door de garnizoenscommandant de Majoor Vink van het KNIL.

"Prinses Irene-" kazerne aan de Burenstraat

Een school in de Burenstraat in Paramaribo was hun verblijf, compleet met keuken, wasinrichtingen, toiletten en slaapbritsen met klamboes. Een huis aan de overkant van de 'kazerne' was ingericht als bureautje en magazijn.

De keuken functioneerde ook heel goed; er was een kok van het KNIL en men at er goed. De wekelijkse nasi goreng maaltijden waren favoriet. De bevolking in de omgeving van die kazerne was uitgelaten en het contact met de troep was al gauw heel innig. Het contact van de troep met de hen leidde ook tot het aanhoren van grieven en allerlei geroddel van die bevolking. Er werd natuurlijk ook over de Duitsers gesproken. Er waren in Suriname in die tijd betrekkelijk veel Duitsers. Winkeliers, personeel van Duitse handelshuizen en niet te vergeten de leden van de Hernhutter zendingsgemeente, die in vrij grote getale aanwezig waren. Dat waren zeer geliefde Duitse zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente, die vanaf de achttiende eeuw in Suriname onderwijs gaven aan de gekleurde bevolking. Ze waren vooral bij de creolen zeer geliefd.  

'In de samenleving van het Koninkrijk der Nederlanden is voor onderdanen van het Duitsche Rijk geen plaats zoolang de oorlog duurt,' zei gouverneur Kielstra op 6 juli 1940.

De Goslar (foto: www.suriname.nu)

'Er waren daar voornamelijk burgers, waaronder enkele felle Nazi's, maar ook de bemanning van het op 10 mei 1940 gezonken Duitse schip Goslar. Het wrak vormt nog steeds het 'Van Beek-eiland', genoemd naar de politiecommissaris die zo stom was de officieren toestemming te geven hun 'spullen op te gaan halen'; in plaats daarvan openden ze de kranen waardoor het schip zonk. In het kamp aan de Kopieweg zaten ook twee Weense joden, die er natuurlijk een rotleven hadden. Het heeft de joodse gemeenschap in Suriname heel wat moeite gekost die mensen vrij te krijgen.'

Een groot gedeelte van die Duitsers, 160 personen, was geïnterneerd in een kamp aan de Copieweg, zo'n 15 km buiten de stad. Die geïnterneerden kregen echter vrij gemakkelijk permissie om meestal onder geleide naar Paramaribo te komen om particuliere belangen te behartigen. Dat beviel een gedeelte van de bevolking niet en ook de Irenemannen vonden dat niet ideaal. Het praatje ging ook dat de Gouverneur nogal pro-Duits was en de Duitsers met te zachte hand behandelde. 

'We waren nog maar net in Suriname, of een Duitse duikboot werd voor de kust gesignaleerd. Kapitein Van den Hoek vertrok met een man of twintig, waaronder J. Samson, naar Pont Leiden. In de 18e eeuw was dat een belangrijke schakel in de Surinaamse kustverdediging geweest, maar nu woonden er alleen muskieten en wel in aantallen van miljarden. Er was geen huis en geen enkele vorm van beschutting en de kapitein gaf toen opdracht ons naar Fort Nieuw Amsterdam over te brengen. Daar hebben we een week, misschien wat langer, over de wel 3 km brede riviermond naar U-boten zitten uitkijken er kwam echter niets. Wat zouden we gedaan hebben als er wel een was komen opdagen? Onze bewapening bestond uit één 2" mortier en twee brenguns. Gelukkig zijn de Surinaamse rivieren vanwege de vele modderbanken. alleen maar met een loods te bevaren.'

Na een week moest het eerste soldij aan het detachement betaald worden. Dat werd geregeld door de garnizoenscommandant na ruggespraak met de Gouverneur. De beloofde soldij bleek maar de helft van waarop was gerekend. In eerste instantie was dat 50 cent per dag. Dat was volgens de gouverneur voldoende, omdat het slechts om dienstplichtigen ging. Toen er echter min of meer een opstand dreigde, verhoogde de gouverneur dat bedrag razendsnel naar Fl 1,35 + een toelage voor de wasvrouw. Dit was echter nog maar een derde van wat de Amerikanen kregen.....

