Verslag Siem Jol - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Verslag Siem Jol

Mei-juni 1940
 
Herinnering aan de  tocht van Marechausseepersoneel naar Engeland via België en Frankrijk in  mei-juni 1940 na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Geschreven door dhr.  S.A.N. Jol in 1973
©  S.A.M. Jol
Het  zag er in het algemeen niet zo mooi uit in die maatschappij van net voor de  oorlog. Er was een enorme werkloosheid  in Amerika en in vele landen van Europa alsmede in andere werelddelen.  Ondertussen was bij onze  oosterburen via een lange aanloop en beslist niet onopgemerkt een zekere Hitler  aan de macht gekomen. Deze fanaticus en zijn volgelingen zouden ons nog  bijzonder veel last bezorgen, maar dat wisten de meesten van ons niet of als zij  het al sterk vermoedden, wilden of konden of mochten zij zich daar veelal niet  tegen keren om redenen van lands-of eigen belang.
Langzamerhand echter werd men er zich van bewust dat deze Hitler met zijn Derde  Rijk, oftewel Duitsland, een werkelijke bedreiging van de vrede betekende. Ik wil  trachten een aantal herinneringen aan die tijd en de in mei 1940 voor Nederland  begonnen oorlog op papier te zetten. In te gaan op de politieke aspecten van de  jaren dertig past niet in mijn opzet. Degene die dit leest zal, zo hoop ik, zich  ervan bewust zijn dat wat nu geschreven wordt zich voordeed tegen een  maatschappelijk geheel andere achtergrond dan die van thans. Mijn mededelingen  betreffende de tijd tot aan 1940 zal ik zo kort mogelijk houden.

Links  S. Jol tijdens een cursus in Apeldoorn in 1937
Oktober 1933 trad ik vrijwillig in dienst bij het Wapen der Koninklijke  Marechaussee, na in 1932 mijn dienstplicht te hebben vervuld bij het Wapen der  Infanterie in het garnizoen Bergen op Zoom. Na mijn opleiding als marechaussee  werd ik geplaatst op de brigade Heusden in Noord-Brabant. Na ook nog op de  brigade 's-Hertogenbosch te hebben gediend volgde ik vanaf september 1937 de  opleiding voor wachtmeester bij wat ik maar zal noemen het Wapen mijner keuze.  Het verkrijgen van bestaanszekerheid speelde wel een zeer grote rol bij het  maken van de keuze in die jaren. Ik geloof niet zo erg in degenen die later  zeiden zich toen geroepen te hebben gevoeld.
Februari 1938 (de opleiding was iets ingekort) verkreeg ik de geschiktheid voor  wachtmeester. Dat die geschiktheid slechts theoretisch was, bleek uit het  dankbaar in ontvangst genomen "getuigschrift". Uiterlijk was die geschiktheid te  zien aan de zgn. "knoop" op de staande blauwe kraag van het uniform. Precies twee  jaar bleef men daar mee lopen en werd dan titulair wachtmeester. In mijn geval  met de toevoeging "te voet", dit in tegenstelling met hen die hoog te paard  zaten en ook hoger, zij het weinig meer voor het extra werk, werden betaald.
Zo  was ik dus in februari 1940 wachtmeestertitulair en werd daardoor hulpofficier  van justitie. Tevens was ik kort tevoren eveneens beëdigd als buitengewoon  commies der Invoerrechten en Accijnzen. Deze beide beëdigingen zijn mij  bijzonder bijgebleven. Zij vonden plaats in de ceremoniële tenue, waarbij  tijdens de plechtigheid de kolbak door de linkerarm werd omvat. Aan de  linkerhand een witte  zeemlederen handschoen. In die hand werd de  rechterhandschoen gehouden tijdens het afleggen van de eed. Mijn beëdiging tot  buitengewoon commies vond plaats tegelijk met  die van een jonge wachtmeester-titulair van mijn brigade. Zelf was ik "knopeling" en we gingen in  onze spaarzame vrije tijd wel eens  samen een biertje drinken. Daar stonden we  dan voor de Inspecteur van l & A die ons de eed  afnam. Ik stond, wat militair  ook al niet juist was, rechts van de wachtmeester en toen de Inspecteur had  gezegd: "Zeg mij na  onder het opsteken van de twee voorste vingers van de  rechterhand", voegde ik de daad bij het woord dat hij sprak. Edoch,  daar trof  mij de bestraffende blik van zijn weledelgestrenge en  deze sprak gedecideerd:  "Eerst de wachtmeester". En zo geschiedde. Onnodig te zeggen dat 's middags aan  tafel ik over  mijn gebrek aan plaatsbesef quasi de nodige bestraffende   opmerkingen moest aanhoren.
Wat  ik echter enkele weken later als pijnlijk ervoer bij mijn eedsaflegging als  h.o.v.j. was mijns inziens een gevolg van hetgeen er in die maanden zo kort voor  het uitbreken van de oorlog in sommige mensen leefde. Zulk een beëdiging vindt  plaats voor de civiele rechtbank. De president van dat college was naar zijn  uiterlijk te oordelen Israëliet, hetgeen mij nadien door mijn brigadecommandant  werd bevestigd. Toen de edelachtbare zich in zijn zetel neder liet, zag ik in  hem een vriendelijk persoon. Na korte kennisname van mijn persoonsgegevens en de  vraag of ik die persoon was, veranderde echter zijn gehele houding en zag hij  mij bepaald onvriendelijk aan. In die sfeer legde ik mijn eed af. Zelf heb ik  het er altijd op gehouden dat hij had gelezen dat ik in Duitsland was geboren en  dacht "zit het wel goed met deze functionaris?". Immers ook hem zal toen wel  bekend zijn geweest dat er in ons Wapen personen waren die, voorzichtig gezegd  helaas een sterke voorkeur voor het Duitsland van Hitler hadden, het land waar  Joden werden gediscrimineerd op mensonterende wijze. Mijn oer-Hollandse naam  bracht mij toen kennelijk niet het voordeel van de twijfel.
Intussen waren wij in augustus 1939 gemobiliseerd en was na enkele dagen respijt  nog, de oorlog in Europa begonnen, zij het dat wij neutraal bleven en ons  daarvoor zeer inspanden. Onze koopvaardij had evenwel reeds enkele zeer  gevoelige verliezen geleden in de oorlog ter zee, dit in weerwil van het feit  dat wij neutraal waren. Het kostte ons reeds vele tientallen mensenlevens. Ik  vertel dit mede daarom omdat mijn vader zeeman was en zijn schip dikwijls  wateren bevoer waarvan  gedeelten door de oorlogvoerende partijen met zeemijnen  konden zijn belegd. Zo bestond er reeds aanstonds echte oorlogszorg bij mijn  familie. Zelf was ik reeds een aantal jaren verloofd en zouden wij, zo  althans  waren de vooruitzichten en plannen in juni 1940 gaan trouwen.
De  militaire verloven werden soms ingetrokken en dan weer beperkt verleend. Al met  al werd de spanning ondanks geruststellingen van de overheid alsmaar opgevoerd  en werd het  aantal mensen dat dacht wel buiten de oorlog te kunnen blijven steeds kleiner. En terecht de bui kwam steeds nader. Maandag 6 mei was ik met  enkele dagen verlof thuis geweest en keerde 's avonds terug naar mijn brigade.  Ondanks de zorgelijke tijden vermoedden noch mijn verloofde noch ik bij het  afscheid nemen op het station, dat het meer dan vijf jaar zou duren alvorens wij  elkaar terug zouden mogen zien.
 Brigade 's -Hertogenbosch (bron: S.A.N. Jol)
Parade  ter ere van 120-jarig bestaan 1e Divisie Marechaussees. Opperwachtmeester brigadecommandant Adriaanse loot voor de troep uit
Viering  125-jarige bestaan van de Marechaussees te Vught in 1939
Zittend  vlnr. Opperwachtmeester brigadecommandant Adriaanse; adjudant administratie  landmacht, is naar Engeland gegaan, naam onbekend; officier landmacht  (inlichtingenofficier); Divisiecommandant De Koning; Kapitein Kist; Adjudant Van  der Ley.
Bij de dienst was het inmiddels reeds een  paar maanden zo, dat in feite alles voortdurend gepakt stond om op zeer korte  termijn te  kunnen vetrekken. Hoe vreemd dit nu ook moge lijken, was het in  feite zo, dat zodra  er voor Nederland een oorlogstoestand zou intreden,  het personeel van het Wapen der Koninklijke Marechaussee, althans  het  District waartoe ik behoorde, zich onverwijld naar binnen de Hollandse  Waterlinie zou verplaatsen. Daartoe waren kwartieren  binnen die linie  voorbereid. Het woord hoefde maar te worden gesproken en wij zouden vertrekken.  Tot in de eerste dagen van  mei hadden wij op onze brigade ook nog de zorg  voor bewaking van een gedeserteerde Duitse officier gehad.  Deze was ons in  bewaring gegeven vanwege Commandant 3e Legerkorps, wiens hoofdkwartier te Vught  was en dus in ons bewakingsgebied lag. Voor de enigszins ingewijde lezer is het  wel duidelijk dat die brigade 's-Hertogenbosch was. De desbetreffende  officier was een nog jonge man die in Zuid-Limburg op Nederlands gebied was  gekomen en zich liet interneren. Later is deze man, die destijds een rustige  indruk maakte, meerdere malen in mijn gedachten gekomen. Ik vroeg mij dan af wat  er van hem terecht kwam nadat de Duitsers Nederland waren binnengevallen. Was  hij een spion? Sommigen van ons meenden dit destijds stellig. Aan geruchten en  veronderstellingen hadden we in die dagen beslist geen gebrek. Daar waren o.a.  de geheimzinnige lichtsignalen op verschillende plaatsen in ons land. Hoeveel  uren extra dienst hebben deze ons toen ook niet bezorgd. Toen niet en ook later  niet heb ik ooit gehoord dat men daders vond die het hoe en waarom van deze  signalen uit de doeken deden. Ik heb het zelf gezien.
De  neutraliteit van het luchtgebied boven ons land werd in de spannende maanden na  onze mobilisatie nogal eens geschonden, hetgeen onze diplomatieke  vertegenwoordigers veel werk moet hebben gegeven. Las men de kranten dan werd  het duidelijk dat wij kool en geit spaarden. Neutraal zijn dat was het parool.
Intussen vuurde onze luchtafweer lustig op datgene dat zich ongeoorloofd boven  ons land bevond. Gedurende de maanden van de mobilisatie, waarin als extra  handicap een zeer strenge winter viel, ging men in Nederland voort met het land  in staat van verdediging te brengen en werd een distributiestelsel opgebouwd,  doch niet algemeen in werking gebracht. Wij kregen stamkaarten. Ook werden  luchtbeschermingsoefeningen gehouden. Er moest dan worden gereden met  geblindeerde verlichting; ook door het burgerverkeer. Hoe druk de militairen het  ook hadden met het inrichten van een eigen verdediging toch hadden de militaire  overheden ook belangstelling voor hetgeen onze zuiderburen, dus België, op dat  gebied deden. Zij kwamen ons dat niet zelf vertellen dus moest men het ter  plaatse bekijken. Welnu ook daarvoor waren speciaal uitgezochte leden van mijn  Wapen in het geweer. Dit alles ging buitengewoon geheimzinnig in zijn werk en  gaf soms aanleiding tot komische situaties. Men kan er nu om glimlachen, maar  het was toen alles doodernstig te nemen.
Opgebeld worden uit Parijs was voor ons toen een belevenis. Wij hadden een brits  bij de telefoon staan en sliepen daar bij toerbeurt. 's Nachts werd je dan uit  je slaap gebeld om een boodschap uit Parijs op te nemen. Een deftig sprekende  Nederlandse stem begon dan verslag te doen over de toestand van een kennelijk  zeer ernstig ziek zijnd persoon. De hoge temperaturen waren nl. daarin niet van  de lucht. We wisten wat we met dit bericht moesten doen, nl. brengen bij een  militaire functionaris niet behorend tot ons Wapen, maar daarbij wel een  administratieve functie vervullend. Oneerbiedig noemden wij die man "de  groenjas", hij was immers niet van onze club. Ja, chauvinistisch waren wij ook  wel. Terwijl ik voor de eerste maal zulk een bericht opnam dacht ik werkelijk  met een ziekteverslag te maken te hebben. Spoedig echter begrepen wij allemaal  dat het over lichtingen militairen en troepenbewegingen ging.
Onze  diensten, nl. politiedienst in de meest uitgebreide zin van het woord, gingen  ondanks de bijzondere toestand en hetgeen dat voor ons aan extra werk meebracht,  gewoon door. Uiteraard kwamen wij nu meer met militairen in aanraking. Zij waren  ook aanwezig in die gemeenten in het bewakingsgebied, waar je vroeger alleen  maar eens een man in uniform zag die verlof had en dan geen burgerkleding mocht  dragen. Ja dat was toen zo. Zulk een ontmoeting met een militair herinner ik mij  vanwege het feit dat ik hem staande hield na een min of meer wilde achtervolging  per rijwiel. Het bleek een dienstplichtig sergeant te zijn, onderwijzer van  beroep en gemobiliseerd onder de wapenen. Hij had zonder achterverlichting  gedurende de nacht zijn rijwiel bereden. Hij was sergeant en ik marechaussee  (korporaal), weliswaar met "de knoop" - hetgeen hier niet mocht baten -. Deze  meerdere wenste van mij geen bekeuring (proces-verbaal) te accepteren. Mijn  jongere mede-patrouillelid (tweehoofdig principe) verwijderde zich bij de korte  doch felle discussie die volgde. Naar hij later zei "om niet te hebben kunnen  horen" als ik teveel zou zeggen. Nu dat teveel is er toen goed uitgekomen. De  sergeant kreeg drie processen-verbaal en zijn optreden, waarvan ik melding  maakte, voerde tot zijn degradatie. Dat kon  destijds gedaan worden door de  Korpscommandant. Later werd ik ter zake gehoord. Daarbij was een kapitein  aanwezig die zich na  afloop van dit onderzoek tegenover mij bekend maakte als  een  onder de wapenen geroepen commissaris van politie. Deze  politieman gaf te  kennen volledig begrip te hebben voor de problematiek van een politieel optreden  van mindere tegenover  meerdere, om deze nu zo onprettig aandoende woorden maar   eens te gebruiken. Ook op dit punt zijn er na de sindsdien verstreken jaren wel  verbeteringen ingevoerd, al moet het mij van het hart dat dit vrij lang heeft  geduurd. Er moesten hierbij kennelijk grote weerstanden worden overwonnen. Nog  een voorbeeld: Gedurende de mobilisatie kwamen wij eens van een patrouille terug  en zagen niet zo heel ver van onze kazerne een andere patrouille van ons, die  zojuist in dienst was gegaan, aan de overzijde van de weg te midden van een  kleine oploop staan. We stapten van ons rijwiel en liepen erheen. Snel bleek dat  een dame die door die patrouille staande was gehouden wegens het plegen van een  verkeersovertreding. Er stond een sergeant bij in buitenmodel kleding met een  mooie zwarte cape om die zich met deze standhouding bemoeide. Hij meende te  moeten opkomen voor de belangen van de desbetreffende dame, want ...het was de  vrouw van zijn commandant. De patrouille bestond uit twee marechaussees, dus  korporaals. De sergeant bleek capitulant te zijn, dus van het toenmalige zgn.  "goedkope" kader. Deze onderofficier werd de andere dag in de avonduren door de  brigadecommandant op diens bureau ontboden. Daar werd hem op niet mis te  verstane wijze onder de aandacht gebracht dat hij zich had te onthouden van een  optreden zoals door de patrouille werd gemeld. Een lid van deze patrouille kreeg  de gelegenheid in een aangrenzend kamertje dit onderhoud te volgen. Dat kwam  zijn vorming weer ten goede. Ja, aan onderlinge vorming werd bij ons veel  gedaan. Bewust en onbewust.
Zoals  ik reeds vertelde waren wij er geheel klaar voor om elk ogenblik te kunnen  vertrekken. Nu moet men zich zulk een voorbereiding ook weer niet te eenvoudig  voorstellen. Onze brigade was gevestigd in de divisiehoofdplaats ‘s-  Hertogenbosch, terwijl er bovendien de standplaats van een districtcommandant  was. Alle goederen uit het magazijn moesten mee. Denk bv. aan kleding en wapens  die in voorraad waren. Ook harnachementen van paarden. Kisten met  administratieve bescheiden. Welnu, om dat alles te kunnen vervoeren stond  vrijwel voortdurend een ingehuurde grote verhuiswagen op ons terrein. Deze was  reeds vrijwel geheel geladen. Zo waren wij in afwachting van dat wat komen zou.  Komen deed het. Niet onverwacht, maar toch nog plotseling. Als een dief in de  nacht. In de nacht van 9 op 10 mei 1940 om ongeveer drie uur werden wij wakker  van het motorgeronk van vliegtuigen en schieten. Geen schieten met  handvuurwapenen, neen echt geschutsvuur van onze luchtafweer. We behoefden niets  meer te vragen. Het was begonnen. Echt oorlog. Ook voor ons nu. Vreemd maar  eigenlijk maakte, althans zo verging het mij, zich een gevoel van ontspanning  van je meester.
Veel  was er voor ons na het opstaan niet te doen. Wassen, scheren en het weinige dat  nog gepakt moest worden een plaatsje geven. Wel werd het allerbeste uniform  aangetrokken. Dat was voorschrift omdat verwacht mocht worden dat het uniform,  nog vrijwel nieuw zijnde, het langst bruikbaar zou blijven. De op het terrein  van de kazerne in afzonderlijke huizen wonende gehuwden verschenen ook en men  behoefde niet veel fantasie te hebben om zich te kunnen indenken wat daar in die  woningen zich met het aanstaande afscheid voor ogen had afgespeeld.
Ook  onze rijwielen stonden klaar met de bruine dubbele bagagedragertassen model  gepakt. Voorts hadden wij de klewang, onze karabijn, het gasmasker en het  pistool (dat laatste nog niet zo lang tevoren voorzien van een 9 mm. loop i.p.v.  van 7.75 mm.). Onze klewangs, waarvan een groot gedeelte intussen was voorzien  van een zwaar vernikkelde schede was onmiddellijk na het afkondigen van de  mobilisatie bij een slijperij in Den Bosch gescherpt zoals dat heette. Je kon  jezelf er nu bijna mee scheren. Wij konden er tegen; alleen wat betreft de  voeding waren er geen bijzondere maatregelen getroffen. Een zwarte helm behoorde  ook tot onze uitrusting, terwijl wij de kepie, dat hoge hoofddeksel, niet zouden  meenemen. Daarvoor in de plaats kwam de zgn. kwartiermuts, tot zover door ons  alleen in de opleidingen binnenshuis en op terreinen gedragen.
Inmiddels werden op de kazerne voorbereidingen getroffen voor het afvoeren van  een aantal paarden dat zich in onze stallen bevond en in persoonlijk eigendom  toebehoorde aan ons bereden personeel. De paarden met hun begeleiders vertrokken  in westelijke richting langs het Drongelense Kanaal.
Na  vertrek van onze standplaatsen was het de bedoeling te Waalwijk samen te komen  op het terrein van onze Brigade aldaar. Dat is ook gebeurd en daaraan namen deel  de meeste Brigades van het District 's-Hertogenbosch en Eindhoven; de Staf van  de 1e Divisie Koninklijke Marechaussee en een aantal Brigades van de 2e Divisie  Koninklijke Marechaussee. De verplaatsing geschiedde voornamelijk per rijwiel en  met ingehuurde cq. gevorderde motorvrachtvoertuigen. Zelf was ik destijds  werkzaam op het Districtsbureau en was ingedeeld op de t.b.v. het District reeds  enige maanden ter beschikking staande Ford V8, gevorderd voor militair gebruik  en in een groene zgn. legerkleur overgespoten. Een marechaussee was als vaste  chauffeur aangewezen.

