Vlucht NL-leger uit Brabant - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Vlucht NL-leger uit Brabant

Mei-juni 1940


Na een vijfdaagse strijd capituleerde op 14 mei 1940 de Nederlandse krijgsmacht. Generaal Winkelman, de opperbevelhebber van Land en Zeemacht, was er vanuit gegaan dat de strijd enige weken lang volgehouden zou kunnen worden. Er waren dan ook geen evacuatieplannen voor de Koninklijke Landmacht voorbereid.

De militairen die tijdens de Duitse opmars uit handen van de vijand wisten te blijven, verloren soms onderling contact. De beslissing al dan niet te proberen Engeland te bereiken, werd dan ook vaak door commandanten van kleinere groepen of zelfs individueel genomen. Andere militairen en zelfs burgers hadden geen keus. Dit gold onder andere voor de  17 militairen die de verscheping van 1000 Duitse krijgsgevangenen vanuit IJmuiden naar Engeland begeleidden. Eenmaal in Engeland aangekomen, ontdekten zij dat er geen weg meer terug was.

Hoe verging het de  troepen beneden de grote rivieren? Het bataljon  (11-27 R.I.) trok zich in de nacht van 10 op 11 mei 1940 vanuit de Peel-Raamstelling  ten oosten van Deurne terug, om bij Aarle-Rixtel, waar de Zuid-Willemsvaart en het Wilhelminakanaal bij elkaar komen, een nieuwe stelling in te nemen. Het bataljon werd 11 mei  1940, door gevechtshandelingen uit elkaar  geslagen. Uiteindelijk wist een vaandrig (de hoogste in rang) met  enige honderden militairen van allerlei  onderdelen Walcheren te bereiken. Hier kreeg hij op 15 mei 1940 de opdracht een aantal pistooldragenden (voornamelijk mortieristen) naar Zeeuws-Vlaanderen te brengen. 's Nachts stak men met de veerboot van Vlissingen naar Breskens over. Ze hadden geluk, want op zijn volgende tocht werd de veerboot gebombardeerd en zonk.

Lees hier het  uitgebreide verslag van kapitein Zouteriks van het bataljon 11-17 R.I. dat ook  in de Peel-Raamstelling actief was.

Lees hier een terugblik van 20e Regiment artillerie bij Oploo

Tussen 13 en 15 mei werden verdreven, ongeformeerde troepen uit de Peellinie met vissersschepen uit Walcheren en Zuid-Beveland overgezet naar Terneuzen.
Ook nieuw geformeerde troepen die uit Antwerpen op de terugtocht waren, werden naar Oost-Zeeuws-Vlaanderen gedirigeerd. Naar Hulst kwamen o.m. de wielrijders en het voetvolk. Ook de 1e en 2e Divisie van de Marechausees, onder commando van majoor Den Beer Poortugael, kwamen op de late avond van 12 mei in Hulst aan. Twee dagen later werd die groep gesplitst: de 1e afdeling vestigde haar commandopost in Oostburg en de 2e afdeling in Sas van Gent. De manschappen werden gelegerd in Terneuzen.
De Marechaussee hield zich bezig om Zeeuw-Vlaanderen van verdachte elementen te zuiveren. De andere troepen kregen bewakingstaken.

's Avonds 17 mei  1940 was het onheilspellend stil - geen geluid van mitrailleurvuur, geen geluid van ontploffende bommen, enz. - geen enkel geluid. De Overste Sicherer deelde toen mee dat de strijd in Zeeland ten einde was en dat iedereen binnen niet al te lange tijd krijgsgevangen zouden worden gemaakt. Volgens de grondwet  hadden de commandanten niet de bevoegdheid om Nederlandse militairen naar vreemd grondgebied te dirigeren. Hierdoor mochten ze zich niet aansluiten bij de terugtrekkende Fransen en Belgische troepen, die Nederland  te hulp waren gekomen.

Klik hier voorbeelden van gevechten bij Vlissingen en overtocht naar Engeland.

Een groot aantal Nederlandse militairen nam toen, op eigen initiatief, het besluit om te vertrekken uit Nederland. Fietsen werden gevorderd en die nacht vertrokken ze uit Zeeuw-Vlaanderen om 's ochtends vroeg 18 mei 1940 in Oostende aan te komen. Daar was op dat moment ook de P.A.G.-colonne (pantserafweergeschut) van 27 RI met de vaandrigs Van Kampen, Gerlach en Christiaanse. Omdat ze elkaar goed kenden, mochten ze met hen verder mee; de fietsen lieten ze in Oostende achter. Zij wisten net voor Duinkerken langs te komen. Hier zaten zij midden in het zware bombardement van Abbeville en werden uiteindelijk naar Caen (Normandië) gedirigeerd. Hier verzamelden zich uiteindelijk ruim 1000 Nederlandse militairen. Het commando werd gevoerd door Overste Koch, een militaire arts.

