MAIDENHEAD - Stubbing's House

Eind 1941 werd een zestig man sterk korps Marechaussees belast met de bewaking van H.M. Koningin Wilhelmina in haar landhuis Stubbings House bij Maidenhead, 75 km buiten Londen. Men verrichtte de bewakingsdiensten in drie ploegen van twintig man. Daarbij werd ook kampwacht gedaan, ter bewaking van vitale goederen, die waren opgeslagen bij het tehuis waarin de manschappen waren ondergebracht. Zoals een voorraad in Engeland geslagen zilvergeld, die na de bevrijding in circulatie werd gebracht.

     
Stubbings House                                                                                                                                                   Engelandvaarders in Maidenhead

Koningin Wilhelmina ontving iedere nieuw aangekomen Engelandvaarder in Stubbings House Zij vernam met grote belangstelling van hen de laatste berichten uit bezet Nederland. Eén van die Engelandvaarders, die via Frankrijk, Zwitserland of Portugal naar Engeland of op een andere manier uit het door de Duitsers bezette Nederland wisten te ontvluchten, was Eric Hazelhoff Roelfzema, bekend van zijn boek 'Soldaat van Oranje, waarvan ook een film en een musical is gemaakt. Een andere Engelandvaarder was Gerard Dogger. Ook hij heeft hierover een boek geschreven: 'De Vierkante Maan'.

Uit: EENVOUD TROEF door René Kok

"Toen Londen vanaf begin september 1940 dag en nacht door de Luftwaffe werd gebombardeerd, verhuisden Wilhelmina en prins Bernhard naar het landhuis Stubbings House bij Maidenhead, zeventig kilometer ten westen van Londen. Het werkvertrek op Eaton Square werd op 1941 ingeruild voor een kleiner huis op Chester Square nr. 77. Ook prins Bernhard had, naast zijn officiële bureau dicht bij Park Lane, een werkkamer op ‘seventy-seven’ zoals het pand doorgaans werd genoemd.
In Londen werd de koningin vierentwintig uur per etmaal bewaakt door Nederlandse
marechaussees. Zij had een kleine staf, bestaande uit een rechercheur van Scotland Yard, haar adviseur en secretaris François van ’t Sant en één hofdame, de Belgische mevrouw L. Verbrugge.
Ook op Stubbings House was het eenvoud troef. Wilhelmina ging meestal eenvoudig gekleed, met een hoofddoek om het grijze haar. Ze weigerde consequent op welke wijze dan ook gebruik te maken van haar vooraanstaande positie. Ze had bijvoorbeeld gemakkelijk wat extra textielpunten of rantsoenen kunnen krijgen. Maar ze wilde dezelfde lasten dragen als de veertig miljoen Engelsen."

 
LONDEN
- 77 Chester Square

Op Chester Square 77 in Londen was het secretariaat van koningin Wilhelmina gevestigd. Ook Prins Bernhard had hier een kamer als hij in Londen was.
Als Wilhelmina twee dagen achtereen in de Engelse hoofdstad moest zijn, bleef ze wel eens een nacht op Chester Square om zich de reis van en naar Maidenhead te besparen. Op haar secretariaat stonden haar, vlak boven haar werkkamer, ook een zitkamer, een slaapvertrek en een badkamer ter beschikking. Deze overnachtingen baarden haar staf en prins Bernhard veel zorgen, met name in het eerste oorlogsjaar toen Londen nog met grote regelmaat doelwit was van de Luftwaffe. Het personeel kreeg dan ook opdracht de koningin de situatie tijdens luchtaanvallen zo zwart mogelijk af te schilderen, in de hoop dat dit haar ervan weerhouden zou in de hoofdstad te overnachten. Tevergeefs. Zelfs het feit dat nr. 77 op 11 mei 1941 werd beschadigd bij het zwaarste nachtbombardement dat Londen tijdens de oorlog te verwerken kreeg, maakte weinig indruk op haar.

 
Koningin Wilhelmina                                                  Links: hofdame mevr. Verbrugge, rechts: 'Opper' De Putter 
Rechtse foto komt uit de documentaire "Eenzaam maar niet alleen". Beelden hieruit kunt u o.a. hier zien.

De secretaresse van koningin Wilhelmina, mevrouw Brave-Maks, die vóór de oorlog met een Engelsman was getrouwd en al lang in Londen woonde, heeft over deze tijd een boek geschreven: De Koningin in Londen.
Hieronder volgen enkele passages uit dit boek betreffende het Marechausseepersoneel belast met de bewaking van Koningin Wilhelmina in Londen.