Districtscommandant Kist

Zo  vertrokken wij in de vroege morgen van 10 mei via Vught en Helvoirt naar de  marechausseekazerne in Tilburg. Nog even werd een kleine omweg gemaakt om de  kapitein Districtscommandant Kist in de gelegenheid te stellen vlug thuis afscheid te  nemen. Hij was bijzonder onder de indruk daaraan behoefde niet te worden  getwijfeld. Zelf was ik dat ook. Ik had gezien hoe de vrouwen en kinderen samengroepten voor onze kazerne toen wij wegreden en ons toewuifden; sommigen  hun tranen de vrije loop latend, anderen met verwrongen gezichten hun emoties  onderdrukkend.
Heel  kort voor het vertrek had ik nog meegeholpen aan het in de tuin van de kazerne  begraven van een aantal bescheiden, die men niet in handen van de vijand wilde  laten vallen. Bij dit papier werd nog een Duitse helm uit de eerste wereldoorlog  ingegraven. Kennelijk is dit toen alleen maar souvenir zijnd hoofddeksel als  belastend belangrijk beschouwd.
In  onze auto zat de Districtscommandant Kist op de achterbank ingeklemd tussen twee  tot archiefkistjes omgebouwde en grijs geverfde houten verpakkingen van Singer  handnaaimachines. Door mij tevoren op zgn. uitschottenstaat aangeschaft en van  hangsloten voorzien. Eén sleutel was in het bezit van de kapitein en de andere  hing aan mijn sleutelring. De chauffeur aan het stuur en ikzelf naast hem met de  geladen karabijn tussen de knieën; de haanpal omgelegd naar rechts. Zo ging het  in vrij hoog tempo naar Tilburg. Onderweg zagen wij activiteit in de lucht en  van tijd tot tijd rookwolkjes van uiteenspattende luchtdoelgranaten.
In  Tilburg bleek alles ook voor vertrek gereed. De brigadecommandant maakte een  bijzonder rustige en beheerste indruk. Hij had onder deze bijzondere  omstandigheden het geheel stevig in handen. Ik herinner mij dat dit op mij als  jong onderofficier indruk maakte.
Onze verdere mars naar Tilburg ging nog  niet door. Zelf moest ik naar het postkantoor in Tilburg om een aantal  dienstbrieven te posten en regeringstelegrammen af te geven. De inhoud daarvan  was in hoofdzaak de kennisgeving van het feit dat wij  onze standplaatsen hadden verlaten. Burgemeesters, justitieautoriteiten en  politiefunctionarissen vallend onder Binnenlandse Zaken kregen daarvan op deze  wijze kennis. Op het postkantoor was het ontzaglijk druk. Verreweg de meeste   mensen wilden geld opnemen van hun tegoeden bij de  Rijkspostspaarbank. Als ik  op mijn beurt had moeten wachten, dan zou dat heel erg lang hebben geduurd. Even  praten met een  besteller van de PTT leidde ertoe dat ik aan de ambtelijke zijde  van de loketten mijn papieren kwijt kon. Er waren aangetekende stukken bij en ik  moest de nodige  stempels in mijn aantekenboekje hebben. Klein detail enkele  uren na het uitbreken van de oorlog.
Intussen werden de activiteiten in het luchtruim boven Tilburg groter. De vijand  deed aanvallen op het spoorwegknooppunt dat daar is. Op een gegeven moment werd  het van dien aard dat wij dekking moesten zoeken. Dat gebeurde in de lege  paardenstal waar wel zgn. turfbed in de vakken lag. Zelf in zo'n vak op de turf  liggend zag ik mijn districtscommandant zich in een ander vak liet vallen.  Vreemd, hoewel zeer goed te verklaren. Ik had onze chef echter nog nooit zo  bezig gezien. Op dat moment kreeg ik het gevoel dat we met z'n allen echt in  dezelfde boot zaten. Dat werd ik toen voor de eerste maal gewaar. Dit heeft zich  in later jaren van de oorlog nog enkele keren herhaald, hetgeen niet wegneemt  dat in deze oorlog ik ook momenten heb gekend dat ik mij er pijnlijk van bewust  was dat wij lang niet allemaal in dezelfde boot zaten. Daar zal ik echter niet  nader op ingaan want daar is het hier de plaats niet voor.
Terwijl wij in Tilburg waren meldde zich op het brigadebureau een  opperwachtmeester uit het district Eindhoven. Ik kende hem, daar hij in ons  district voordien brigadecommandant was geweest. Nu diende hij in een bijzondere  functie voornamelijk te maken hebbend met inlichtingenwerk. De man was met een  opdracht op weg naar Den Haag en wilde zich vergewissen of de hoofdweg door het  land van Heusden en Altena i.v.m. het inunderen nog voor motorvoertuigen  begaanbaar was. Zulks bleek het geval te zijn en hij vervolgde zijn weg na in  een gedrukte stemming afscheid van ons te hebben genomen. Ook kwamen wij hier in  contact met personeel van andere politiekorpsen die op transport waren met  gearresteerde NSB’ers of andere verdachte personen; ook burgers van Duitse  nationaliteit. Veel hebben wij niet voor deze functionarissen kunnen doen. Ook  de standplaats Tilburg werd verlaten en in de kazerne bleven alleen de  gezinsleden van het gehuwde personeel achter. Hier weer getuige van het afscheid  nemen.
Vreemd, wij, als Wapen - belast met algemeen politiewerk -, hadden op de  standplaatsen blijvend een grote steun kunnen zijn voor de burgerlijke  bestuurders. Het volgen van onze militaire  bestemming ging echter voor.  
Zo  vertrokken wij in de namiddag van Tilburg naar Waalwijk. In  Loon op Zand zagen  wij op een groot grasveld voor de rooms- katholieke kerk een grote groep  kinderen gegroepeerd rond naar  alle waarschijnlijkheid een Mariabeeld. Zij  waren hardop in gebed  daarbij voorgegaan door enkele nonnen.  
Onze  weg vervolgend moesten wij verschillende malen onze  voertuigen verlaten en  terzijde van de weg dekking zoeken voor zeer laag overvliegende vijandelijke  vliegtuigen. Ik herinner mij echter niet gehoord te hebben dat deze vliegtuigen  vuur afgaven. Wij raakten er al enigszins aan gewend om ergens in een  dennenbosje of in een droge sloot vlug neer te vallen.
Tussen Kaatsheuvel en Waalwijk werden wij met echt oorlogsgeweld, althans de  gevolgen daarvan, geconfronteerd. Wij zagen de rokende resten van een  Nederlandse colonne militaire vrachtwagens langs de weg staan. Niemand erbij.  Deze colonne was het slachtoffer geworden van vijandelijk vuur uit vliegtuigen.  Van bomkraters o.i.d. zagen wij niets. Er werd niet lang bij stilgehouden. We  moesten verder en konden hier weinig of niets nuttigs doen.
Bij  onze aankomst te Waalwijk bleken reeds diverse brigades, ook van de 2e divisie,  op het terrein voor de kazerne aanwezig te zijn. Ik kende het daar goed, immers  fietste ik in het begin van mijn dienst bij het Wapen wekelijks éénmaal in de  late namiddag naar deze kazerne vanuit mijn toenmalige standplaats Heusden om er  van een burgerleerkracht op Rijkskosten algemeen vormend onderwijs te ontvangen  teneinde examen te kunnen doen voor het zgn. schooldiploma.
Toen  wij nog maar goed en wel in Waalwijk waren deelde de kapitein mij mede zijn  kaartentas met alle gegevens over kwartieren en andere belangrijke zaken niet  meer in zijn bezit te hebben. Hij vermoedde dat de tas ergens bij het dekking  zoeken los was gekomen van zijn lichaam. Of ik maar als de weerlicht overal waar  wij in dekking waren gegaan wilde gaan zoeken. Een motor met zijspan werd  daartoe ter beschikking gesteld. De chauffeur van onze V8 moest de motor rijden  en ik stapte in de bak. Weer gingen wij voorbij de getroffen colonne en een paar  kilometer verder was een dennenbosje langs de weg waar ik zeker meende dat wij  daar in dekking waren geweest. Dat bleek juist gezien en ik vond de tas. Meer  geluk dan wijsheid zou je zeggen.  Ik weet wel dat degene die de tas verloren  had heel erg blij was deze weer terug te hebben en ik werd wel bijzonder  hartelijk bedankt.  
Na  het invallen van de duisternis zouden wij onze mars voortzetten; echter niet om  binnen de vesting Holland te komen. Aan ons werd een andere taak toegedacht door  commandant 3e  Legerkorps nl. het behulpzaam zijn van Franse troepen die naar   ons land in opmars zouden zijn. Het voorlopige reisdoel werd Breda. Zo gingen  wij met onze colonne, er was intussen heel wat  personeel van het Wapen bijeen,  via de zgn. Langstraat langzaam  in westelijke richting.  Wij voerden geen  verlichting en passeerden onderweg nog een 11 eveneens verduisterde colonne  artillerie met paardentractie, die in oostelijke richting trok, dus richting  vijand. Nog maar een bescheiden aantal kilometers waren wij gevorderd, toen door  een verkeerde stuurbeweging, waarbij de bestuurder mede door de duisternis werd  misleid, de motor met zijspan waarin ik 's middags nog was vervoerd van de weg  raakte. Er was geen tijd noch gelegenheid het voertuig te bergen. De motor met  zijspan werd zondermeer achtergelaten en de bestuurder zocht een plaats op één  van de voertuigen. Het bleek dat wij, althans met betrekking tot materiaal, onze  spreekwoordelijke zuinigheid snel konden afschudden. Gekomen bij Raamsdonkveer  sloegen wij linksaf naar het zuiden. Rechts, in dit geval naar het noorden,  zouden wij via de brug over de Bergse Maas en het veer bij Gorinchem of dat van  de zgn. Kop van het Land nog in de vesting hebben kunnen komen. Voor zover ik  mij kan herinneren deden zich verder op weg naar Breda geen bijzonderheden voor.
In  Breda en de omgeving werden wij gegidst door personeel van de brigade aldaar en  kwamen terecht in een groot gebouw, ik meen in het Mastbosch. Ik kwam te slapen  onder een biljart na ongeveer 24 uur onafgebroken in touw te zijn geweest. Goed  vermoeid. Gelukkig kwam de slaap vrijwel direct. Boven mij op het biljart sliep  een oudere wachtmeester 1e klas van een brigade ergens in Limburg. Lange tijd om  te rusten kregen wij niet. Het was alweer vroeg dag zoals men wel zegt. In de  voormiddag werd de mars voortgezet naar Roosendaal, waarbij onze colonne nog  groter was geworden door het daaraan toegevoegde personeel van het district  Breda, dwz. van een deel daartoe behorende brigades. Wij kwamen nu op de  hoofdverkeersweg tussen Breda en Roosendaal reeds Franse militaire voertuigen  tegen. In hoofdzaak artillerie met motortractie. Op de voertuigen waren met  krijt allerlei leuzen in het Frans geschreven. Ik maakte er uit op dat zij, de  Fransen, op weg waren naar Berlijn en weinig Duitsers in leven wilden laten. Van  de Franse taal wist en weet ik maar heel weinig, dus is het nog maar de vraag of  ik het allemaal goed had begrepen. Vast staat echter dat die Fransen een  vastberaden indruk maakten al zagen zij er dan niet zo model uit. Opnieuw trof  het mij onprettig dat wij in feite almaar ons van de oprukkende vijand af  begaven. Wel was het zo dat Duitse luchtlandingstroepen nabij de Moerdijk waren  neergekomen en de vijand zich dus ten noorden van ons bevond. Zij hadden het,  dat begrepen wij wel, te druk met de bruggen daar; immers die wilden zij  onbeschadigd in handen hebben en houden.
Diezelfde dag, zaterdag 11 mei 1940, gingen wij verder westwaarts naar Bergen op  Zoom en vandaar naar het zuiden. In de omgeving van Bergen op Zoom was ik bekend  omdat ik er mijn 9 maanden dienstplicht had vervuld in 1931/1932. Als  infanterist had ik hier heel veel kilometers te voet afgelegd. Dat was iets  anders dan nu in een Ford V8 zitten. We maakten halt in Hoogerheide en werden  daar ingekwartierd. Van een collega hoorde ik dat men bij Roosendaal bijna een  ranglijst was gaan gebruiken om een colonne samen te stellen van  marechausseepersoneel dat zich per rijwiel zou verplaatsen. Komisch maar  tekenend. In Hoogerheide schreef ik een brief aan mijn verloofde, die naar ik  aannam zich nog in Brielle zou bevinden, waar zij een betrekking had. Zij het  met vertraging is deze brief inderdaad op de plaats van bestemming gekomen. Dat  vernam ik maanden later via het Rode Kruis. Ook in Hoogerheide werd ons matte  blauwe verf ter beschikking gesteld om onze zwarte helmen, die sterk glommen, mee te bestrijken. Ook de glazen van koplampen aan auto's en rijwielen kregen  een kwastje mee.
Wij  waren er daar tevens getuige van dat Duitse vliegtuigen trachtten het  spoorwegviaduct van de lijn Bergen op Zoom -Goes te vernietigen. Overigens zonder  succes. De vliegers waren soms voldoende laag om ons aanleiding te geven dekking  te zoeken. Dan kon je ook vreemde dingen zien, nl. met betrekking tot de wijze  waarop dat gebeurde. We wisten nog weinig van oorlog af; hoog en laag niet. Het is niet kritisch bedoeld, het was gewoon zo.
Het  was een goed kwartier dat ik daar had en de volgende dag ging het verder  zuidwaarts. Gedurende de nacht was het op de weg vrij druk geworden. Er kwamen  Franse troepen door. Infanterie en er waren officieren bij die een wandelstok  droegen. Ik had dat wel eens op afbeeldingen gezien, maar nu zag ik het zelf.  Mij deed het vreemd aan. Dat het intussen Pinksterzondag was drong eigenlijk  helemaal niet tot ons door. Naar mijn mening is er van onze opdracht om de ons  land binnenkomende geallieerde troepen van dienst te zijn niet zoveel terecht  gekomen.  
Hoe  het ook zij, wij gingen verder zuidwaarts met de bedoeling via België naar  Zeeuws-Vlaanderen te gaan. De weg via Zuid-Beveland werd door deze verplaatsing  kennelijk niet geschikt geacht. Volgens de berichten waren in Zuid-Beveland ook  reeds  Franse troepen aanwezig.  
Nadat  wij Hoogerheide hadden verlaten ging het verder ongestoord naar Putte. Onderweg  zagen wij meerdere door middel van springstof gevelde bomen. Deze hadden moeten  dienen om de toegangen tot ons land te versperren nadat de ladingen tot  ontbranding waren gebracht. De desbetreffende bomen waren echter niet óver de  weg gevallen maar juist in tegenovergestelde richting nl. ven de weg af. Wat  daarvan ook de reden moge zijn geweest, vast staat dat als gevolg hiervan de  binnenkomende Franse troepen nu niet gehinderd werden.
Daar  in Putte deed zich nog een incident voor. Bij de grens was onze colonne tot  stilstand gekomen nadat een aldaar aanwezige officier van het Belgische leger  daartoe aanwijzingen had gegeven. Tussen onze districtscommandant en deze  officier kwam het snel tot een scherp verschil van mening. Onze chef meende op  grond van het feit dat wij geallieerden waren zonder meer door te mogen gaan. De  Belg was vrij kort aangebonden en op een gegeven moment pakte hij de karabijn  met opgeplante bajonet uit handen van een hem vergezellende Belgische soldaat en  richtte deze op onze officier. De punt van de bajonet stond tegen één van de  knopen van de baas. Hij kreeg te horen dat eerst nadere orders van hogerhand aan  Belgische zijde zouden worden gevraagd. Eén stap verder betekende dat terplekke  doden zouden vallen zo werd te kennen gegeven. Wij kregen daarop het bevel ons  van de weg te begeven en in de daar aanwezige vele cafés te gaan. Chauffeurs  bleven bij de voertuigen. Lang behoefde niet te worden gewacht alvorens  toestemming werd verkregen België binnen te gaan. Zo verlieten wij dus ons land  dat volop in oorlog was; weliswaar met de bedoeling via een achterdeur weer  binnen te komen.
In  België - nog niet ver gevorderd - kregen wij opnieuw even moeilijkheden want op  één van de open vrachtwagens, die deel uitmaakten van onze colonne, zat een  burger die behoorde tot de staf van de divisie en was beroepsmilitair geweest.  De Belgen vertrouwden dat niet en de Gendarmerie wilde er meer van weten. In die  dagen was er allerwegen de vrees voor mensen die behoorden tot de zgn. vijfde  colonne. Gelukkig werd deze moeilijkheid snel opgelost. De desbetreffende  burger, toen reeds niet zo jong meer, was sergeant-majoor geweest en werd later  gemilitariseerd en bevorderd tot adjudant-onderofficier. Ja, vele dingen werden  mogelijk, waar wij vroeger niet van hadden durven dromen.
Terwijl wij Antwerpen binnenreden gingen er sirenes en werd de colonne tot  stilstand gebracht. Hierop kregen wij bevel dekking te zoeken. Er waren dichtbij  openbare schuilkelders of dergelijke onderkomens. We zagen nl. talrijke mensen  die daaruit de straat opkwamen. Wat was het geval. Er werd door ons niet het  signaal "alarm" gehoord, maar het signaal dat aangaf "gevaar geweken". Een  vergissing die voor hilariteit zorgde.

