Zeeland

De door doden, gewonden en zieken uitgedunde Brigade werd op
16 november naar de Zeeuwse Eilanden gestuurd. Bij haar komst trof zij
Walcheren voor het grootste deel onder water aan, als gevolg van geallieerde
luchtbombardementen op de dijken. De bewoners, voor zover niet geëvacueerd, waren samengedrongen op droog gebleven plaatsen. In Middelburg
stond een deel van de stad onder water en waren veel gebouwen verwoest. Ook
Vlissingen was zwaar gehavend, evenals veel stadjes op Zuid-Beveland.
Nabij
Middelburg
De Zeeuwse eilanden lagen nog steeds in de frontlijn. Hierbij
kwam nog dat het gebruik van de haven van Antwerpen van levensbelang was voor de
geallieerde oorlogsvoering. Vandaar dat de eilanden nog steeds belangrijk waren
voor de Duitsers, als zij de macht over de Scheldemond weer wilden herstellen.

Het
ondergelopen Domburg per 'duck'
De Brigade kreeg als taak op beide eilanden de kuststrook
te bewaken en te verdedigen tegen eventuele Duitse aanvallen. Gevechtsgroep 1 werd in Middelburg
gelegerd in de H.B.S. Gevechtsgroep II bezette Veere, van waaruit secties werden
geplaatst in Sloedam en Vrouwenpolder. Gevechtsgroep III lag in Zuid-Beveland
in Oostdijk, net buiten Wolfaartsdijk,
aan de Veerweg bij de
boerderij met de naam "Hof Bijster"van
familie Driedijk.
Gevechtgroep
III bij Oostdijk
De Artillerie lag in twee rijnaken in
Arnemuiden. De staf zat in Goes, de Trein en Herstellingsafdeling in
Nieuw Borgvliet, nabij Bergen op
Zoom. De aanvullingstroepen verbleven nog steeds in Deurne.
De Recce kwam terecht in Noord-Beveland. Ze stond onder bevel
van 52e Verkenningsafdeling o.l.v. Luit. kol. Hankey. Via Kortgene werd zij
gelegerd rondom Colijnsplaat. De bevolking werd gevraagd om de Irene-mannen in te
kwartieren. De soldaten waren royaal met wit brood, scheepsbeschuit, blikjes
vlees en boter. Het front lag hier even ten noorden
van dit dorpje, want
Schouwen-Duiveland was nog steeds in Duitse (eigenlijk Armeense) handen. Overdag
plaatste zij een drietal waarnemingsposten aan de kust. Langs de dijk stonden
kleine stenen gebouwtjes van Rijkswaterstaat. die in koude nachten door de
patrouilles werden gebruikt als schuilplaats. Het waren lange weken van
onafgebroken wachtlopen.
'We lagen achter de dijk en het geweervuur
kwam van de andere zijde. Ondanks onze waarschuwingen stak de 'luit' zijn hoofd
boven de dijk om zich met een verrekijker van de situatie op de hoogte te stellen en het was meteen
gebeurd met hem. Een (toevals-)treffer trof hem in zijn hoofd.....'