DE KONINGIN IN LONDEN - door M.H. Brave-Maks

De vijf jaar die koningin Wilhelmina tijdens de oorlog noodgedwongen in Londense ballingschap doorbracht, zijn als de meest opzienbare jaren uit het veelbewogen leven van deze vorstin te beschouwen. Mevrouw Brave-Maks was destijds werkzaam op het secretariaat van de Koningin en werd later secretaresse van ZKH Prins Bernhard. In haar boek 'De Koningin in Londen' roept zij uit persoonlijke ervaring een boeiend beeld op van het verblijf van koningin Wilhelmina in Engeland.

Enkele passages uit dit boek:

blz. 24

"Van de koningin hoorde ik meer dan ik zag: allen die op no. 77 werkzaam waren werden telkens gewaarschuwd hoe laat zij werd verwacht; wij zorgden er dan voor zo min mogelijk op de gang of de trap te lopen. Wel hoorde ik haar vaak met haar heldere stem een woord wisselen met de dienstdoende marechaussee. Vanzelfsprekend is een ieder die onder normale omstandigheden nooit in nauw contact met de koningin zou zijn gekomen, zeer nieuwsgierig ‘hoe zij was’, vooral als mens, want men leert iemand toch het beste kennen door zijn reacties op buitengewone omstandigheden."

blz. 25/26

"Eén der marechausees had haar eens verteld dat hij via het Rode Kruis bericht had gekregen, dat zijn zuster ziek was. Máánden later informeerde de koningin hoe het nu toch met zijn zuster ging! Kreeg zij echter het vermoeden dat een bezoeker persoonlijke grieven teveel aandikte, of teveel voor zijn eigen belangen opkwam, dan maakte zij zeer korte metten met die bezoeker. En daarin was zij zo doorkneed, dat menigeen niet eens gemerkt heeft dat hij in z’n hemd en buiten de deur werd gezet. Hoe dit precies in zijn werk ging is moeilijk onder woorden te brengen. Zij die erbij zijn geweest kunnen het niet, maar het is allen die wel eens zo’n staaltje van diplomatie hebben mogen aanschouwen, bijgebleven.

De koningin had de wens te kennen gegeven om, wanneer zij weer een redevoering zou houden, de opstelling op schrift zelf met de typiste te bespreken. Het ogenblik, waarop ik officieel aan haar zou worden voorgesteld, brak dus aan. Op mijn vraag hoe ik mij daarbij moest gedragen werd geantwoord, dat daar toch wel een reverence bij te pas kwam. De opperwachtmeester der marechaussee, die al enkele malen had gezien hoe dit toeging, en Miss Melville, de Engelse dame die de administratie bijhield en deze acrobatische toer zelf al eens had mogen uitvoeren, boden aan mij te instrueren.

De werkkamer was van de kinderslaapkamer gescheiden door een dubbele houten deur, die naar beide zijden samenklapte en uiteenweek als er in het midden tegen werd geduwd. Werkte het mechanisme goed, dan sloot hij zich ook weer automatisch. Om ruimte te hebben voor het maken van de reverence ging ik voor deze deur staan. De ‘opper’ - wiens dikke buikje nog niet zichtbaar onder de rantsoenering geleden had - en Miss Melville stelden zich voor mij op en deden een keurige reverence voor. Lachend - want een dikke opper (met tressen en laarzen) in een reverence is om te lachen - deed ik het na. Ik had echter het eerst gelachen en dus niet het best, verloor mijn evenwicht, tuimelde achterover en verdween door de klapdeur die zich onmiddellijk sloot en mij aan het oog onttrok voor mijn verbaasde publiek.

De bewuste 'Opper' De Putter

Pas veel later hoorde ik, dat koningin Wilhelmina helemaal geen prijs stelde op reverences! (Koningin Juliana zou zich er later zelfs openlijk tégen verklaren). Maar dat wist ik toen nog niet, en daar mij tevens de woorden van mijn vader in herinnering waren gekomen: “Als jij nog ‘ns in goeie kringen komt, houd ik mijn hart vast en je schopt natuurlijk alle kleedjes scheef en je slaat de vazen van de tafeltjes”, was ik niet zo heel zeker van mezelf."

 

 

 

 

 

 

© Alle informatie is van Dap de Putter