Op  de achtergrond de Luchtbalkazerne  in Antwerpen (Archief  Felix)

Onze  mars door deze grote havenstad voortzettend werden wij naar de zgn.  Luchtbalkazerne gedirigeerd, waar voorlopig halt werd gehouden in afwachting van  nadere bevelen. In deze kazerne en voornamelijk op het binnenplein daarvan  vertoevend, werd er herhaaldelijk luchtalarm gegeven en eisten de Belgen van ons  dat wij ook telkenmale ons in de aanwezige schuilkelders begaven. Tussendoor  werd ook nog voeding verstrekt, wat men zich niet te eenvoudig moet voorstellen  aangezien dit niet tevoren georganiseerd kon worden.
Onze  volgende verplaatsing zou weer gedurende de duisternis worden uitgevoerd. Wij  gingen nu in westelijke richting. Door de Scheldetunnel naar het Belgische  Sint-Niclaas en vandaar in noordelijke richting naar Hulst in Zeeuws-Vlaanderen.  In onze colonne bevonden zich ook nog twee particuliere voertuigen  (personenwagens) toebehorend aan twee brigadecommandanten, waarvan er één van de  2e divisie was. Als ik mij goed herinner waren deze motorvoertuigen door henzelf  t.bv. het Rijk gevorderd.

Patronaatsgebouw Hulst

In  het holst van de nacht arriveerden wij bij Kapellebrug aan de grens en waren  zodoende weer op Hollands gebied. Personeel van de brigade Hulst ving ons daar  op. Het was dus in de zeer vroege morgen van de 2e Pinksterdag dat wij in Hulst  kwamen. We konden uitrusten in de lokalen van een school en het Patronaatsgebouw, maar echt rusten lukte  niet. Onze districtscommandant was nog steeds in het bezit van een aantal  geheime bescheiden waarvan de vernietiging niet had mogen plaatsvinden. Nu werd  hem van hogerhand daartoe opdracht gegeven. Met de vernietiging door verbranding  werd ik belast en dit moest geschieden met een tot vuren gereed pistool in de  hand. Zo gebeurde het ook en wel met gebruikmaking van het vuur onder de ketel  van een bierbrouwerij in Hulst. De aanwezige stoker was beslist niet onder de  indruk.
In de  middag was er een kaderbespreking in het hotel De Korenbeurs op de markt in  Hulst. Daar waren ook enkele onderofficieren van het Korps Politietroepen  aanwezig. Zij waren hetzij als gevolg van de oorlogshandelingen, hetzij om  andere redenen van hun standplaatsen vertrokken. Er werd weer voeding verstrekt.  Wij hadden inmiddels wel ervaren dat deze belangrijke verzorging voor ons erg  kwetsbaar was.
Dezelfde dag nog vertrokken wij verder in westelijke richting en wel naar Sas  van Gent. In die tijd waren er nog vele brigades van het Wapen in  Zeeuws-Vlaanderen en deze werden alle versterkt met het personeel dat van elders  was gekomen. In Sas van Gent vestigde onze districtscommandant zijn commandopost  in het bureau van de brigadecommandant aldaar. De baas zelf alsmede een  bureau-onderofficier van het district Eindhoven en ikzelf werden ondergebracht  in de woning van de oudste wachtmeester van de brigade. Hij was zgn. waarnemend  aangezien zijn brigadecommandant zich op detachement bevond en wel bij het  Landhuis Ruijgenhoek van H.M. de Koningin in Scheveningen, cq. Paleis Huis ten  Bosch in Den Haag.
Die  wachtmeester had geen kinderen en ik herinner mij zijn echtgenote als een zeer  zorgzame vrouw die niet wist wat zij moest doen om het ons zo aangenaam mogelijk  te maken. Allen moesten gekleed slapen en wij, de beide onderofficieren, lagen  in het echtelijk bed van de wachtmeester. Onze schoenen en beenkappen deden wij  wel uit, want deze aanhouden zou toch wel erg zijn geweest.
In de  nacht deden vijandelijke vliegtuigen een aanval op fabrieken in de nabijheid,  gelegen aan het kanaal Gent -Terneuzen. Wij stonden op en verzamelden op de  overloop in de wachtmeesterwoning. Helm op, geen schoenen aan. Zo ook de  kapitein. Mooi plaatje. Het had allemaal niet veel te betekenen en we konden  snel weer plat gaan, daar hadden we veel behoefte aan.
In  Sas van Gent vernamen wij ook dat Nederland had  gecapituleerd tegenover de  Duitsers. Zeeland echter zou  doorvechten. Welnu in die provincie bevonden wij  ons. Wij zagen veel Franse troepen. Heel rustig groeven zij zich hier en  daar  in en zij namen van tijd tot tijd de vijandelijke vliegtuigen zelfs  met hun  handwapens onder vuur.  Hun leiding had het daar in Zeeuws-Vlaanderen kennelijk  voor het  zeggen. Zo was ik er getuige van dat onze kapitein bezig was een   burger vrachtauto te vorderen toen een Franse officier zich daar  mee bemoeide  en het voertuig zelf rekwireerde. Onze baas sprak  vrij vlot in de Franse taal  met deze man maar er hielp niets aan. De wagen kregen wij niet.
De  capitulatie van Nederland gaf ons wel een grote schok en dat  onze Koningin in  Engeland was, daarover werd toen niet door een  ieder gunstig geoordeeld.  Gelukkig dat daarover later anders  gedacht werd.  
  Gevorderde  bussen met rechts de chauffeurs
Met  de burger motorvoertuigen welke hier en daar door ons waren gevorderd, werden  ook de diensten van de daarbij behorende  burgerchauffeurs gevorderd en deze  mensen waren niet zoals wij  voorzien van extra lijfgoederen en andere zaken,  zoals deze worden meegenomen als men voor langer op reis moet. Voor een aantal  van hen kreeg ik opdracht bij een plaatselijke textielhandel onderkleding te  vorderen; uiteraard tegen afgifte van bescheiden uit het bekende blauwgrijze  boekje met vorderingsbewijzen.
Nog  twee nachten bleven wij in Sas van Gent, om daarna weer verder in westelijke  richting te trekken en uiteindelijk Nederland voorlopig voorgoed te verlaten. In  de buurt van Nantes in Frankrijk lag een vliegveld waarheen vliegtuigen en  personeel van de Nederlandse Militaire Luchtvaart, zij het slechts een gedeelte,  zich volgens de berichten hadden begeven. Wij zouden dat vliegveld moeten gaan  bewaken. Zo trokken wij opnieuw door het Zeeuwse land en zagen overal vele  Franse militairen. Hier waren onze mensen zoveel als mogelijk behulpzaam. Deze  Franse legeronderdelen moesten voor het merendeel over de Westerschelde worden  gezet naar Walcheren en Zuid-Beveland. Ook personeel van ons en wel van de 2e  divisie ging over de Westerschelde en wel naar Vlissingen, waar zij ter  beschikking kwamen van de districtscommandant der Koninklijke Marechaussee  aldaar, die onder de bevelen stond van commandant Zeeland, een hoofdofficier  van de Koninklijke Marine. Bij dat marechausseepersoneel bevond zich een  marechaussee afkomstig uit de gemeente waar mijn ouders en a.s. schoonouders  woonden. Hij kwam afscheid van mij nemen en zegde toe, mocht hij t.z.t.  thuiskomen, te vertellen hoe het mij tot dusver was vergaan. Na reeds maanden in  den vreemde te zijn, vernam ik dat  hij in de gelegenheid was geweest zijn woord  gestand te doen.  
Dezelfde man ontmoette ik heel toevallig in januari 1945 in Zuid- Limburg waar  ik militair instructeur was in Maastricht. Hij diende toen bij de toenmalige  politie en vertelde ingedeeld te zijn bij een  formatie bestemd voor Rotterdam  en Waterweggebied bij  bevrijding van gebied boven de grote rivieren. Ook nu  vroeg ik  hem indien mogelijk mijn familie van onze ontmoeting te vertellen.   Hij deed dit op 8 mei 1945 en op 15 mei daaropvolgend was ik zelf  na vijf jaar  weer thuis.  
Op  vrijdag 17 mei in de namiddag maakten wij halt op het voorterrein van een groot  gebouw waar gegeten werd. In dit  gebouw waren, in de tijd dat wij nog niet in  oorlog waren, joodse vluchtelingen ondergebracht geweest. Men kon binnen aan  alles zien dat deze mensen overhaast en met achterlating van zeer veel   persoonlijke zaken, waren vertrokken. Ongelukkige mensen om zo  weer verder te  moeten zwerven. We bleven niet lang ter plaatse en trokken verder nu in   zuidwestelijke richting tot wij in de gemeente Sluis kwamen. Daar  werd opnieuw  de colonne tot staan gebracht.
Na  het invallen van de duisternis zagen wij boven ons een vrij fel lichtschijnsel  dat zich verplaatste in oostelijke richting. Tevens hoorden wij vliegtuiggeronk.  Dit licht moet uit een vliegtuig naar beneden gericht zijn geweest. Er was  echter geen sprake van een "lichtbundel" welke alles op de grond verlicht. Het  hoe en waarom van dit verschijnsel hebben wij nimmer kunnen achterhalen.
De  strijd van Zeeland liep, zo begrepen wij wel, ook op een eind. In een café ter  plaatse troffen wij een aantal zeer jonge marinemannen aan. Zij waren afkomstig  van een opleiding in Vlissingen. De koperen knopen van hun uniformjekkers waren  afgesneden, opdat zij niet direct als militair zouden worden herkend.  Hoofddeksels droegen zij niet. Ook waren er dienstplichtigen van vliegpark Vlissingen (Souburg) aanwezig. Ik ben nimmer te weten gekomen wat verder van hen  is geworden. Er heerste in het algemeen een zeer verwarde en mismoedige stemming  onder de mensen.