Aankomst 2e detachement met de Cottica in Paramaribo

'Eind september scheepten we in op de Pasteur in Greenock, Schotland. We waren met ongeveer 90 man, onder commando van kapitein Van Stolk. Verder nog: Erwin Strauss, Eussie, Jan Telman, Jan van Polanan, Jim Gobets, Rinus Verbeek en nog een stel. waarvan ik niet zeker meer weet tot welk detachement ze hebben behoord. O ja, Edgar van Bloeme en Van Aggelen waren ook van de partij, want ik heb nog een foto van een steward die op de Lady Nelson aan hen  het bordje 'Out of bounds for all troops' wijst. De Pasteur had verder nog een man of 3000 RAF aan boord, voor training in Canada. Dat was kostbare lading en we werden dus goed bewaakt, door een groot vliegtuigmoederschip (Enterprise?) en heel wat destroyers. De Dutchies lagen op dek F, vooraan onder de waterlijn. Het konvooi voer snel, zeker 21. knopen, zodat U-boten weinig kans hadden ons te raken. Bovendien kwam de tweede dag een zware storm opzetten. Iedereen was zeeziek, behalve ik en nog een handjevol lui, zodat we in en uit de kantine liepen, wat ons voordien uren kostte.'

'Toen stapten we aan boord van de Lady Nelson, eerste stopplaats was Bermuda. Het was daar onbehoorlijk warm en wij liepen nog in battledress rond. Tropenuniformen werden niet uitgereikt. Het gevolg was dat iedereen zijn eigen manier van luchtig kleden uitvond. En dat was maar kinderspel vergeleken bij sommige tonelen die zich vervolgens aan boord afspeelden. Een van onze soldaten, een beresterke IJmuidense visser, werd vrijwel onhandelbaar als hij gedronken had. Dat deed hij nogal graag en veel en dan moest hij vechten; liefst met een sergeant van de politietroepen.'

Op 21 november 1941 arriveerde  in Paramaribo het tweede detachement van 75 man onder commando van Kapitein van Stolk. Zij waren in augustus 1941 als tweede detachement uit het opleidingscentrum Stratford (Canada) aangekomen in Wrottesley Park. In oktober kwam een oproep voor vrijwilligers voor "War-task Overseas", een groot deel van het zojuist aangekomen detachement uit Canada  meldde zich direct weer aan. Er werden ongeveer 75 man naar Halifax in Canada verscheept. Daar hoorden ze pas dat ze dat ze naar Suriname gingen. De commandant was de Canadese kapitein Van Stolk. In Halifax werden ze ingescheept op de "Lady Nelson", een klein schip, dat een "eiland-hopper" bleek te zijn.  Deze reis verliep langs interessante aanlegplaatsen: eerst Bermuda en daarna de eilanden Sint Maarten, Saba, Sint Eustatius, St.-Vincent, Barbados, Granada, Tobago, Trinidad en als laatste Georgetown in Brits Guyana. Er waren ook inboorlingen van de eilanden aan boord, maar die moesten met hun kippen en varkens en andere beesten op het achterdek kamperen De militairen hadden geriefelijke slaapgelegenheden en meer vrijheid aan boord.

 
aankomst Cottica, foto van Franck Verbeek
Aankomst van de Cottica in Paramaribo

 

 

 

 

 

 

 

In korte broek...

De "Cottica" bracht ze uiteindelijk van Georgetown naar Paramaribo aan de Surinamerivier. Hier werden ze opgewacht door de militaire kapel van het K.N.I.L.-garnizoen en door het eerste detachement onder kapitein Van den Hoek, die 30 september 1941 waren aangekomen. Gelet op de kleding zag dit tweede detachement eruit als een haveloos allegaartje: sommigen droegen een korte broek met daaronder wollen sokken en een ander liep op gymschoenen. Al gauw werden ze voorzien van de tropenpakken van het KNIL.

Ondertussen ging de Amerikaanse regering akkoord met de voorwaarden en op 24 november 1941 arriveerden de eerste duizend Amerikaanse militairen in Paramaribo. De aanwezigheid van hen bracht veel werkgelegenheid met zich mee. Ook werd de infrastructuur en de bewapening verbeterd. De Amerikanen namen tientallen tanks met zich mee en ook radarinstallaties.  Hun dollars spendeerden ze aan luxe goederen, sigaretten drank en uitgaansleven. Ze introduceerden hun 'way of life': drank (Coca-Cola en bier), nieuwe dansen, muziek, films, kleding(uniformachtig of in kostuum), schoeisel (zwart-wit) en haardracht(sluik).  

