Het vaandel

 

Het vaandel is het symbool van het regiment en zijn geschiedenis. Het vaandel wordt daarom met respect behandeld en behoort het door zowel militairen als burgers eerbiedig te worden begroet.

"Er zijn veel burgers, wie het ontgaat, welke betekenis een Vaandel voor de militair heeft. Dat blijkt vaak genoeg bij parades en militaire schouwspelen, wanneer men ziet, dat zeer intellectuele burgers heel weinig aandacht schenken aan een Vaandel, wanneer het voorbij gedragen wordt, en door hun onwetendheid onbeleefd zijn. Maakt een militair hen attent op hun houding, dan blijkt de onbeleefdheid voort te spruiten uit onwetendheid, niet uit onwil en dat er geen sprake is van opzettelijkheid. Het woord Vaandel dateert in onze taal uit de 16e eeuw en hangt samen met het woord „Vaan", in onze Middeleeuwen ,,Vane". Dit gaat terug op een Indo-germaansch*)woord „fana", dat „doek", „stuk goed" betekende. Bij alle volkeren was de vaan een stuk goed, een grote lap, waarop door kleuren of afbeeldingen een onderscheiding was aangebracht, waaraan de troepenonderdelen hun verzamelplaats in vredestijd konden herkennen. In tijd van oorlog wees het de plaats, waar men zich voor den strijd verzamelde, want de vaan was gehecht aan een grote stok, een staak, de staak stak dus hoog boven de troep uit en was van verre reeds zichtbaar. Het vaandel was dus het teken van de sociale eenheid, die steeds bij het vaandel zich verzamelde, met elkaar leefde, met elkaar onder dat teken ten strijde trok. Later gaf de wijding door de priesters aan het vaandel een zekere hogere betekenis. In de Middeleeuwen, toen de grootgrondbezitters uit arme vrijen en anderen kleine legertjes vormden om in hun gebied de orde te handhaven, verzamelden de „vassi" of vazallen, zich onder een vaandel, dat door hun heer was geschonken. Doordat het vaandel steeds meegevoerd werd, vertegenwoordigde het een deel van de geschiedenis van het troependeel, zodra het krijgswezen meer geordend was geworden en de verschillendestaten en vorsten er staande legers op na gingen houden. Had een troepenonderdeel zich in het gevecht onderscheiden, dan wist de bevelhebber of de vorst niet beter te doen, dan een onderscheidingsteken te hechten aan het vaandel. Zo ontstond er een erecode ten opzichte van het vaandel, een code, die in bijna alle legers wordt gevolgd. De troep ontvangt het vaandel met muziek en met gepresenteerd geweer, officieren en manschappen groeten het en maken er front voor; het vaandel wordt door een erewacht bewaakt. De nieuw benoemde officieren zweren op het Vaandel hun Eed van Trouw aan de Koningin. Het vaandel wordt voor parades en grote troepenconcentraties afgehaald door een speciale vaandelcompagnie en steeds is het een grote eer geweest het vaandel te mogen dragen, want van de Vaandeldrager werd verwacht, dat hij tot zijn laatste ademtocht het vaandel zou verdedigen. Viel het vaandel in handen van de vijand dan was hij zijn richtpunt en daarmee ook zijn moreel kwijt. Vaak was de strijd dan voorbij en capituleerde hij, samen met zijn onderdeel. De Vaandeldrager werd steeds gekozen uit de oudste onderofficieren. " (Overgenomen uit ,,Geeft Acht.")
*) Het Indo-germaansch is een grote taalfamilie vóór onze geschiedenis, die zich uitstrekte van de Himalaya tot aan de Pyreneeën.
 

Als het vaandel niet in gebruik is, bevindt het zich in de vaandelkast op het bureau van de regimentscommandant. Bij parades en ceremonies waarbij het vaandel aanwezig is, wordt het 'bewaakt' door de vaandelwacht. Deze wordt geformeerd uit een door de regimentscommandant aan te wijzen compagnie van het Regiment. De commandant van deze vaandelwacht is de rang oudste eerste-luitenant van het bataljon. De vaandeldrager is te allen tijde de regimentsadjudant. De sergeant is afkomstig uit de compagnie die de vaandelwacht levert.

Het door koningin Wilhelmina uitgereikte vaandel was, door gebrek aan een goed voorbeeld, uit het geheugen vervaardigd en is daardoor afwijkend v.w.b. afmeting, versiering en kleur, dan de reguliere Nederlandse modelvaandels.

Onderstaande tekst is van de hand van Hans Sonnemans en geeft een goed beeld van het wel en wee van het vaandel:

EEN VAANDEL VERDWIJNT...