Over het optreden van de Duitse militairen deden de meest vreemde geruchten de ronde. Het kwam er eigenlijk op neer dat zij een ieder die een uniform droeg zonder meer neerschoten. Moest men zoiets nu geloven? Was er niets meer over van de  conventie van Genève? De leiding maakte ook de indruk althans déze geruchten te  geloven. Het was alles vijfde colonne wat de klok sloeg en men werd in de stroom van de meest verschrikkelijke verhalen meegezogen.
Onze prins Bernhard was vanuit Engeland weer in Nederland teruggekeerd en bracht een nacht door in de woning van de brigadecommandant der Koninklijke Marechaussee te Sluis.
In de  zeer vroege morgen van zaterdag 18 mei 1940 om 0.35 uur werd door ons begonnen om in zuidelijke richting uit Nederland weg te trekken. Er bevonden zich nog  resten van Nederlandse legeronderdelen in Zeeuws-Vlaanderen, waarbij er waren  wier eigenlijke stelling in oostelijk Noord-Brabant was geweest. Ook waren er  burgers die zich gereed maakten om Nederland te verlaten. Hierbij was echter  geen sprake van een georganiseerde evacuatie.
De prins in Sluis samen met jhr. Den beer Poortugael
Van  ons Wapen trok nu al het personeel weg en de colonne was mede daardoor vrij  lang geworden. Bij elkaar waren wij met ruim 270 man. Wij voerden veel zaken mee  waarvan het nut, in de  gegeven omstandigheden, alleen met grote fantasie zou  kunnen worden aangetoond en dat trad beslist niet pas later aan de dag.  Het  eerder genoemde voertuig waarin ik mij bevond, passeerde te  03.07 uur de Nederlands-Belgische grens. Deze en andere gegevens ontleen ik aan een soort  dagboek door mij op last van  mijn districtscommandant bijgehouden en waaruit ik  een aantal aantekeningen in juni 1940 overnam in mijn eigen zakagenda.
Onze  tocht voerde via Brugge, Ieperen, La Panne en Duinkerken naar Gravelines. Deze  laatste plaats heette enige eeuwen terug, toen zij nog deel uitmaakte van de  Zuidelijke Nederlanden, Grevelingen. In Brugge zagen wij bij het doortrekken van  de stad een deel van de daar aanwezige mooie oude gebouwen. Dat nam ik goed in  mij op. Zoiets had en heeft mijn interesse. Wij trokken dus dicht achter de  Belgische duinen naar het zuiden en konden goed waarnemen dat wij ons hier in  het gebied van de bekende badplaatsen bevonden. Het seizoen was echter nog niet  op gang en de mobilisatie in België had ook het één en ander in de war gestuurd.  Alles was er zo bijzonder licht van kleur. Het weer was uitstekend en had men  niet beter geweten, dan was het van tijd tot tijd alsof voor het genoegen werd  gereden. Hetgeen echter meestentijds op de weg te zien was deed je snel weer tot  de werkelijkheid terugkeren. Hier, in tegenstelling tot datgene wat wij in  Nederland hadden gezien, waren tamelijk veel burgers onderweg. Zij voerden  allerlei kleinere voertuigen met zich mee waarin de meest verschillende  huishoudelijke goederen waren geladen. Veel kleding en beddengoed. Ook wel  kooien met vogeltjes en huisdieren. Ervaringen uit de oorlog 1914-1918 moeten er  wel aan hebben medegewerkt om deze mensen de wijk te doen nemen. Immers het was  toen erg geweest in België.
Hoe  verder wij kwamen hoe drukker het op de wegen werd. De snelheid waarmee de  meeste van deze mensen zich konden verplaatsen was niet groter dan die van een  voetganger. Gezegd moet worden dat er ook waren die gemotoriseerd zich een goed  heenkomen trachtten te zoeken. Men zag de meest wonderlijke toneeltjes en wij  wisten toen nog niet dat wij deze beelden dagenlang zouden zien. Het was nu  alles nog nieuw en maakte in het algemeen diepe indruk op ons. Er werd zo vaak  gezegd: "Thuis zijn ze nu misschien ook zo op weg". Later is gelukkig gebleken  dat dit in verreweg de meeste gevallen niet zo is geweest. Geslapen hadden de  meesten van ons niet en dat deed zich in de  loop van de dag geducht voelen.  
In  België zagen wij bij Ieperen ook nog het grote monument ter herinnering aan  datgene dat zich afspeelde aan de rivier de IJzer toen de Duitsers daar tot staan  werden gebracht, destijds goed 25 jaar geleden. Ook oorlogskerkhoven trokken  onze aandacht. Voor velen onzer was het de eerste maal dat zij zich buiten de   grenzen van Nederland bevonden. In die jaren was dat zo. Diegenen van ons die  aan de grenzen dienst hadden gedaan waren misschien wel eens een stukje op Duits  of Belgisch gebied  geweest, maar dat betekende in het algemeen niet veel.
Bij  de grenspost Le Perroquet werd de grens tussen België en Frankrijk overschreden  en kwamen wij dus in een land dat reeds sinds ruim 8 maanden zich in oorlog  bevond. Onze toelating in Frankrijk leverde geen bijzondere moeilijkheden op.  Wij merkten wel dat onze colonne bestaande uit als het ware tot de tanden  gewapende geüniformeerden de aandacht trok. Ook hier zuidwaarts trekkende  burgers op de weg. Ook zagen wij hier en daar Belgische gendarmen tussen deze  burgers. Zij waren alleen of hoogstens met enkelen bij elkaar. In elk geval geen  colonne. Goederen voerden zij niet met zich mee.
Daar  in het uiterste noordwesten van Frankrijk zagen wij ook reeds gauw een kazerne  van de Gendarmerie National. Zeer aan ons verwant en dat trok mijn aandacht. Wat  opviel was dat het er alles niet zo netjes uitzag als bij ons. De kustweg verder  volgend kwamen wij in Duinkerken, waarvan ik mij herinner dat wij stopten bij  een havenbassin. Het beeld herkende ik onmiddellijk. Van mijn vader had ik een  aanzichtkaart uit Duinkerken ontvangen waarop deze haven was afgebeeld.
Een  min of meer humoristische herinnering heb ik aan de omgeving van Duinkerken. Dat  zat zo. Op een bepaald moment, wij waren Duinkerken al voorbij, moest ik met de  wagen terug om een achtergebleven deel van onze colonne op te halen en reden  daartoe weer in noordoostelijke richting terug, tegen de verkeersstroom in.  Plotseling kwam alles stil te staan en zagen wij de mensen hun voertuigen  verlaten en zich terzijde van de weg  neerwerpen. De chauffeur en ik repten ons  ook de wagen uit en gooiden ons naast de weg in een soort droge greppel. Er  vielen zo te horen en kennelijk niet zo ver weg bommen.  Nadat ik mij had  neergeworpen was plotseling alles zwart voor mijn ogen. Mijn eerste gedachte was  dat er iets met mijn ogen was  gebeurd, maar ook voelde ik dat er iets om mijn  hoofd zat. Nu dat  bleek ook zo te zijn. In mijn ijver om dekking te zoeken was  ik met  mijn hoofd onder de soutane van een geestelijke terecht gekomen,  die  daar reeds was neergestreken. Snel had ik mijn hoofd weer vrij  en nog zie ik de  witte sokken voor mij die deze man droeg. Het bleek een Belg te zijn. Hij  vluchtte voor de Duitsers, zoals zovelen. Wij hebben daar en toen heel hartelijk  om dit komische  voorval gelachen. Hij sprak Vlaams en ik kon hem goed  verstaan.  Wij kregen nog een sigaartje van hem gepresenteerd.  
Wij  hadden toen nog geen weet van wat zich zeer kort hierna juist  in deze omgeving  zou afspelen bij de achterhoede gevechten ter  bescherming van de evacuatie van  Engelse troepen van de  stranden aan het Engelse Kanaal, voornamelijk rond  Duinkerken.
Bij  onze aankomst in Gravelines werden wij ondergebracht in het oude Fort Philippe  en kregen wij Frans geld. Ieder van ons moest maar zien hiervoor voedsel te  kopen. Met een collega die een paar woorden Frans sprak lukte het mij in een  café op de markt wat eetbaars te pakken te krijgen. Het plaatsje maakte, vooral  rondom wat ik maar de markt noem, een echt Oud-Hollandse indruk. Die avond werd  vroeg de rustplaats opgezocht. Iedereen was moe en men sukkelde vervuld van  allerlei gedachten spoedig in slaap. De kwestie maaltijden zou in de nabije  toekomst nog vaak moeilijkheden geven, maar ik herinner mij niet dat het  nogmaals voorkwam dat wij geld kregen om zelf voedsel te kopen.
De  volgende dag ging het weer verder. Over de hoofdverkeersweg naar Calais en  vandaar naar Boulogne. Onderweg werd de stroom vluchtelingen bepaald niet  minder. Ook zagen wij deze dag voor de eerste maal Engelse vrouwelijke  militairen. Zij waren vrijwel steeds werkzaam als bestuurster van  legervoertuigen, dwz. degenen die wij zagen. Later zouden wij deze  "hulptroepen"nog op velerlei andere terreinen heel verdienstelijk bezig zien.
Van  Boulogne (sur Mer) reden wij naar Montreuil. Deze dag, 19 mei, was een zondag en  wij zagen allerwegen de  mensen naar de kerken gaan. Voor ons was het verre van  wat wij  anders op zondag al dan niet deden.  De wegen bleven vol met  vluchtelingen en ik herinner mij in  Montreuil in de auto de nacht doorgebracht  te hebben. We raakten  eraan gewend vrijwel overal te kunnen slapen.  Hier in de  omgeving van Montreuil zag ik op een gegeven moment vanuit een van links komende  weg een auto de weg opdraaien. Het bleek een lijkwagen te zijn. Vier mooi  gevormde pilaren droegen een dak van fraai krulwerk voorzien. Dit voertuig was  tot een vluchtwagen gemaakt. Het was  letterlijk afgeladen met mensen. Men hing  zelfs aan de pilaren. Een tafereel als het ware geëtst in mijn herinnering.  Typerend voor  wat er met mensen gebeurde.
De  volgende morgen ging het weer verder. Onze  Divisiecommandant had één van de  auto's in onze colonne als een  soort provisiewagen laten inrichten en daar  konden wij Frans stokbrood en paté (voor ons leverpastei) ontvangen. Ook boter   was er ingekocht. Eetgerei hadden wij zelf, dat hoorde bij onze  uitrusting. De  paté zouden wij op den duur niet meer kunnen zien; zoveel verwerkten wij ervan.  
Oorlogskerkhoven van 1914 -1918 hadden wij intussen in  Frankrijk ook weer op  meerdere plaatsen waargenomen. Het  landschap was hier en daar zacht glooiend.  In het algemeen  anders dan wij thuis gewoon waren. Voortdurend deed je nieuwe   indrukken op. Wat hadden wij toch een in wezen regelmatig leven  gehad, zij het  dan dat wij vooral het laatste halfjaar zelden vrij waren geweest. Wij waren  weinig gewend af te wijken van het  traditionele. Vandaar dat het vreemde en  anders zijnde in het  algemeen meer indruk maakte en ook in later jaren  gedetailleerder  in de herinnering is gebleven dan veel van hetgeen wij later   beleefden en wat toch ook nogal afweek van het zgn. normale.
Nadat  wij Montreuil hadden verlaten ging het in de richting van Abbeville. Op de weg  kwamen wij nu Engelse militaire voertuigen  tegen die in noordelijke richting  reden. Op ons maakte het de  indruk bevoorrading te zijn. Personeel was er  weinig bij. Ook weer  veel vrouwen achter het stuur. Soms met een sigaret in de  mond. Voor ons toen ook nog betrekkelijk vreemd.
Nieuws en dan vooral betrouwbaar nieuws vernamen wij weinig.  Radio voerden we  niet met ons mee, laat staan verbindingsmiddelen. Hier en daar werd naar een  radio geluisterd als er halt werd gehouden nabij woningen. Alleen natuurlijk  door  hen die een beetje Frans kenden. Zo hadden wij een reeds oudere  opperwachtmeester-brigadecommandant van een brigade in oostelijk  Zeeuws-Vlaanderen in ons midden die vroeger als jonge man in Frankrijk had  gewerkt. Hij verstond wat er uit de luidsprekers kwam en waar de Fransen als het  ware met de lippen aanhingen. Deze zwaar gebouwde opper vertaalde dan op zijn  bedaarde en bedachtzame manier wat het nieuws was. Veel hadden wij er niet aan,  maar de algemene gedachtegang was dat het nog zo slecht niet ging met de oorlog.  Zo althans kwamen de berichten op ons over. Dat leerden wij binnen vrij korte  tijd wel anders zien.
Onze  divisiecommandant begon moeilijkheden te krijgen met het verkrijgen van  brandstof voor onze voertuigen en het zou niet lang meer kunnen duren of wij  zouden een aantal voertuigen moeten achterlaten. Voor het vinden van de weg  bedienden onze officieren zich van Michelin kaarten. Later heb ik zelf ervaren  hoe prima deze kaarten zijn, ook toen moeten zij reeds goed zijn geweest.
Gekomen in de buurt van Abbeville, een stad gelegen aan de rivier de Somme,  bemerkten wij dat vijandelijke vliegtuigen hier bijzonder actief waren. Ze deden  aanvallen op de zich langs de wegen voorbewegende voertuigen, waarvan verreweg  de meeste particuliere waren. Ook velen verplaatsten zich te voet. Militair  verkeer was hier niet intensief en er waren vrijwel geen Fransen onder. Wat men  zag was Engels in verreweg de meeste gevallen.
Hier  maakte ik weer iets opmerkelijks mee. De activiteiten in de lucht hadden ons  uiteindelijk genoodzaakt halt te houden en terzijde van de weg dekking te  zoeken.