               

 

Van links naar rechts: onbekend, van Hoving, Merrienboer, Goossens, Claessens, Kas, Schepers.  Rechtse foto van links naar rechts: Boelhouwer, onbekend, v.d. Sman, onbekend, v. Hoving

op pad in de binnenlanden avn Surianame, foto van Franck Verbeek Op pad in de binnenlanden van Suriname, foto van Franck Verbeek

Op pad in de binnenlanden, november 1941

Klik hier voor meer foto's.

'En toen kwam de oproep: terug naar Paramaribo, voor opleiding tot officier. Waarom was er opeens zo'n behoefte aan officieren? De U.S.A. had zich zorgen gemaakt over de inadequate verdediging van dit strategisch belangrijke gebiedsdeel; er was denkelijk met bezetting gedreigd. Enkele dagen voor Pearl Harbor kwam een troepenmacht van een 3000 man, vnl. Puerto-Ricanen aan in Paramaribo. De Nederlandse regering in Londen kon dat niet op zich laten zitten en zond kolonel Meijer met de opdracht een Surinaams leger te mobiliseren. Daartoe moesten officieren worden opgeleid. Deze opleiding duurde drie maanden en de term '90 days wonder' was dus wel op hen van toepassing. Het was een goede training met veel oefeningen te velde. In de twee delen ATV (algemeen tactisch voorschrift) sprak men nog van: "Onder hoerageroep een heuvel bestormen met een bajonet op 't geweer." De VPPTL (politiek politionele taak leger) was nog wel actueel voor de tropen maar er stonden ook spannende verhalen uit de Atjeh-oorlog in.....
Bill de Roos, Henk Snoek, Huub Mouwen, Bernie Molenkamp, Bill Dill, Dolf Dikkers, Rueb en Visser maakte o.a. deel uit van deze opleiding. Ook Jack Jessurun, maar dat was geen Ireneman. Op 1 augustus werden ze vaandrig en Samson kreeg bijv. een peloton Hindoestaanse rekruten in opleiding. Op 1 oktober werd hij commandant van de derde compagnie van het derde bataljon aan de Gemelandseweg en bestond uit Creolen.

De rassenscheiding was niet bepaald bevorderlijk voor de Surinaamse identiteit, maar wel nodig vanwege verschillen in dieet. De hindoes aten geen rundvlees, de islamieten geen varkensvlees.'

  De Selecta in paramaribo, foto van Franck Verbeek

Appèl op de binnenplaats van de Selecta

Voor de twee Nederlandse Detachementen was als kazerne de Selecta in de Burenstraat te Paramaribo. Het was een ruime, luchtige school, ingericht met zeildoek, ledikanten en klamboes en een ladekastje. De intendance huisde in een gebouw aan de overkant. De kantine was op de bovenverdieping. Garnizoenscommandant was majoor Vink, een K.N.I.L.-beroepsofficier.

'Ook was ik nog een paar maanden commandant. van een ander - een wat dubieus - interneringskamp, dat gevestigd was op Nieuw-Amsterdam in Suriname. Wat voor soort lieden daar achter prikkeldraad  zaten, is me nooit duidelijk geworden. Boze tongen beweerden dat het een stelletje oproerkraaiers waren uit ons voormalig Nederlands-Indië  en dat zelfs een achterneef van Eduard Douwes Dekker (=Multatuli) zich onder hen bevond.'

       

                                                                                               Het Duitse interneringskamp aan de Kopieweg in Paramaribo

Angisa ter gelegenheid van de geboorte van Prinses Irene (collectie Stichting Surinaams Museum Paramaribo www.surinaamsmuseum.net ) Zeer populair bij militairen van de Brigade.