Klik hier voor appéllijst van het detachement van kapitein M. Niterink, nabij de Zuid-Willemsvaart

Tot 8 juni bracht deze grote groep nabij Caen de tijd door met o.a  zwemmen en het volgen van Engelse les. Toen kwam het bericht dat men zich naar Brest moest begeven om  te worden ingescheept naar Engeland. Uiteindelijk bereikte de colonne pas op 10 juni die stad, in het uiterste westen van Bretagne. Men reed vrijwel direct de pier op in de 'Port Commercial'. Hier bevonden zich al enkele honderden Nederlandse militairen met hun voertuigen die zich op soortgelijke wijze aan de greep van de Duitsers hadden onttrokken. In het midden van de kade stond een groot gebouw met aan weerszijden nog voldoende kaderuimte om te parkeren. Hieraan lag de lichtgrijze MS 'Prinses Beatrix', van de maatschappij Zeeland, met de boeg naar voren. De walkranen begonnen meteen met netten de tientallen personenwagens en motoren te laden. Al snel bleek er geen plaats meer was voor de bussen en vrachtwagens. De bestuurders werd de keus gegeven om achter te  blijven met hun voertuigen of gewoon weg te rijden.....of hun voertuigen weg te zetten en als passagiers aan boord te komen.
Aan boord kregen ze een warme maaltijd, maar moesten daarvoor drie dekken op en neer om het eten uit de kombuis te halen.

Aankomst Prinses Beatrix in Plymouth. Al gearriveerde Marechaussees kijken toe.

'We waren meegetroggeld door de blauwen, die nu met  zijn allen aan boord gingen om voor de Moffen te vluchten. De chauffeurs met  hun gevorderde auto's/bussen lieten ze in de steek en moesten maar voor  zichzelf zorgen....'    
 
''Het viel me meteen op dat elektrische kabels rond het  gehele schip waren aangebracht, tegen eventuele magnetische mijnen.'

'We mochten aan boord niet roken en ook mochten we op geen  enkele wijze licht maken.'

'Verschillende passagiers gooiden vanaf het schip  francbiljetten en munten richting de kade. Veelal raakte het 'tussen het wal en  het schip'.'

'Toen de Beatrix enkele mijlen onderweg was, bereikte  ons het bericht dat Italië de oorlog had verklaard aan Engeland en Frankrijk. We  hadden er weer een vijand bij...'

'Boven Brest stegen zwarte rookwolken op en trokken een  gordijn over de brandende stad. Boven het bruisen van het kielzog klonken de  dreunen van de inslaande granaten. De Duitsers hadden de stad bereikt.'

'Wij  hadden zeer strenge orders om op geen enkele wijze ook maar enig licht te tonen.  Eén van onze officieren beijverde zich in het bijzonder dat duidelijk te maken.  Hij bedreigde ons als het ware met doodschieten indien de order niet werd  opgevolgd.'

'Ons oudere personeel had slaapplaatsen in kooien aangewezen gekregen, maar zij  maakten er vrijwel geen gebruik van als gevolg van het dreigende gevaar.  Jongeren die wel durfden te gaan slapen mochten van hun bedden evenwel geen  gebruik maken. Ja, zo gaat dat dan. ...'

Deze 'passagiers' in Brest maakten het leeuwendeel uit van de troepen die in Engeland arriveerden. Op 11 juni kwamen 43 officieren en 830 onderofficieren en manschappen met de MS 'Prinses Beatrix' in Plymouth aan. Nadat de boot hier aan de wal lag, mocht er niemand af. Er moesten aan boord eerst nog drie maaltijden worden gebruikt en pas om 21.00 uur stapte men in de trein met onbekende bestemming. Ze stopten nog even rond 12.00 uur in Exeter, waar iedereen op belegde broodjes en krentenbollen werden getrakteerd. De hele nacht reed men door en om 6.30 uur de volgende morgen bereikte men het station te Porthcawl in Zuid-Wales. Hier verwelkomde Luitenant- Kolonel Noothoven van Goor in gezelschap van enkele officieren op een donker stationnetje, de eerste uitgeputte en vervuilde manschappen.
'Zo marcheerden wij in de vroege morgen naar een tentenkamp dat was  gesitueerd op een glooiend terrein met uitzicht op het Bristol Kanaal. Hier en  daar zagen wij bewoners vanachter de ramen en langs terzijde geschoven  gordijntjes naar ons kijken. Later hoorden wij dat sommigen hadden gedacht dat  wij Duitsers waren. Onze zwarte schoenen en beenkappen met daarbij de  rijbroeken welke wij droegen, hadden daaraan medegewerkt. '

                                                                            Station Porthcawl
Terug naar de inhoud