Ltn.
I. Havelaar
In de nacht van 24 op 25 november vond de eerste
noemenswaardige actie plaats. Een Duitse patrouille van zesentwintig man sterk, landde die
nacht op een verkeerde plaats op de kust van Noord-Beveland, met de opdracht bepaalde
waterwerken op te blazen. Ze gingen naar de dichtstbijzijnde boerderij toe en knevelden de boer
en de boerin. Tevens stalen ze een boerenkar en laadden die vol met hun
meegenomen explosieven. Een boerenknecht en een evacué, die hiervan getuige
waren, ontvluchtten ongemerkt de boerderij van de familie De Regt en waarschuwden de Recce in
Colijnsplaat. Deze waren gelegerd in de hotels Zeelandia en Patrijs. Na wat twijfel stuurde Kapitein Immink luitenant Havelaar met twee carriers er naartoe. Bij
een nabij gelegen afwateringssluis kwam het tot een enorm vuurgevecht, waarbij I.Havelaar
sneuvelde. Hierna gaven de Duitsers, waarvan de commandant was
gedood, zich over.
Bij de verhoren van deze krijgsgevangenen werd duidelijk hoe
groot de ramp had kunnen zijn als hun opzet zou zijn geslaagd. Met de grote
hoeveelheden springstof moest een afwateringssluis opgeblazen worden,
waardoor grote delen van het eiland onder water zouden komen te staan. Maar ook was het de
bedoeling dat de mannelijke bevolking van Colijnsplaat moesten worden samengedreven in de Nederlands-Hervormde Kerk, om die vervolgens op te blazen.
Lees
hier het
getuigenverslag van dhr. Hemmes
Bij de Engelsen was grote waardering voor de actie van de
Nederlandse Recce. De commandant van de 156ste Brigade (52 Lowland Division)
schreef daarom in een brief aan de commandant van de 52ste Verkennings
Afdeling:
"I would like to express to all concerned my appreciation of the very
smart piece of work of roun-ding up the enemy raiding party which landed in
North Beveland on the 25th November 1944.
In particular I would like to congratulate the Recce Sqn of the Netherlands
Brigade in playing a major part in frustating an enemy attempt to a part of
liberated Holland."
C. Barclay, Brg. Comd.
156 Inf. Bde."
Op 29 november bezocht de Minister-president de Brigade.

Gedurende de maanden november en
december werden de diverse onderdelen van de brigade met enige regelmaat
verplaatst. Een belangrijke wisseling was het vertrek van de 52ste Lowland
divisie op 27 november, waarbij haar taak werd overgenomen door Nr 4 Commando.
Daardoor viel de Irene Brigade vanaf dat moment onder hun bevel. Halverwege
december was de Brigade na alle verplaatsingen als volgt gesitueerd: De Staf te Middelburg, Gevechtsgroep 1 te Middelburg en Vlissingen,
Gevechtsgroep II op de noordpunt van Walcheren, waar zij de opdracht kregen de
kust te verdedigen tegen eventuele vijandelijke landingen. Gevechtsgroep III op Zuid-Beveland
bij het Kanaal door Zuid-Beveland en de
noordkust,
Verkenningsafdeling en Artillerie op Noord-Beveland en de Trein en Herstellingsafdeling verbleef in Bergen op
Zoom.
'Enkele bevoorradingsschepen waren op
Duitse zeemijnen gevaren en de lading die bestond uit honderden blikken
verrijkte melkpoeder spoelde aan op het strand. Hans van Dam (GG III)
bleek een meester flensjesbakker te zijn. Binnen de kortste tijd waren we kilo's
aangekomen.'