De twee detachementen werden samengevoegd en kwamen onder bevel van de garnizoenscommandant. Iedereen kreeg de beschikking over een KNIL-tropenuniform om aan te trekken wat met enig tegenstribbelen gebeurde. Men rouleerde daarna ook mee in de Surinaamse garnizoensdiensten o.a. wacht lopen bij het paleis van de Gouverneur, fort Nieuw Amsterdam en de Prinses Irene-kazerne, het Duitse interneringskamp, vliegveld in wording Zanderij, Albina aan de Marowijne rivier, waarin de jeugdige luitenant Vermaas nog verdronk. Vanaf  19 augustus 1942 kwam er vier uur varen onder Paramaribo, midden in de jungle aan de Suriname rivier dichtbij het oude Joodse Kerkhof, ook een kamp voor 146 Indische N.S.B.-ers en Nazi-sympathisanten. Ze moesten dwangarbeid verrichten in de houtploeg, de bootploeg of de visploeg en kregen geen post en ook geen voedselpakketten van het Rode Kruis. Het kamp werd 'de groene hel' genoemd. De hygiënische omstandigheden waren slecht en veel gevangenen liepen dysenterie op en malaria. Kamp "Jodensavanne" zou later bekend worden als Nederlands eerste en enige concentratiekamp. Pas op 15 juli 1946 kwamen de gevangenen weer vrij. Verscheidene oud-Irenemannen w.o. W.(Bill) de Roos, Hub Mouwen en J.Samson zijn er enkele maanden kampcommandant geweest.



J.K. Meijer

Na enige weken arriveerde vanuit Londen, de later in opspraak geraakte, kolonel (later generaal-majoor) J.K. Meijer van de KNIL. Gouverneur Kielstra verzocht hem om als territoriaal commandant van Suriname aan te treden op 1 april 1942. Hij had naam gemaakt in Wrottesley park in Wolverhampton, door in enkele maanden tijd samen met andere officieren de discipline aan te trekken bij 'Prinses Irene Brigade'. Bij zijn aanstelling kreeg hij te horen dat het met de defensie van Suriname droevig gesteld was. Hij kreeg vanuit Londen de opdracht om in Suriname uit de lokale bevolking een regiment gemotoriseerde infanterie te formeren om daarmede t.z.t. bij de bevrijding van Nederlands Oost-Indië de Amerikanen te assisteren en Nederland te vertegenwoordigen. Iedereen was enthousiast over dit voornemen, vooral toen bleek dat in de U.S.A. bestelde bewapening en voertuigen bestemd voor het Indische leger naar Suriname gezonden zouden worden.  Inderdaad arriveerden betrekkelijk vlug daarna in Suriname jeeps, vrachtauto's en Marmon-Herrington tanks. Suriname ontving o.a. 26 tweemanstanks, 28 driemanstanks en 19 viermanstanks. Onder zijn leiding kwam er ook een Surinaamse Schutterij en een korps Stads-en Landwachten, waarvan ook 160 vrouwen deel van uitmaakten. Meijer kon echter niet opschieten met de gouverneur en werd in juni 1943 vervangen door militair commandant kolonel Van Oosten.

In Suriname wordt in 1943 de Unie Suriname opgericht, met als leus ‘baas in eigen huis’. Leden van de eerste politieke partij op de Antillen gebruiken in 1944 dezelfde leus. Ze willen meer zeggenschap. Maar de gouverneurs hebben door de oorlogssituatie alle macht. De eigenmachtige Surinaamse gouverneur Kielstra moest niets weten van een behoefte aan meer politieke zelfstandigheid en gaf de nieuwe oppositie in Suriname geen kans. Door vrienden op sleutelposten te plaatsen en door spionage, chantage en terreur weet hij alles in de hand te houden. De politicus Wim Bos Verschuur protesteerde hiertegen bij Koningin Wilhelmina. Kielstra liet hem meteen arresteren, tot woede van veel Surinamers. De politieke rel werd gesust met de vervanging van de uit de gunst geraakte gouverneur Kielstra door de minder autoritaire gouverneur J.C. Brons eind 1943.zware miltrailleurwagen okt 1941, foto van Franck Verbeek

Zware mitrailleurwagen, oktober 1941
                       (foto: Verbeek, Den Haag)
            

De aanwezige K.N.I.L.-troepen en Surinaamse dienstplichtigen en vrijwilligers waren niet in staat om al de tanks te bemannen. Besloten werd om het detachement van de sinds juli 1940 aanwezig 50 Mariniers als kern te gebruiken voor het op te richten "Bataljon Gevechtswagens". Daar deze 50 mariniers en een handjevol K.N.I.L-militairen niet voldoende waren, werd een beroep gedaan op de Prinses Irene Brigade om aanvulling te leveren.