  Moet het vaandel mee naar "de overkant" ? Een vraag die speelde in juli 1944, voordat de Brigade zou vertrekken naar Normandië.

"Nee", besliste de Brigade-commandant luitenant-kolonel A.C. de Ruyter van Steveninck. Hij was bang voor beschadiging of verlies van het voor de Irene Brigade zo belangrijke symbool.

Niet iedereen was het met deze zienswijze eens. Het strookte tegen alle militaire gevoel van majoor "oom Paul" F. Looringh van Beeck, commandant van de Aanvullingstroepen. "Een troep kan niet zonder zijn vaandel ten strijde trekken" zo luidde zijn opvatting hierover.

 De Brigade vertrok begin augustus naar Frankrijk, zonder vaandel.

Al snel na de eerste gevechten, ontstond een tekort aan nieuwe mensen om de geleden verliezen aan te vullen. Majoor Looringh van Beeck vloog met het vliegtuig van Prins Bernhard terug naar Engeland. Daar kamde hij alle kantoren en zelfs de gevangenis in Dundee uit. Hij wist 55 mensen bijeen te brengen. Bovendien bleek deze gelegenheid zeer geschikt voor de uitvoer van een ander plan.

Hij noteerde in zijn dagboek: "Sept. 2. Terug te Wrottesleypark. Laatste inspectie van het 2e contingent (55 alle rangen te zamen) Blufte Hendricksx (de kampcommandant red.) en pakte 't Brigadevaandel in, om mee te nemen. Ben niet van plan mij aan zijn gekier te storen en de Ruijter van Steveninck zal hier niets van horen, voordat wij terug in Holland zijn."

 Zo kon het dus gebeuren dat het vaandel van de Koninklijke Nederlandse Brigade "Prinses Irene" op 5 september 1944 om 18.00 te Arromanche les Bains aan land werd gebracht en wel illegaal...

 De eerste Nederlandse "burger" die het vaandel te zien kreeg, was ongetwijfeld de Rotterdammer Ben Wijs. Hij was toen 18 jaar en werkte als matroos bij zijn vader op de Rijnaak Irwin, eigendom van de Ned. Rijnvaart Vereniging, die toen, geladen met kolen, in Brussel lag.

Hij vertelde zijn ervaringen in een interview met Rotterdam Centraal van 11 september 1984:

 "Op 10 september (1944) zag mijn vader plotseling drie wagens stoppen. Hij reageerde verbaasd. "Hé, verrek, kijk nou eens, een Nederlands vlaggetje !" En ineens hoorden we mensen praten, in onvervalst plat Nederlands. En iemand die vroeg: "Kunnen we vannacht in het ruim slapen ?"

Ze waren op weg naar het front, vertelde die man ons. We hebben toen alle slaapplaatsen - ook die van het schip naast ons - afgestaan aan die circa dertig militairen. Toen bleek ook dat het ging om de Koninklijke Nederlandse Brigade "Prinses Irene" en dat de man die gevraagd had of ze in het ruim mochten slapen, niemand minder was dan majoor Looringh van Beeck.

 Ik was ontroerd bij het zien van het vaandel met de grote gouden knop. Voor mij is het nog steeds iets bijzonders, die wetenschap dat dit vaandel in onze woning heeft gestaan."

 In het dagboek van majoor Looringh van Beeck staat de volgende notitie:

"Sept. 9. Van La Houssaije via Bapause en Arras naar Brussel. Overschreden de Fr.-Belg. grens om 14.00 uur. Verbleven met het contingent aan boord van het Hollandse schip Irwin (G. Wijs Rotterdam), dat in de haven van Brussel lag."

 Officieel kwam het vaandel die dag op Hollandse grond ! Wat gebeurde daarna met het zo belangrijke doek ? We moeten aannemen dat het al die ingepakt bleef bij de persoonlijke bagage van de ondernemende majoor.

 In het dagboek:

"Mei 6. Vertrok naar de Brigade in Wageningen, doch vernam, dat mijn Compagnie niet zou deelnemen aan de overwinningsmars naar Den Haag. Een gemene en onverdiende streek. Woonde de Blaskowitz-show in "De Wereld" bij. Gaf het vaandel over aan De Ruijter van Steveninck."

Heeft het eerste misschien met het tweede te maken. Ofwel: kwam de weigering om deel te nemen aan het binnentrekken van Den Haag na het overhandigen van het vaandel. We kunnen er nu misschien alleen nog maar naar raden.
 
 

(c) 1998 Museum Brigade en Garde Prinses Irene, Oirschot. Alle rechten voorbehouden. Reproduceren van getoond materiaal is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van het museum. Voor informatie: Hans Sonnemans 040 266 5665/5666 of 0499 370206,