De  inslagen van in dit geval bommen waren dichtbij. Ik herinner mij dat ik tegen  een stukje kreupelhout in een kleine uitholling lag en plotseling voelde ik dat  zich iets tegen mij aandrukte. Het bleek een kleine oude vrouw te zijn. In  helemaal zwarte kleding en met een zwarte doek om het hoofd. De vrouw was  kennelijk op de vlucht. Toen zag ik pas dat zij met haar kleine lichaam een  meisje van een jaar of acht, negen als het ware beschermde. Het kind lag  gedeeltelijk onder haar en hield een bontgekleurde handdoek in haar handen. In  deze handdoek was zo te zien iets bij elkaar geknoopt. Hun bezit op de vlucht.  Vlug zorgde ik dat die beiden zo goed mogelijk bedekt werden. De vrouw wees op  zichzelf en toen op het kind en zei: "grandmère", nadat zij van mij geen  antwoord kreeg op haar Frans gepraat. Voor mij was het door dat ene woord  duidelijk dat zij vluchtte met haar kleinkind. Gelukkig duurde het niet lang  voor het tumult in de lucht ophield. Alles kwam weer zo'n beetje in beweging en  ook die oude vrouw met het kind sjokten weer verder. Een dieptreurige  herinnering aan de vluchtige ontmoeting, waaraan ik nog dikwijls heb gedacht als  ik afbeeldingen zag van vluchtende burgers voor het geweld van de oorlog.
Wij  gingen niet meer zoveel verder, want de beschikbare voertuigen moesten worden  heringedeeld,  Een aantal zou niet verder meegaan wegens gebrek aan brandstof.  Dit besluit bracht nogal wat geplus en gemin met zich  mee. Een deel van het  personeel, ja zelfs een heel groot deel zou verder gebruik gaan maken van de  meegenomen rijwielen.  De nacht van 20 op 21 mei brachten wij weer in de  voertuigen door  en aan paté was er geen gebrek. De burgerchauffeurs van de  achter te laten voertuigen gingen verder met ons mee.  
Bij  het verder trekken in de richting Rouan, waarbij zoals gezegd  de rijwielen  werden gebruikt, hebben velen van ons zich geweldig  lichamelijk moeten  inspannen. In feite werd gereden op een deel van de zgn. Tour de France, het   bekende wielerevenement. Onze oudere personeelsleden hadden het er behoorlijk  moeilijk  mee. Zelf heb ik deze prestatie niet behoeven te leveren. Van ons  heb  ik menigeen langs de weg bij zijn neergezette rijwiel zien  zitten. De kapitein  liet dan de wagen stoppen en sprak met deze  mensen om hen aan te zetten de moed  niet op te geven. De  mensen wilden wel, maar konden niet. Voornamelijk de  jongeren  lieten zich vaak voorttrekken door motorvoertuigen militair zowel  als  burger. Stel u dat voor, een levensgevaarlijke aangelegenheid. Van dit gedeelte  van onze tocht herinner ik mij dat wij op een gegeven moment ergens een zijweg  insloegen en wilden proberen  wat te drinken te krijgen.
Bij  een tamelijk eenzaam gelegen huis hielden wij halt en beduidden dat wij wat  wilden drinken. We kregen daarop cider. Die mensen waren behulpzaam en tegelijk  heel angstig. Onze kapitein was op de hoofdweg gebleven dus hulp met de franse  taal hadden wij niet. maar de chauffeur wees op mij en zichzelf en zei: "Le  boche, non, non". De gezichten klaarden helemaal op. Ze hadden ons echt voor  Duitsers aangezien. Men zwaaide ons na en ik geloof wel dat ze nog van ons  begrepen dat wij "hollandais" waren.
Onze  tocht voerde door de grote haven- en industriestad Rouan en velen, hoewel niet  allen, brachten het deze dag tot Evreux. Men had zich in kleine groepjes of  individueel verplaatst. Een ieder deed zijn eigen ervaringen op en deze waren  velerlei. Uit latere gesprekken is dat wel duidelijk gebleken.  
Het  personeel was op den duur werkelijk oververmoeid geraakt. Van twee vernamen wij  later dat zij in de avond in een tramhuisje  in Rouan in slaap waren gevallen en  's morgens het plan hadden weer in noordelijke richting te gaan. Zij waren het  verband kwijt.  Gelukkig werden zij de volgende morgen heel vroeg opgemerkt   door een opperwachtmeester die als commandant van een  motorvoertuig opdracht  had achterblijvers weer bij onze  "hoofdmacht" te brengen. Diegenen van ons die  in Evreux terecht waren gekomen werden  aldaar voor de nacht ondergebracht in  een grote militaire manege.  Daar in die grote ommuurde ruimte met een dak  legden wij ons  neer in het zand. Man aan man met de hoofden ongeveer tegen de   houten betimmering.  Er waren daar allerlei militairen waaronder veel gekleurde  Franse  koloniale troepen. Alles lag door elkaar. Ik herinner mij te hebben   gelegen naast een militair met een rood rond hoofddeksel en een  heel donker  gezicht. Die kleurlingen waren belust op geld dat hadden we snel in de  gaten.  Zij waren ook bereid er iets voor te doen, b.v. met het hoofd  op een soort kort  stokje en benen in de lucht rond draaien.  Wonderlijk om te zien.  Slapen deden  we ook nog, want moe waren we genoeg. In warm  eten hadden we ook wel trek. Het  was er echter niet bij. Sinds  zaterdagavond hadden de meesten van ons geen warm  eten van  enige betekenis gehad. Het was daar in de binnenmanege een vreemd  gedoe. We waren  allemaal geallieerden en zgn. oorlogskameraden, maar de   Hollanders zorgden wel dat hun portemonnee goed werd  opgeborgen.  Intussen  hadden wij ook al personeel van de Franse Gendarmerie Nationale gezien dat  kennelijk de standplaats, waar dat dan ook  was geweest, had verlaten en  wegtrok. Op ons werkte dat niet erg  bemoedigend. Algemeen gesproken heerste er  grote onzekerheid.
Na de  nacht in de manege trokken wij 's morgens opnieuw verder in zuidelijke richting.  We kwamen deze dag via Alencon in Le Mans, de stad van de grote autorennen. De  activiteiten in de lucht waren belangrijk minder geworden. Wel zagen wij veel  meer troepen, ook veel Fransen, die in noordelijke richting gingen. Zuidwaarts  gaande burgervluchtelingen waren ook minder in aantal.
Onze  divisiecommandant reisde ons vaak als te ware vooruit om onderbrenging en zo  mogelijk eten te verkrijgen met hulp van de Franse autoriteiten. Succes was  daarbij niet altijd verzekerd. Bedenk daarbij echter dat dit geen gemakkelijke  taak was in de gegeven omstandigheden. Van tijd tot tijd zagen wij hem. Een rood  gekleurd blik, waarin oorspronkelijk een 1/2 pond pijptabak verpakt was geweest,  had hij dan steeds onder handbereik in zijn particuliere auto, naar ik meen een  kleine DKW. In het blik had hij nu shagtabak waarvan met de hand heel veel  sigaretten door hem werden gedraaid.
Op  deze dag gebeurde het dat bij het dekking zoeken voor tamelijk laagvliegende  vijandelijke vliegtuigen een kennelijk zeer kort aangebonden en buiten zijn  boekje gaande Franse officier hevig rukte aan de witte nestel van één onzer  marechaussees. Deze officier zag in het witte van de nestel iets dat de aandacht  zou trekken uit de lucht. Feit is dat later in Engeland er inderdaad een order  kwam dat marechaussees de witte nestel niet meer mochten dragen. Dit is later  weer herroepen.
In Le  Mans aangekomen werden wij ondergebracht in een Franse  kazerne waarin o.a.  Franse koloniale troepen gelegerd waren  geweest. Het was er naar onze begrippen  onbeschrijflijk smerig en  de matrassen met sluimerrol (Franse stijl) waarvan  wij desgewenst  gebruik konden maken verkeerden in een erbarmelijke staat. De  toiletten waren voor ons ook heel vreemd. Men zette de twee voeten op een soort  pedalen en dan opende  zich een gat. Zij die ons waren voorgegaan hadden daarbij  zo te  zien niet de nodige nauwkeurigheid in acht genomen. Afscheidingen of  deuren waren er niet bij. We kregen er ook te eten in Le Mans. Genoeg te zeggen  dat men  een gegeven paard niet in de bek ziet. Bovendien als men honger  heeft  smaken rauwe bonen zoet.  
De  volgende dag, donderdag 23 mei, vertrokken wij naar Angers. De te overbruggen  afstand was niet zo groot als de dag daarvoor. Voorzover ik mij herinner deden  zich daarbij geen bijzonderheden voor. Een groot deel van het personeel maakte  nog steeds gebruik van de eigen rijwielen.  
In  Angers aangekomen kwamen wij terecht in een kazerne van de  Franse Genie. Het  zag er daar heel wat beter uit en we kregen er  bovendien warm te eten. De  eerste behoorlijke warme maaltijd  sinds zaterdag. We konden daar ook goed  slapen en ik herinner mij dat wij 's morgens bij het vertrek onze veldfles  gevuld kregen met koffie  waarin een behoorlijke hoeveelheid cognac was gedaan.  
Op  deze vrijdag kwamen wij rijdend in hoofdzakelijk westelijke  richting en als het  ware de loop van de rivier de Loire stroomafwaarts volgend in Vertou, doel van  de reis. Wij waren nu niet ver meer van Nantes, welke stad wij echter niet zijn  ingegaan. Kwartier kregen wij o.a. in een school en de volgende dag schreef ik  een kort bericht naar mijn verloofde. Via het Rode Kruis. De  Fransen verleenden  hun medewerking voor de verzending. Van  hogerhand werd het verzenden van zulk  een bericht beslist niet aanbevolen. Men vermoedde dat de Duitse bezetter in  Nederland op één of andere wijze wraak zou nemen op personen die dergelijke  berichten ontvingen. Het was daarom, dat lang niet allen van de geboden  gelegenheid gebruik maakten.
Hier  in Vertou herinner ik mij dat enkele van onze marechaussees werden gestraft met  licht arrest voor één of ander licht vergrijp. Wat het was weet ik niet meer,  wel dat ik op de meegevoerde straflijst van betrokkenen de straf heb moeten  inschrijven. Ook weet ik nog dat ter plaatse aan boeren uit de omgeving de  harnachementen welke nog steeds door ons waren meegevoerd werden weggegeven. Die  waren er goed mee en ons bezorgde het weer ruimte op de voertuigen.
Het  bleek al spoedig dat het doel waarvoor wij zover zuidwaarts waren getrokken niet  meer bestond. Er waren voor ons geen bewakingsdiensten op een vliegveld te  verrichten. Daarom zouden wij weer noordwaarts moeten trekken en werd ons  verteld dat het de bedoeling was naar Engeland te gaan indien daartoe  gelegenheid zou bestaan. Met de oorlogvoering ging het voor de geallieerden  verre van goed dat was ons intussen wel heel duidelijk geworden.
De  zondag werd in rust doorgebracht zover dat mogelijk was. Met mijn  brigadecommandant en nog enkele andere mensen van de brigade Den Bosch maakten  wij een wandeling in de omgeving en ik weet dat wij daarbij op een bepaald  moment de rivier de Loire te zien kregen liggend vrij diep beneden ons. De  gehouden rust deed ons bepaald goed.
Op  maandag 27 mei ging het inderdaad in noordelijke richting terug. Richting vijand  zou men hebben kunnen zeggen. Zo werd het echter niet ervaren al kwamen wij soms  wel terecht in gemotoriseerde militaire colonnes welke in dezelfde richting  gingen als wij. Dat was weer eens wat anders. Onze tocht bracht ons deze dag tot  Laval, waar werd overnacht in een gebouw, waarschijnlijk geen militair gebouw.  Ik kan mij van deze dag herinneren dat wij gedurende duisternis reden en moesten  stoppen voor een eenvoudige wegversperring gemaakt van met zand gevulde metalen  vaten, waartussen weer planken waren geplaatst. Wij openden onze portierramen en  werden aangesproken door met jachtgeweren gewapende mannen gekleed in burger.  Onze achter in de wagen gezeten districtscommandant beging hierbij de tot op  heden voor mij onbegrijpelijke vergissing hierop in het Duits te antwoorden.  Onmiddellijk werd de loop van een dubbelloops jachtgeweer aan mijn zijde naar  binnen gestoken en werd door de man daarachter in rap Frans gesproken met  verheffing van stem. Op het horen van het Duits van onze baas was ik niet weinig  geschrokken. Men begrijpt dat hier het één en ander moest worden rechtgezet. Het  was uitstappen geblazen. Nu had onze kapitein in het Duits gezegd dat wij  Hollanders waren en tot de Nederlandse weermacht behoorden. Het was gelukkig  verstaan door de man aan mijn kant. Het bleek dat hij uit Elzas-Lotharingen  afkomstig was en Duits verstond en kon spreken. Nog altijd geloof ik dat we het  daaraan te danken hebben gehad dat er geen ongelukken gebeurden. Hoe dan ook, we  kregen vergunning onze weg te vervolgen.
Na de  overnachting in Laval ging het de volgende morgen weer verder in noordelijke  richting en kwamen wij via Caen in het stadje Douvres, waartoe ook het  aangebouwde La Délivrande en het iets er vanaf gelegen Cresserons behoorden.   Niemand van ons kon toen bevroeden dat juist deze landstreek slechts enkele  jaren later het toneel zou worden voor de grootste  militaire operatie van alle  tijden. Ruim zeventig man van het ons daar toen samengetrokken personeel zou  vier jaar later weer een aantal dagen in deze streken vertoeven, nu dienend in  het verband van de geallieerde strijdmacht ingezet voor de bevrijding van  West-Europa.  
Daar  in en om Douvres verbleven wij tot zondag 9 juni op welke dag wij vertrokken  met bestemming Brest, om vandaar per schip  over te steken naar Engeland.   Zonder daarbij steeds de juiste data te kunnen vermelden zal ik  weergeven wat  ik mij herinner van het verblijf in dit deel van  Normandië.
 Kasteel in Cresserons