Als kampement diende de oude sociëteit Halakibee aan de Surinaamse rivier in Paramaribo.  De sociëteit werd hiervoor uitgebreid met enkele loodsen en zogenaamde quonset-hutten.  Hier werd onder leiding van sergeant-majoor van Tooren van het K.N.l.L. ook gezorgd voor het onderhoud. Als oefenterrein  kreeg men een gebied bij vliegveld Zanderij aangeboden. Niet alle tanks waren in gebruik, maar waren om beurten opgeslagen.

Over de tanks valt het volgende te zeggen; de lichte tweemanstank was een licht en snel voertuig, zeer betrouwbaar. Het was alleen te licht bewapend (2 x 7.62 mm mitrailleur) en de toren was slechts gedeeltelijk draaibaar (240°). De driemanstank had een volautomatisch 37 mm kanon, gevoed door een "clip" met vijf granaten. De motor was echter te zwak. De sterke en imposante viermanstank had zelfs een dubbel 37 mm kanon, ook volautomatisch, een 12.7 mm mitrailleur in de rechterzijde van de toren en twee 7.62 mm mitrailleurs achter op de toren tegen vliegtuigen. Door zijn zware gewicht echter, moest deze tank tot ergens eind 1943 of 1944 opgeslagen worden. Pas na verzwaring van de bruggen (deze konden de zware viermanstank niet dragen) werd dit voertuig operationeel, de Brigadisten hebben dit voertuig waarschijnlijk nooit in actie gezien.

(o.a. informatie over Marmon Herrington-tanks van H. Heesakkers uit Oisterwijk; foto: T.L. van Rijswijk)

Tot het vertrek van de Mariniers in oktober 1943 stond het geheel onder commando van luitenant der Mariniers H.P. Arends, opgevolgd door 1ste luitenant der Huzaren Frans Kouwenhoven, hierna onder leiding van D.B.W. van Ardenne en W.K. Bredrode, beiden luitenant van het K.N.l.L.

Na 1943 kwamen er radio's en was er meer munitie beschikbaar. Desondanks is er waarschijnlijk nooit met het 37 mm kanon geschoten. Door het vertrek van de Mariniers en later ook de van de Brigademannen, ontstonden er personeelsproblemen. In 1944 waren er echter voldoende Surinaamse dienstplichtigen aanwezig om zelfs de viermanstank in dienst te nemen.

'Luitenant Han van Oort was de commandant in Moengo, een van de fijnste officieren die ik heb leren kennen. Hij was er op uit zijn mensen zelfstandig te maken en dat deed hij bijv. door ons mee het bos in te nemen met alleen een veldfles en een etensblikje. We leerden droog hout in een nat bos vinden en wat er allemaal voor eetbaars was. Ook controleerden en zo nodig verbeterden we kaarten van dit gebied. Zo mocht ik met vier man, de Njoe Boeroekreek -in kaart brengen door hem met een korjaal (Bosnegerkano)af te varen. Bij elke bocht werd de kompasrichting afgelezen en de afstand geschat. Bij het tekenen bleek dat alleen de uitmonding in de Cottica goed op de kaart stond, de kreek boog echter de andere kant op dan de kaart aangaf. Het dorpje Njoe Boeroekondre lag dus niet waar de kaart aanwees.'

'De Amerikanen hadden zich intussen op Zanderij gevestigd. Tot die tijd was dit vliegveld alleen per trein bereikbaar, maar nu werd een weg aangelegd die in de V.S. is beschreven als 'the most expensive in the world; built on bauxite and mahogany wood.' Het werd al gauw een drukke pleisterplaats voor verkeer naar Afrika, zoals voor de invasie van Marokko. Ook op Moengo en Paranam lagen v.s.-troepen. Zorg en Hoop, toen nog een verlaten plantage, werd een Blimp-basis. Met deze kleine Zeppelins werd langs de kust gepatrouilleerd.
Inmiddels arriveerde er ook verschillende KMA-oficieren en cadetten in Suriname. Kees de Gooyer werd bijv. commandant 1e compagnie en verdiepte zich in de taal en gebruiken en zelfs de godsdienst van zijn Hindoestaanse soldaten.'

De uitgezonden Brigademannen moesten in Suriname samen met KNIL-militairen dienst doen. De opdracht luidde het gebied te beveiligen tegen mogelijke aanvallen vanuit Frans-Gyana (een kolonie van het pro-Duitse Vichy-Frankrijk)of Brazilië, waar veel Duitsers woonden. Zelfs een Duitse invasie vanuit zee, met behulp van duikboten, werd niet uitgesloten. De enorme bauxietvoorraden waarover Suriname beschikte, werden vanaf 1939 van groot belang. Bauxiet is de grondstof voor aluminium en deVerenigde Staten en Engeland waren voor hun vliegtuigproductie grotendeels op de Nederlandse kolonie aangewezen. Tussen 1940 en 1943 leverde Suriname 65 procent van de Amerikaanse behoefte aan bauxiet. De bauxietmijnen- en fabrieken in Moengo, Paranam en Overwacht waren dus van groot economisch/strategisch belang en dienden goed bewaakt te worden. Het was de bedoeling om lokale Burgerwachten ('Schutters')o.a. daarvoor op te leiden. De Amerikanen voerden het bevel bij de bewaking over genoemde bauxietmijnen en en het nationale vliegveld Zanderij. De Nederlandse bevelhebber legde zich meer toe op de bewaking van de kust, landsgrenzen en rivieren.                                

Moengo Bauxietmijn

 

 

 

 

 

Vrachtschepen voeren de grote rivieren op, maar op het eind, bij Moengo, waar de Alcoa mijn was, werd de Cottica rivier zo smal, dat de schepen de laatste mijl achteruit moesten varen, om er zwaar beladen weer uit te kunnen komen. Dit gaf natuurlijk grote mogelijkheden voor sabotage.

Bewaking van de scheepvaart aan boord van een Fins vrachtschip. v.l.n.r.: Dikkers, Starink, Beekman, Van der Eijken, Oosterhuis met geweer, Buijtelaar en Vermeulen

 

 

 

 

 

 

Patrouille (let op wasvrouw rechts)

Het was hun taak dit te voorkomen. Daartoe werd meegegaan op de bauxietboten die van en naar Moengo gingen. Zo'n tocht duurde ongeveer 12 uur. Ook werd de groep gedurende lange tijd gelegerd in Moengo en Albina  aan de Franse grens. In Moengo hielden ze de aan de gang tijdens een staking. In januari 1942 werd een staking in de Alcoa-bauxietmijn Moengo gebroken, door ontevreden arbeiders te arresteren en te ontslaan. Amerikaanse soldaten en Nederlandse militairen van de Prinses Irene Brigade namen hun plaatsen tijdelijk in. In Albina bewaakten ze de rivier.

 

‘Om sabotage tegen te gaan gingen we als bewaking mee op de bauxietboten die van en naar de bauxietmijn Moengo gingen.. Als één boot zou zinken, zou de rivier verder onbruikbaar zijn.'

Oversteek Commarijnerivier OKT 1941, foto van Franck Verbeek

 

 

 

 

 

 

 

 

Oversteek van de Commarijnerivier, oktober 1941

Door tochten naar het binnenland, zagen ze de dorpen van de indianen en van bosnegers, de oorspronkelijk ontvluchte slaven. De winkels waren in handen van de Chinezen. In Albina, aan de grens van Frans-Guyana, was een Javaanse nederzetting. Vroegere koelies uit India kwam je overal tegen. Al deze gemengde rassen van de bevolking maakte Suriname voor hen een interessant land. De tropische natuur verschafte het bovendien een ongekende schoonheid.

Er moesten wachten uitgezet worden voor het Gouverneurs Paleis, de kazernes (de Prinses Irene en Fort Nieuw Amsterdam), het vliegveld Zanderij en de interneringskampen aan de Kwattaweg, waar de Duitse bewoners van Suriname waren geïnterneerd en bij de Jodensavanne.

Beëdiging van de officieren bij het KNIL-vaandel

In het begin waren de meeste diensten een saaie bedoening. Kolonel Meijer, die van de regering de opdracht had gekregen om uit de Surinaamse bevolking een paraat regiment gemotoriseerde infanterie te organiseren, bracht daarin echter snel verandering. In zeer korte tijd werd er een officiersopleiding vier compagnieën in het geweer geroepen. Na een opleiding van vijf maanden werden 12 man van het "Irene-detachement", waaronder:Dill, Kleyn Molekamp, Dikkers, De Roos, tot reserve-2de luitenant bevorderd. De beëdiging vond plaats op 1 januari 1943, op een vaandel van het K.N.l.L, wat uniek was in de geschiedenis van de Landmacht.