Patrouille
bij Vrouwenpolder
Bij het inrichten van
de bewakingsposten werd dankbaar gebruik gemaakt van de oude Duitse
versterkingen die deel hadden uitgemaakt van de Atlantikwall. Men bezette vier
posten over een afstand van vijf kilometer tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle.
Elke post bestond uit een officier en tien manschappen.
'Met de boeren in Vrouwenpolder ruilden we
onze vierkante, vaste wittebroden tegen verse tarwebroden. Wij waren blij iets
anders te eten en zij waren nieuwsgierig naar dat bijna exotische brood van
ons.'
Irenemannen bij Duitse bunkers op Walcheren De zgn. Dukw
Gevechtsgroep II, die op Walcheren door het water was geïsoleerd, versterkte haar stellingen zo goed mogelijk door gebruik te maken
van mijnen en buitgemaakte Duitse mitrailleurs. Op 15 december kreeg zij ook de
beschikking over enkele amfibievaartuigen (dukw).
1-persoons
Biber duikboot
2-persoons
Seehund duikboot met torpedo
Net voor kerst 1944 waren een- en tweepersoonsonderzeeboten
erg actief in de Westerschelde en voor de kust van Noord-Beveland. Zij moesten
verhinderen dat grote voorraden in Antwerpen aankwamen. Op 24 december werden
een
onderzeeboot waargenomen, waarvan alleen de periscoop zichtbaar was. De wacht
gaf het per radio door en deze onderzeeboot werd door twee vliegtuigen aangevallen. Op
eerste kerstdag werd voor Domburg een duikboot waargenomen met de toren nog
boven water, waarop een man zichtbaar was. Een
post van Gevechtsgroep II nam met
een buitgemaakte 20 mm Oerlikon (mitrailleur) de boot onder vuur, waardoor deze zonk van achteren, de
neus in de lucht stak, kapseisde en in het geheel zonk. Even later werd nog een
duikboot waargenomen, die nadat het onder vuur was genomen explodeerde en zonk.
Van een derde
raakte de
stuurman bewusteloos en spoelde de onderzeeër aan op
de zeedijk bij Westkapelle, waar de marineman gevangen werd genomen.
'Het
was een grote onbeschofte kerel, die onze mannen in het gezicht spuwde, dat had
hij niet moeten doen!'
'Met kerst
kreeg de Recce in Colijnspalaat een kerstdiner. Ik herinner me dat er
iemand met een drietonner naar Antwerpen was
gestuurd om daar wat drankrantsoenen op te
halen. De
drietonner was helemaal vol, maar de volgende dag was bijna alles op.
In hotel
Zeelandia in Colijnsplaat
werd het kerstdiner gehouden.
Volgens een Engelse traditie, die nu nog
steeds bestaat, zaten tijdens het kerstdiner ook de messbediendes aan
tafel. De
onderofficieren bedienden en het toetje werd
opgediend door officieren. Schitterend, dan zat je daar vol trots. Dat vond ik
mooi.'