Allereerst was het zo dat ons personeel werd gelegerd gedeeltelijk in La  Délivrande en voor een ander deel in Cresserons. Zelf kwam ik terecht in  Cresserons en wel in een kasteel ingericht als vakantiekolonie of beter gezegd  in de aanbouwing daarvan. In het kasteel zelf verbleven Spaanse kinderen die  daar terecht waren gekomen als gevolg van de burgeroorlog in dat land. We gingen  er ons eigenlijk ongewild voor een meer of minder lang verblijf inrichten in  afwachting van scheepsgelegenheid. Vanwaar wij t.z.t. zouden oversteken was toen  nog onbekend. Voor de hand lag dat het zou zijn van Cherbourg. Onze  divisiecommandant was steeds in de weer om één en ander geregeld te krijgen en  daarom veel op reis. Het dagelijkse doen en laten ging alweer een beetje  gelijken op het kazerneleven. Vrijheid van beweging hadden wij van stond af aan  niet. Later kwam dat echter wel, zij het in beperkte mate.
Wij  gingen zelf koken en zelfs een varken slachten. Onder ons was een vroegere  slager en iemand die in militaire dienst kok was geweest. Zo kwam dat alles bij  stukjes en beetjes op gang. Zelfs hadden wij de beschikking over een eetzaaltje.  Ook de legering was redelijk. Er was tevens gelegenheid wat geld te wisselen,  want wij behoefden aanvulling van eenvoudige dingen welke wij altijd zelf hadden  aangeschaft. Denk b.v. aan schoensmeer, tandpasta etc. Ik herinner mij stopwol  voor mijn sokken te hebben willen kopen en daarbij grote moeite te hebben  ondervonden om dat aan de winkelierster duidelijk te maken. Ook gingen wij aan  de was. Onze onderkleding had wel een beurtje nodig. Zelfs werd op zeer  bescheiden wijze gestart met het geven van Engelse les. Aangezien tot datgene  wat wij meevoerden ook een aantal schrijfmachines behoorden, waren wij in staat  middels carbon het lesmateriaal te vermenigvuldigen. Gezeten onder een aantal  oude bomen op het terrein van het kasteel kregen wij les van onze kapitein  districtscommandant. Zo leerden wij dat er in een Engelse Shilling 10 penny’s  zouden gaan. Vanuit mijn schooljaren meende ik mij te herinneren dat een  shilling 12 penny’s telde. Bescheiden bracht ik dat naar voren, waarop ik prompt  de vraag kreeg of ik wel eens in Engeland was geweest. Neen, dan ook niet zoiets  beter willen weten. Daar kon ik het mee doen. Later in Engeland kreeg ik nog  eens de gelegenheid daar fijntjes op terug te komen.
Op  vrijdag 31 mei woonden sommigen van ons in een Rooms Katholieke kerk in La  Délivrande een kerkdienst bij. Er werd gebeden voor de gevangenen, het  zielenheil van de gesneuvelden en het winnen van de oorlog. In de kerk waren  deputaties van oud-strijderorganisaties, allen met hun vaandel. Iets dat ons  vreemd aandeed.
Luc sur Mer