 

Speciaal in het tweede detachement waren een betrekkelijk groot aantal dienstplichtigen, welke in Canada gerekruteerd waren en waarmee al direct een autowerkplaats geformeerd werd en die dan ook direct begon met het rijklaar maken van de nieuw aangekomen voertuigen.

Drie officieren werden gedetacheerd in de U.S.A. bij het Desert Training Center in California, waar gemotoriseerde infanterie en tankdivisies klaar gestoomd werden voor de strijd in de Noord Afrikaanse woestijnen.  Die oefeningen waren voor hen een openbaring, hoewel ze toch in Engeland reeds het een en ander had gezien op cursussen en oefeningen. Het was compleet oorlog, dag en nacht; behalve dat er niet met scherp geschoten werd.
Eén oefening begon in Zuid-Arizona en bestond uit een mars per truck in carrés van 90 voertuigen op kompas richting in rechte lijn gedurende zeven dagen en nachten door de woestijnen naar Noord-Arizona. Iedereen had stofmaskers op, maar desondanks kreeg een van de officieren  het zgn. desert fever of wel San Joaquin Valley fever (een schimmel infectie in de longen) en dat was voor hem het einde van de actieve dienst.

Het was een hele taak om de Surinaams jonge mannen een goede opleiding te geven. Toen bij een gelegenheid de compagnie moest worden ingeënt, moest de commandant, met de dokter op een tafel, zichtbaar voor de aangetreden compagnie, het voorbeeld geven, zonder daarbij een spier te vertrekken. Pas daarna liet iedereen zich gewillig inenten...

Modern materiaal stroomde binnen en in het voorjaar van 1944 waren ze paraat en goed geïnstrueerd. Intussen arriveerde enige vaandrigs uit de Bredase K.N.I.L.-opleiding in Engeland en werden doorgezonden om het commando van de compagnieën over te nemen. Eind 1943 keerde 200 van de 250 man hierdoor weer terug naar Engeland. Men had deze militairen nodig voor de op handen zijnde invasie in West-Europa. Voor de meerderheid was dit, na twee jaar en twee maanden, erg welkom.

37 mm kanon van Amerikaanse makelij te Fort Zeelandia 
Foto: A.F. Nuyt

'Kun je het voorstellen: aankomen in New York in tropenkleding, terwijl er een sneeuwstorm was? We werden drie weken ondergebracht in hotel Time Square. Een verlofvergoeding voor ruim twee jaar tropen......'

De M.S. Crijnssen van de K.N.S.M. bracht hen via Curaçao naar New Orleans. Daarna per trein naar New York, waar ze 14 dagen wachtten om  in december 1943 met de Queen Elisabeth naar Engeland terug te varen.

Soldaat Steijger ("Mickey, vanwege gelijkenis met filmacteur Mickey Rooney), Koos Groenenberg en André in New York.

' Met de M.S. Crijnssen van de K.N.S.M. voeren we via Curaçao naar New Orleans, waar we weer in battledress gestoken werden. De treinreis naar New York duurde tweeënhalve dag. Daarna was het wachten op een troepentransportschip geblazen. Dat nam weer een maand in beslag en in die tijd heb ik meer jazz gehoord dan ooit tevoren: Billy Holliday, Dizzie Gillespie, Roy Eldridge, Teddy Wilson, Mary-Lou Williams en een heleboel anderen. Tenslotte scheepten we in op de Queen Mary met 16000 man. Het schip was  verdeeld in drie areas waartussen waterdichte schotten; elk onder commando van tenminste een kolonel. Er was eenrichtingsverkeer in alle gangen en er werden maar twee maaltijden per dag geserveerd. We voeren zonder escorte op hoge snelheid al zigzaggend naar Greenock in Schotland.
In Wolverhampton waren niet veel oude bekenden overgebleven. Ik kwam bij de zware wapens van Kapt. Looringh van Beeck's ondersteunings cie terecht.'