De
verkenningsafdeling in Noord-Beveland
Op 28 december kreeg men het idee dat de Duitsers 4000 man
hadden samengetrokken op Schouwen. Uit angst voor een invasie werden op 28 en 29
december Gevechtsgroep 1 uit Middelburg en pantserafweergeschut van
Gevechtsgroep III uit Kapelle en van de Verkenningsafdeling uit Noord-Beveland
naar Noord-Walcheren verplaatst.
Op 31 december bezette de Verkenningsafdeling het dorp Kats.
'Ik kon de Nieuwjaarsparade in Goes
bijwonen: iets onvergetelijks! Een prachtig winterdag en de kapel van de Royal
Marines liep in gala-uniform met tijgervellen over dat lichtbesneeuwde plein.'
1 januari werd door gevechtsgroep I met een mitrailleur een Duits vliegtuig naar
benden gehaald. Op 2 en 3 januari 1945 werd ook Gevechtsgroep III naar
Walcheren verplaatst, zodat nu de drie Gevechtsgroepen verenigd waren. De
verwachte Duitse aanval op 3 januari bleef echter uit. Doordat de Duitsers
een nederlaag leden bij het Ardennenoffensief, hervatten de Geallieerden hun
voorbereidingen voor de verovering van het gebied tussen de Rijn en de Waal.
Begin februari besloot de Regering om de mariniers per 1
april uit de Brigade los te maken en weer voor hun aanvankelijke bestemming
beschikbaar te stellen. Het gevolg hiervan was dat de Verkenningsafdeling moest
worden opgeheven en het daarbij ingedeelde geschikte personeel moest worden
ingedeeld bij Gevechtsgroep II. De 'marinierseenheid' uit deze
gevechtsgroep werd op 9 februari naar de Willem III- kazerne in Vlissingen
verplaatst en naar Zoutelande.
Op 11 maart kwam het I-3 R.I. onder bevel van de
Irene Brigade te staan. Dit onderdeel was ontstaan uit het in België
opgerichte Wachtbataljon III. Dit onderdeel had in november en
december 1944 onder bevel gestaan van 105 AA Brig. en werd door de
Engelsen het “Paris Batt” genoemd. Op 18 december 1944 had het de
naam I-3 R.I. gekregen en was zij uitgebreid naar 5 compagnieën. Het
I-3 R.I. werd op 10 maart verplaatst naar Walcheren, Zuid-Beveland
en Tholen. De leiding legerde met de staf in Middelburg, een
compagnie werd geplaatst te Goes, een compagnie te Vrouwenpolder,
een compagnie te Wemeldinge en twee compagnieën op Tholen.
'Op een pleintje in een klein stadje lagen
een paar honderd opgegraven landmijnen opgestapeld, afgezet me een wit lint. Een
van ons kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ging even achter dat lint
kijken. Wat er precies gebeurd is weet ik niet, maar seconden later vloog alles
de lucht in. We hebben niets meer van hem teruggevonden.'
Landmijn('tellermine')
'Op 9 maart 1945 kwamen drie man van de Ie gevechtsgroep op één motorfiets uit
Domburg. Het waren Burger, Stenfert-Kroese en Vermeulen en op goed geluk sloegen
zij het pad in dat ik de vorige dag had gevolgd. Halverwege reden ze op een
tellermine die in het midden van het pad op de grond lag. Alle drie waren ze op
slag dood. Bij onderzoek bleek dat het hele pad met antitankmijnen was bezaaid.
Dit soort mijnen is op een bepaalde druk afgesteld en een voetganger kon er
meestal zonder risico opstappen. Het gezamenlijk
gewicht was zo groot dat het ding afging. Het zou niet gebeurd zijn alleen of
met zijn tweeën.'
'In Vrouwenpolder vonden de twee militairen Paauwe en Wieringa
de dood, doordat ze een granaat in de loop van een, door de Duitsers
verlaten, kanon wilde schuiven . Die hadden echter aan de bovenzijde van de
loop reeds een granaat achtergelaten. De gevolgen lieten zich
raden....'
Het werk dat verricht moest worden in deze zeer koude winter
van 1944-1945 was heel vervelend en niet zonder gevaar. Af en toe vielen er
gewonden door boobytraps en mijnongevallen, maar er waren, behalve de vijf
hierboven gememoreerden slachtoffers, nog een
relatief groot aantal doden te betreuren: W. v.d. Bosch, J. Antonides, J.
Visbeen, A. Breure, H. Oosterhuis,
B. Doeser, (zie voor nadere details "Slachtoffers PIB" elders op deze
website)
"De Koningin werd om 12.30 uur te Eede,
nabij Aardenburg, verwacht. Behalve de commissaris der Koningin jhr. mr. J.
Quarles van Ufford, brigadier W. Underhill, kaptitein-ter-zee J. van Leeuwen
waren er nog vele anderen. De bevolking was kort tevoren door de stadsomroeper
gewaarschuwd en was bezig naar de grenspost te komen. Met meel, dat nog minder
schaars was dan verf of kalk, was een lijn getrokken om de grenslijn aan te
geven. Ook was er een vlag gehesen aan een primitieve mast en alle kapot
geschoten huizen langs de weg daar naartoe vertoonden alle hun rood, wit en
blauw."

Monument in Eede
Op 13 maart 1945 stak koningin Wilhelmina vanuit België bij
het Zeeuws-Vlaamse grensdorp Eede de grens over. Op 15 maart bezocht Hare
majesteit het ondergelopen Walcheren en maakte
ze een tocht door Middelburg en per amfibievoertuig ook Westkapelle en Domburg,
waarvan ze zeer onder de indruk bleek. Ze schreef er zelf dit over:
'Het was een koude, onvergetelijke tocht.
Welk een tragische aanblik bood nu het eens zo schilderachtige Walcheren: één
groot watervlak zover men kon kijken, met overal verdronken torens en
boerderijen, en bomen die geen jong groen meer zouden geven.'
Klik
hier voor filmbeelden (deel 1 en 3) van Koningin Wilhelmina en de bevrijding
van Zuid-Nederland.

Bezoek Koningin
Wilhelmina te Walcheren
Op 16 maart bezocht de koningin in een DUKW de Irene Brigade en dankte in haar toespraak de
Brigade voor haar optreden en tevens voor de bevrijding van Nederland. Op
dezelfde dag bezocht ze ook de 'Prinses Irene-kazerne' te Bergen op Zoom, waar
de aanvullingstroepen voor haar defileerde.
Er was ondertussen dringend behoefte aan versterking. Er
waren verschillende plannen die een drastische hervorming van de Brigade zouden
betekenen, waarvan er een was die voorzag zelfs in een opheffing! Ze leden
allemaal schipbreuk, omdat de Engelse 21e legergroep de Brigade taken had
toebedacht bij gevechten in Duitsland. Bovendien konden ze zelf geen troepen
missen voor de bewaking van het strategisch belangrijke Walcheren. Op 17 maart
werd aan de Compagnie aanvullingstroepen, die bestond uit ongeveer 1000 man en
waarvan velen in Leopoldsburg waren opgeleid, opdracht verstrekt 150 rekruten
naar de Brigade te sturen.

Leden
van de Recce te Colijnsplaat (foto G. de Fouw)
Een scoutcar van de Recce te Colijnsplaat, staand K. Lips,
links Vaunchy (foto A.E. Pannenborg)
's Avonds op 24 maart vond in Colijnsplaat een
afscheidssamenkomst bij de Verkenningsafdeling plaats. In roerende toespraken
werd het bestaan van deze afdeling herdacht. De volgende dag vertrok een groot
gedeelte van deze manschappen naar Bergen op Zoom. Sommige vertrokken direct naar
Engeland als instructeur radioverbindingsdienst.
''t Was een prachtige
afscheidsparty, waarbij de kolonel, Van Wijck, Fack en de dominee aanwezig
waren. Rum, champagne, wijn en bier: zeer geslaagd om op deze wijze alles te
besluiten....'
'De terugkeer naar Amerika was een hard
gelag voor een aantal mariniers. Sommige waren tussen de vier en zes jaren van
huis geweest. Met het einde van de oorlog in zicht moesten ze nu weer worden
uitgezonden. Dat was geen kleinigheid.'
Op 31 maart nam de Brigadecommandant kolonel De Ruyter van
Steveninck afscheid van de mariniers i.c. de commandant, kapitein der
mariniers Arends en zijn drie pelotons van Gevechtsgroep II. Dankzij de
indeling van deze mariniers bij de Irene Brigade, was het mogelijk dat de Brigade
kon deelnemen aan de veldtocht in West-Europa. Zij waren het die vooraan
deelnamen met de Verkenningsafdeling aan de run naar Pont Audemer en bij de
opmars naar Hilvarenbeek en Tilburg. Ze
verlieten de Brigade op 1 april en vertrokken op 4 april via Terneuzen per landingsvaartuig
naar Roseneath in Schotland om weer voor hun oorspronkelijke doel te worden
ingezet, de Mariniers Brigade, die op dat moment nog in
Camp Lejeune in de Verenigde Staten werd
opgeleid.
Op 2 april werd o.a de Irenebrigade onder bevel gesteld van
de commandant van het Netherlands District met aan het hoofd Generaal-majoor
Galloway, met het hoofdkwartier in Tilburg.
Het is begrijpelijk dat de Staf van de Irene Brigade
verlangde naar een actief aandeel in de operaties. Men diende dan ook een verzoek
in bij de Engelse 21e legergroep om hen een andere taak te geven. Er
bestaat
een brief, waarin Prins Bernhard op 6 april
1945 'secret and personal' het woord richt tot zijn vriend sir Francis de
Guignand, stafchef van Montgomery's 21ste Legergroep. Volgens de Prins was het
moreel van de Brigade flink gedaald, omdat ze niet mocht meedoen aan de echte
bevrijdingshandelingen in eigen land. Het
zal er misschien aan ten grondslag liggen, maar op 10
april gaf men daaraan gehoor en werd de Brigade naar de omgeving van 's-Hertogenbosch gedirigeerd om daar een Belgische Brigade af te lossen.
Dagboekpassages van majoor Paessens 1 tm. 15 december 1944
Dagboekpassages
van majoor Paessens 16 tm. 31 december 1944
Dagboekpassages van G.van Dam januari 1945-april 1945