De  volgende dag kregen wij permissie ons naar Luc sur Mer te begeven. Dat ging per  rijwiel. Luc ligt aan de Seine baai en is een badplaatsje. Heel deze noordkust  van Normandië is in feite badplaats. Het weer was mooi in de dagen dat wij er  waren en wij konden volop zwemmen. De kiezelstranden waren hier en daar bedekt  met aangespoelde stookolie afkomstig van tot zinken gebrachte schepen op zee.  Ten noorden van ons hoorden wij gedurende deze dagen zeer vaak het dreunen van  zwaar geschut. Immers van 29 mei t/m 2 juni vond het drama van de evacuatie van  Duinkerken plaats. Het voltrok zich daar buiten onze waarneming en terwijl wij  min of meer als badgasten aan de kust verkeerden. Grillig lot van de mens in  oorlogstijd.
In de  kerk "La Temple Protestant" te Cresserons werd door opperwachtmeester-brigadecommandant A. Meulenberg uit het district Valkenswaard in deze periode  enkele malen godsdienstoefeningen geleid, waarin hij zelf voorging. Op 6 juni heb  ik één van deze bijeenkomsten bijgewoond. Wij zongen uit Psalm 138, 103, 42 en  Gezang 27. Gelezen werd uit Psalm 27. De opper vond een aandachtig gehoor en ik  weet wel dat de samenkomst menigeen goed deed.
Kerk in Cresserons

Onder  ons waren een aantal mensen die in Nederland, mogelijk als gevolg van de  onregelmatige diensten, lijdend aan hun maag waren geworden. Nu in deze dagen en  een afwijkende niet overvloedige voeding gebruikend, hadden deze patiënten  minder klachten op dat punt. Dat was opmerkelijk en ik heb hierover later ook  wel eens soortgelijke verhalen gehoord uit de tijd dat er in  Nederland weinig  voedsel was.  Enkele van de oudsten onder ons die hier in de "Colonie de  Vacances" waren gelegerd kregen nu kennelijk te kampen met de  reacties op  hetgeen wij de voorgaande weken hadden  meegemaakt. Zij kwamen op bed te  liggen,  Er was een heel vat rode wijn ter beschikking gekomen en daar  hebben  die zieken toen ook behoorlijk van gebruikt. Ik herinner mij  tenminste bij één  van hen op wat men zou kunnen noemen  ziekenbezoek te zijn geweest en daarbij te  hebben bemerkt dat "de  opper" geducht uit zijn veldfles had gedronken.  
De  kinderen waarvan ik eerder vertelde werden o.a. mede  verzorgd en bezig gehouden  door twee jonge Franse  onderwijzeressen. Met deze werkelijk aantrekkelijke  "Françaises"  hadden twee van onze marechaussees, het waren broers, snel   vriendschap gesloten. Zij kenden een heel klein beetje Frans. De  heren zagen  kans met behulp van aan elkaar geknoopte beddenlakens zich naar een hogere etage  te werken en op dezelfde wijze zich weer naar de begane grond te laten zakken.  De mens is vindingrijk op vele terreinen.
Wij  waren er daar ook getuige van dat de in de inrichting verblijvende kinderen de  haren moesten worden geknipt. Nu dat gebeurde zonder erg veel plichtplegingen.  Een echte Franse matrone, stevig gebouwd, zat op een stoel met rechte leuning en  een aantal kinderen dicht in haar nabijheid. Door één van de helpsters werd dan  een kind aangevat en aan de "kapster" overgegeven. Deze klemde het kind tussen  haar knieën en dan ging het roef-roef met de tondeuse over het kinderkopje.  Binnen een mum van tijd vrijwel kaal. Er werd gewerkt met de hand maar vlug.  Stijl kwam er niet aan te pas. Eenheidscoiffure. Heel zindelijk. Ja, deze  kinderen misten veel, heel veel. Gevolg van weer een ander soort oorlog.  


Divisiecommandant Den Beer Poortugael

Onze  divisiecommandant Den Beer Poortugael was intussen zeer bedrijvig om onze   overtocht naar Engeland te organiseren. Wij zouden aanvankelijk vertrekken van  Cherbourg, maar dat ging uiteindelijk niet door. Later hoorden wij dat het  desbetreffende schip een zware luchtaanval te doorstaan had gekregen. Er waren  daarbij veel slachtoffers gevallen.
De  dagen daar in Cresserons gingen vrij snel voorbij en op zondagmorgen 9 juni was  het zover dat wij weer op reis gingen. Toen wij in de vroege morgen vertrokken,  deden meer dan honderd kinderen ons uitgeleide onder het zingen van de  Marseillaise. Waarna de marechaussees spontaan ons Wilhelmus zongen. Dat was de  eerste keer buiten Nederland dat het volkslied weerklonk. De tocht voerde naar het westen. Brest de  grote Franse oorlogshaven was onze bestemming en we deden er twee dagen over om  daar te komen. In ons gezelschap bevond zich ook het personeel van het Korps   Politietroepen dat uit Nederland was uitgeweken. Onder hen  bevond zich één  adjudant-onderofficier. Een eveneens uitgeweken  reserve-eerste luitenant van de  "Gele Rijders" trad min of meer als  hun commandant op. Gegeven de  omstandigheden waarin wij ons allen bevonden trad deze officier op een  bijzonder onprettige wijze op.
Op  deze 9e juni bereikten wij Guinchamp, waar werd overnacht en wel  in de voertuigen  zover als ik mij kan herinneren. Wij trokken 's morgens eerst door een gebied  waar in de zomer van 1944 hevig zou worden gevochten voor de bevrijding van   Europa. Heel goed herinner ik mij nog vanuit de verte het voor de  noordkust  van Bretagne gelegen kleine eiland "Le Mont St.Michel"  te hebben gezien. De  daarop gelegen bezienswaardige kerk cq.  klooster is alleen te bereiken wanneer  het water laag is. Het landschap waar wij daarna door trokken was heuvelachtig  en  bosrijk. Naar Brest begaven zich ook nog andere Nederlandse militairen,  waaronder een aantal officieren die zich eveneens in de omgeving van Caen hadden  verzameld. Min of meer hun leider was een joodse Nederlandse officier van  gezondheid. Als bijzonderheid dient nog te worden vermeld dat zich bij deze  groep ook een luitenant van de militaire administratie bevond. Ik weet niet meer  precies waar in Frankrijk wij deze officier toen de duisternis reeds was  ingevallen op een avond langs de weg aantroffen. Deze officier reed toen met  instemming van onze districtscommandant verder met ons mee. De twee officieren  zaten op de achterbank, waar met moeite plaats was tussen alle andere dingen.
Deze  man van de militaire administratie had een zgn. krijgskas bij zich die hij "in  veiligheid" had weten te stellen. Sommigen van ons  kenden deze officier, zij  het uit andere omstandigheden. Hij was nl.  als ambtenaar verbonden aan het Huis  van Bewaring in Breda,  waar hij de zgn. fouillering van arrestanten in  ontvangst nam en te boek stelde wanneer deze daar door de politie werden   overgegeven voor het ondergaan van straf of anderszins.  
In de  loop van maandag 10 juni kwamen wij aan in Brest en  maakten uiteindelijk halt  op een brede aan de haven gelegen  kade. Er was daar veel Frans marinepersoneel.  De matrozen met  het bekende rode pluimpje midden op het platte hoofddeksel.  Ook Franse militairen van het leger en Engelse militairen. Daar gebruikmakend  van een noodtoilet zonder tussenschot rookte ik mijn eerste Engelse "Woodbine"  sigaret, gekregen van een naast mij zittende Engelse matroos.  
Door  ons werd zoveel als mogelijk alles in gereedheid gebracht om  de inscheping en  het inladen van onze goederen vlot te laten  verlopen. Vanzelfsprekend berustte  de leiding daarvan bij  dekofficieren van het schip waarmede de overtocht zou  worden  gemaakt. Het vaartuig bleek te zijn het Nederlandse motorschip  "Prinses  Beatrix" van de Maatschappij Zeeland, dat zojuist Franse militairen had  gedebarkeerd die hadden deelgenomen aan de expeditie naar Narvik, die niet zo  best was afgelopen.

Prinses Beatrix  komt haven binnen

Terwijl ik daar bezig was met het gereed stellen van rijwielen, welke  dan in  een zgn. hijs in het ruim van de Beatrix werden gezet en  daarbij aardig werden  "gekraakt" kwam er iemand naar mij toe en  vroeg of ik "Jol" was. Op mijn  antwoord "Ja, dat ben ik," zei die man: "dan heb je bij deze de groeten van je  vader."  Mijn verbazing bij het horen van die woorden was, zoals wel te   begrijpen, niet gering.
Hij  vertelde met mijn vader te hebben gevaren en met hun schip op 14 mei in Engeland  te zijn aangekomen. Van mijn vader had hij  vernomen dat ik bij de Koninklijke  Marechaussee diende. Nu was hij overgestapt op de "Beatrix". Bij het zien van  zoveel marechaussee personeel had hij gedacht daar zou de zoon van Arie Jol wel  eens bij kunnen zijn en had bij collega's navraag gedaan. Die hadden mij toen  aangewezen. Vanzelfsprekend nam ik mij voor na aankomst in Engeland zo spoedig  mogelijk te trachten met mijn vader in contact te komen.
In de  avond van 10 juni om goed tien uur ontmeerde ons schip en ging het langzaam in  de richting van open zee oftewel het Engelse kanaal. Wij hadden zeer strenge  orders om op geen enkele wijze ook maar enig licht te tonen. Eén van onze  officieren beijverde zich in het bijzonder dat duidelijk te maken. Hij bedreigde  ons als het ware met doodschieten indien de order niet werd opgevolgd. Het weer  was prachtig en ware het geen oorlog geweest dan zou zo'n overtocht een mooi  stukje vakantie zijn geweest. Nu was het dat beslist niet en het gevaar waar wij  ons in bevonden was echt. Ons oudere personeel had slaapplaatsen in kooien  aangewezen gekregen, maar zij maakten er vrijwel geen gebruik van als gevolg van  het dreigende gevaar. Jongeren die wel durfden te gaan slapen mochten van hun  bedden evenwel geen gebruik maken. Ja, zo gaat dat dan. Ons schip dat niet in  konvooi voer werd toch begeleid en wel door twee Franse torpedojagers. Het was  een mooi gezicht om die slanke schepen op hoge snelheid rond ons te zien  cirkelen. Het was niet zo heel erg donker en daardoor gevaarlijker. Éénmaal aan  de duisternis gewend zie je dan nog heel wat. Verreweg de meeste tijd van de  overtocht heb ik mede daarom bovendeks doorgebracht.  
Op  een gegeven moment waren wij in de gemeenschappelijke  passagiersruimte in het  voorschip en zaten daar met een paar mensen op de banken te praten, toen het  schip heel scherp  overhelde. Eén van ons, een jonge wachtmeester en zoon van  een Vlissingse loods, wel met de vaart bekend riep: "We worden  getorpedeerd."  Dat gaf paniek. We renden naar de trap en hup  naar boven aan dek. Niets in de  weg. Het schip liep op hoge snelheid in een rechte koers. Het overhellen was het  gevolg van  een koerswijziging geweest. Op het achterdek staande kwam in de  nacht mijn  districtscommandant naast mij staan en vroeg aan mij wat die   oorlogsschepen eigenlijk bij ons deden. In zijn gezelschap waren  nog een paar  officieren. Hij zei: "Jij weet toch veel van de zee?" Het gezelschap was in een  min of meer vrolijke stemming en opvallend spraakzaam. Netjes gaf ik uitleg van  wat ik van de scheepsbewegingen dacht. Wat ik verder toen dacht hield ik voor  mij.
Ik  herinner mij dat de aanblik van de zee bij het aanbreken van de dag grote  indruk op mij maakte. Ondanks dat ik moe was werkten  mijn gedachten op volle  toeren.
Wat  zou de toekomst brengen? Het was alsof het voorlopig onherroepelijke nu pas goed  begon door te dringen.
Bij  het rondkijken tegen het licht worden, zag ik ook iets dat ik wei bijzonder  overdreven vond en ik niet alleen. Wat was het geval: Op het zgn. kompasdek,  eigenlijk het dak van het stuurhuis van ons schip zat een overste van het  Nederlandse leger. Hij had een zwemvest aan. Niets tegen voorzorg, maar zo hoog  gaan om zodoende langer droog te blijven, maar mogelijk toch te verdrinken mocht  het verkeerd gaan, was van deze man in dit gezelschap ronduit verkeerd. Slecht  voorbeeld.
In  deze nacht van de overtocht bereikte ons het bericht dat Italië de oorlog had  verklaard aan Frankrijk en dit land was binnengevallen.

Eddystone vuurtoren

Het  mankeerde ons schip niet aan vrijwillige uitkijken. Heel veel paren ogen hielden  voortdurend de omgeving in de gaten geheel los van de officieel door de  scheepsleiding geplaatste "uitkijken", die met zeekijkers in de weer waren. Zo  rondom kijkend zag ik over bakboordsboeg een verheffing op de kim. Op mij maakte  het beslist niet de indruk van een vaartuig te zijn. Nadenkend maakte ik voor  mezelf uit dat het een vuurtoren moest zijn en wel één niet gebouwd op de vaste  wal. Onderweg was bekend geworden dat Plymouth onze haven van bestemming was en  zo kwam ik tot de slotsom dat deze vuurtoren wel de "Eddystone" zou zijn. Bij  navraag bleek dat zo te zijn. Er kwam nu ook duidelijk land in zicht, niet zo  laag als bij ons. Op vrij korte afstand passeerden wij een grijs geverfde kleine  Engelse trawler. Duidelijk was de bescheiden bewapening te zien en de beschermde  brug liet eigenlijk zo op het oog alleen maar een paar kijkgaatjes vrij. Het  schip behoorde tot de voorposten.
Bij  het binnenvaren van de baai van Plymouth zagen wij meerdere oorlogsschepen voor  anker. Ik moest bij het zien van de vele schepen eraan denken dat enige eeuwen  tevoren vanuit die baai de "Pelgrim Fathers", de eigenlijke blanke pioniers van  Noord-Amerika, naar de Nieuwe Wereld waren gezeild. Voor overpeinzingen was er  nu echter weinig tijd. Ons schip werd eveneens in de baai ten anker gebracht en  de mare ging dat wij alvorens te worden ontscheept eerst een maaltijd zouden  krijgen. Nu dat gebeurde ook al duurde het wel even voor het zover was. Wel was  er snel een barkas van de Engelse Marine bij ons langszij gekomen waaruit  geüniformeerde personen kwamen die zich naar de brug van het schip spoedden.
Kort  daarna werd ons medegedeeld dat wij als bewijs dat wij nu aan Engelse zijde  zouden gaan meestrijden tegen de vijand de zgn. "Kings Shilling" zouden  ontvangen. De Engelsen lieten er blijkbaar geen gras over groeien om ons als het  ware te "kopen". Het is een traditie in Engeland en wij weten dat dit land heel  rijk aan tradities is.

Een oude Kings Shilling

Intussen kregen wij toch nog gelegenheid goed alles van de omgeving in ons op te  nemen. De baai en het omliggende landschap zijn mooi. Voor liefhebbers van zee  en scheepvaart in één woord prachtig. Het duurde niet lang of de shilling waar  ik over vertelde werd werkelijk uitbetaald, zij het dat het niet steeds in  gepast geld was. Het was het eerste Engelse geld dat wij in handen kregen en er  moest nogal gewisseld worden ook met de bemanningsleden van het schip. Voor ons  was het een uitermate leerzame praktische les in het omgaan met de Engelse  munten. Op den duur had wel zo ongeveer een ieder zijn shilling te pakken, al  bleken er enkelen die hem tegoed hielden van collega's.
De  ons beloofde maaltijd bleek een warme te zijn. Alles werd aangevoerd in gamellen  door een barkas van de Marine en was eveneens aan boord van een oorlogsschip  bereid. Daar maakten wij voor het eerst kennis met het Engelse begrip "queue".  Het vormen van een rij in de lengte en geduldig wachten op wat dan ook.
Bij  het vormen van een queue  om aan onze eerste Engelse maaltijd te komen wandelden wij voetje voor voetje  bijna driemaal de lengte van het schip. Wij hadden honger, dat terzijde, het was  ook goed klaar gemaakt. Een traktatie en daarmee is niets teveel gezegd. Nog  dezelfde dag werd de "Beatrix" voor de wal gebracht nadat wij voor anker waren  gegaan. Dat wij vrij gauw gebeurd en toen wij goed en wel vast lagen werd direct  begonnen met het lossen van onze rijwielen en andere goederen. In de  onmiddellijke nabijheid van de kade waaraan het schip gemeerd was stonden  goederenwagons en daarop laadden wij het meest van hetgeen uit het ruim kwam.  Ook personenrijtuigen werden voorgereden en 's avonds om tien uur was het zover  dat wij uit Plymouth vertrokken. Enkele van onze mensen bleven echter achter ter  bewaking van hetgeen niet werd mee gevoerd. Onder hen was een marechaussee die  ter plaatse kennis kreeg aan een Engels meisje toen werkzaam in een wasserij  nabij de haven. Zij werden later een paar en hij werd vrij spoedig nadat wij in  Engeland waren aangekomen ontslagen uit het militaire verband. Dit op grond van  zijn uitstekende algemene opleiding welke hij in feite bij ons nooit had kunnen  ontplooien. Zijn nieuwe overheidsbetrekking bracht hem later in heel veel  landen.
Wij  wisten niet waarheen de trein ons brengen zou. Ik weet nog dat de eerste stop  die wij maakten op het station Exeter was. Er waren daar dames die thee en een  soort krentenbollen en bonbons of zo zij zeiden "sweets" aanboden. Direct ging  het gerucht "niets aannemen want het kan vergiftigd zijn". Dat was  waarschijnlijk nog een overblijfsel van de vele geruchten die wij bij onze  omzwervingen op het vaste land van Europa hadden gehoord. Er waren gelukkig maar  weinigen die zich onthielden van het aanvaarden van datgene wat met zoveel  genegenheid werd aangeboden. Ik weet wel dat ik ervan gegeten en gedronken heb  en het smaakte best. Hierna ben ik in slaap gevallen en pas wakker geworden toen  wij op de plaats van bestemming stil stonden. Hoewel wij niet aanstonds wisten  waar bij waren, kwamen wij daar snel genoeg achter. Het station heette Porthcawl  en het was een echte badplaats gelegen in Zuid-Wales aan de noordelijke oever  van het Bristol Kanaal. Bij de zeeman ook bekend als "het verkeerde kanaal",  omdat vroeger hoofdzakelijk zeilschepen in bijzondere omstandigheden, komend van  de Atlantische Oceaan, bij het aanlopen van het Engelse Kanaal teveel noord  kwamen en dan in het Bristol Kanaal verdaagden, waar zij zich hun fout bemerkend  en afhankelijk zijnde van wind en stroom niet zo snel weer uit konden werken.

   
Station in Porthcawl
Wij  arriveerden in Porthcawl 's morgens om zes uur op woensdag 12 juni. Onze wapenen  waren ingenomen, doch het heeft niet lang geduurd  of wij ontvingen deze terug.  Veel later weer werden wij, de één  vroeger de ander later, van Engelse wapenen  voorzien.  Zo marcheerden wij in de vroege morgen naar een tentenkamp dat  was  gesitueerd op een glooiend terrein met uitzicht op het Bristol Kanaal.  Hier en  daar zagen wij bewoners vanachter de ramen en langs terzijde geschoven  gordijntjes naar ons kijken. Later hoorden wij  dat sommigen hadden gedacht dat  het de Duitsers waren. Onze zwarte schoenen en beenkappen met daarbij de  rijbroeken welke wij droegen, hadden daaraan medegewerkt.
Het  weer was bijzonder mooi en is dat wekenlang gebleven. Voorlopig leek het op  vakantie in de buitenlucht. Het kamp was  geheel afgezet met prikkeldraad. Of  het nu was om een eventuele  vijand te weren of ons in toom te houden, zullen wij  nooit met zekerheid weten. Zelf houd ik het erop dat het was om ons te beletten overal heen te zwerven. Regelmatig eten en drinken kwam van stonde af  aan behoorlijk op gang. Met mij zullen er meer zijn die zich nu nog herinneren  hoe fijn de goudgele thee smaakte. Geschonken in een echt grote metalen kom  zonder oor. Daarbij een sherrypie in een kartonnen doosje. Ik zie onze kok Aart,  afkomstig van één van de Zuid-Hollandse eilanden nog staan. Glunderend dat hij  zoveel goeds kon uitdelen.
©  S.A.M. Jol
 
Zoeken
Copyright 2016. All rights reserved.
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu