Daan van de Velde (Marechaussee) - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Daan van de Velde (Marechaussee)

Biografieën oud-leden
Daan van de Velde – Marechaussee

Jeugd en familie

De ouders van Daan van de Velde (collectie Richard van de Velde)

David ‘Daan’ of ‘Daaf’ (in het Verenigd Koninkrijk noemden ze hem later steevast Denny) van de Velde werd op 9 juli 1912 geboren in een klein arbeidershuisje aan de Oost-Groeneweg in Steenbergen, nabij de hoeve van Van der Spelt. Zijn ouders waren boerenknecht Cornelis van de Velde (1883-1951) en Johanna Jansen (1887-1925). Ze kregen samen vijf kinderen: Maatje (1908-1945), Hector ‘Torreke’ (1910-1990), David (1912-1997), Lucretia ‘Jaan’ (1915-1968) en Cornelia ‘Corrie’ (1918-2007).

Maatje, Thor, Corrie, Jaan en rechts Daan omstreeks 1930 (collectie Richard van de Velde).

David liggend (links) tussen zijn schoolvrienden in 1919 (collectie Richard van de Velde).

Het ouderlijk huis aan de Oost-Groeneweg (collectie Richard van de Velde).

Het gezin Van de Velde behoorde tot de kleine geloofsgemeenschap van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Daan zat in Steenbergen op de lagere school. Hij was een heel goede leerling en zou naar de MULO zijn gegaan als zijn moeder niet plotseling in 1925 was overleden. Dit nare voorval heeft hem zijn hele leven parten gespeeld. Hij heeft levenslang een hekel gehad aan de kleur zwart. De reden daarvoor was dat zijn vader hem verplichtte om voor de begrafenis zijn favoriete grijze pak zwart te laten verven.
Daan was erg aan zijn moeder gehecht en vertelde later dat na haar heengaan de warmte en gezelligheid uit huis waren verdwenen. Ondanks herhaalde verzoeken van het hoofd van de school aan zijn vader om hem te laten studeren, moest hij gaan werken om geld voor het gezin binnen te brengen. Uiteindelijk werd hij leerling-machinist bij de plaatselijke Centrale Suikermaatschappij.


De suikerfabriek in Steenbergen

Militaire dienst

David links als rekruut op de Korenmarkt in Bergen op Zoom (collectie Richard van de Velde)

Op 4 oktober 1932 werd hij opgeroepen als dienstplichtig militair bij het in Bergen op Zoom gevestigde 3e Regiment Infanterie. Na een half jaar was hij korporaal, maar moest toen, door bezuinigingen, verplicht met groot verlof.



In uniform van de Politietroepen. (collectie Richard van de Velde)

Midden in de crisistijd was het moeilijk tot onmogelijk om aan een baan te komen. Via bemiddeling van Sjef Janssens uit Breda, een oom van hem, die bij het KNIL zat, belandde hij op 3 januari 1934 als vrijwillig soldaat bij de landmacht met bestemming voor dienst bij het Korps Politietroepen. De opleiding was in Nieuwersluis, nabij Utrecht.


Opleiding in Nieuwersluis 1935, Daan links.(collectie Richard van de Velde)


De Jordaanoproer
In juli 1934 werd hij ingezet bij de zogenoemde Jordaanoproer. Dit waren heftige rellen van werkloze Amsterdammers. Hij vertelde later dat de opstandige mensen kachels en dakpannen vanuit de ramen van de bovenverdiepingen naar beneden gooiden. Het schieten op deze mensen druiste helemaal tegen zijn geweten in.

‘De mensen waren zo arm en hadden honger. Daar schiet je toch niet op.’

Op 4 april 1935 werd het dienstverband bij de Politietroepen verbroken en kwam Daan als beroepsmilitair, ‘Marechaussee te voet’, terecht bij het Depot Koninklijke Marechaussee. Hij werd geplaatst bij de 1e Divisie en kreeg zijn opleiding aan de Zwolseweg in Apeldoorn.

Boven, Daan in tenue van de Marechaussee. Onder met een collega ingekwartierd bij slager Gijzels in het Zeeuws-Vlaamse Sluis (collectie Richard van de Velde).

 

Plaatsing in Sluis
In 1935 en 1936 werd Daan als marechaussee geplaatst in het Zeeuws-Vlaamse Sluis. Hier lag hij in de kost bij de plaatselijke slager Gijzels. Als grensbewaker mocht hij heel vaak op de foto met vrouwelijke toeristen, die erg gecharmeerd waren van dat mooie blauwe uniform. Aangezien er opvallend veel foto’s zijn uit deze periode, is er een gerede kans dat de dames ook de persoon in het uniform wel leuk vonden!
Aan deze periode hield Daan goede herinneringen over. In de jaren zestig, toen hij zich eindelijk een auto kon veroorloven, ging hij met zijn gezin bijna jaarlijks terug naar deze omgeving om er vakantie te vieren.

Grensbewaking in Valkenswaard
Marechausseekazerne aan de Eindhovenseweg in Valkenswaard (Bron: Marechausseesporen.nl)

Na weer een korte periode te hebben doorgebracht bij het Depot in Apeldoorn, werd hij eind jaren dertig gestationeerd op de Marechausseekazerne aan de Eindhovenseweg in Valkenswaard. Hier werd hij eveneens belast met grensbewaking. De opdracht was de welig tierende grenssmokkel te bestrijden. Met zijn vier collega’s Meulenberg, Koenen, Bagchus en Uiterwijk, bestreek hij lopend en per fiets het bewakingsgebied Aalst, Waalre, Dommelen en Borkel en Schaft. Het was eind jaren dertig en de bewoners in dit stukje Brabant waren zo arm, dat ze er wel iets moesten bijverdienen om het hoofd boven water te houden.

De kleine smokkelaars, ook wel pungelaars genoemd, smokkelden voornamelijk boter, zout en suiker. Meestal smokkelde men boter naar België, omdat het product daar veel duurder was. De Marechaussees die smokkelende vrouwen betrapten, hielden ze wel eens enige tijd vast in hun kantoor, zodat de gesmolten boter de dames uit de rokken droop bij de warme kachel. Andere verstopten hun smokkelwaar in rubberen zakken en lieten de grensriviertjes zoals de Tongelreep en Dommel het transport doen. Daan betrapte er eens één die met een tak zo’n vastgelopen pakket wilde wegduwen.
 
Als zijn zoon Richard in de jaren vijftig zijn favoriete 78-toerenplaat ‘De Smokkelaar’ van Johnny Hoes op de pick-up legde, vertelde Daan veel over zijn belevenissen in die contreien. Hij was erg begaan met het lot van deze keuterboertjes en zal om die reden bij een smokkelpoging regelmatig een oogje dicht hebben geknepen. Mede door hun armoede had hij een enorme hekel aan het begrip ‘Goeie ouwe tijd’.
 
De Duitse inval in 1940
Toen op 10 mei 1940 in Nederland de oorlog uitbrak, kregen de 273 Marechaussees in Brabant de order zich terug te trekken naar de vesting Holland. Holland bleek ondertussen onbereikbaar, want Duitse troepen hadden al een bruggenhoofd gevestigd op de as Moerdijk-Rotterdam. De Mare-chausseebrigades verzamelden zich daarom op 11 mei 1940 in Roosendaal. Toen Duitse bommenwerpers ervoor zorgden dat grote delen van Roosendaal in brand stonden, gaf de commandant de opdracht tot afmars naar Putte (N-Br.). Vervolgens vertrok Daan met zijn collega’s per fiets, onder escorte van Belgische officieren, over Belgisch grondgebied richting Antwerpen. Onderweg sloten allerlei vluchtende Nederlandse militairen zich aan.


De Luchtbal-kazerne

Na enige uren bereikten zij net buiten Antwerpen de Luchtbal-kazerne. Hier begon men allereerst met een appèl om eventuele 'verkeerde elementen' onder de militairen te ontmaskeren. Nog steeds onder begeleiding van de Belgen trokken zij 's avonds via de Scheldetunnel naar het Nederlandse Hulst, waar zij rond 02.00 uur uitgeput aankwamen. Hier werden zij ondergebracht in het Patronaatsgebouw.

Ondertussen was een groot aantal Belgische en Franse soldaten Zeeuws-Vlaanderen binnengetrokken. Men wilde, ondanks de Nederlandse capitulatie op 14 mei, met hulp en aan de zijde van de geallieerden blijven doorvechten. Bij de capitulatie waren de Nederlandse troepen in de provincie Zeeland buiten de overgave gehouden, omdat er zich nog buitenlandse troepen in dit gebied bevonden. Schout-bij-nacht Van der Stadt, die inmiddels het bevel had overgenomen, besloot op 17 mei na overleg met de Franse legerleiding, Zeeland prijs te geven. Hij gaf de Koninklijke Marechaussee opdracht Zeeland te verlaten om een vliegveld nabij Nantes te gaan bewaken. Hier hadden zich vliegtuigen en personeel van de Nederlandse Militaire Luchtvaart naar toe begeven volgens berichten. Voor zover na te gaan, zat Daan op dat moment met enkele collega’s in Sluis of net daarbuiten in een klooster in St. Anna ter Muiden.

Burgerchauffeurs met marechaussees nabij Axel

De leiding van de Marechaussee vorderde onmiddellijk autobussen van de Zeeuwsch-Vlaamse Tram Maatschappij en andere particuliere busbedrijven met hun burgerchauffeurs. Deze bonte colonne trok op 18 mei samen met de Politietroepen en andere militairen via Brugge, Ieperen, La Panne en Duinkerken naar Gravelines, waar ze tenslotte overnachtten in kazematten op het stro. De terugtrekkende militairen werden onderweg gehinderd door vluchtelingenstromen en geplaagd door Duitse luchtaanvallen.

Daan vertelde: 'We kwamen op 20 mei aan bij Abbeville in Noord-Frankrijk en een drukte en een ellende en een verschrikking,…daar kwamen die vliegtuigen weer. Ik vergeet het nooit! Ik sprong met mijn kameraad in een droge sloot, je gelooft 't of niet, midden tussen een stel nonnen! We lagen daar en die Duitsers schoten met een mitrailleur door die sloot. Hoe we eruit zijn gekomen, weet ik nu nog niet.'

Hij vervolgde zijn herinneringen: ‘We reden met een groot aantal Marechaussees op de fiets door het heuvelachtige landschap in Noord-Frankrijk. De ouderen hadden het er behoorlijk moeilijk mee en konden het tempo soms niet bijhouden. De jongeren lieten zich vaak voorttrekken door militaire- en burgermotorvoertuigen. Nabij Rouan vond het volgende voorval plaats: Barendje Uiterwijk, mijn maat in Valkenswaard, kreeg een lekke band en hield in paniek een bus aan die vol met Nederlandse officieren zat. Hij vroeg of hij mee mocht rijden. De 'heren' in de bus riepen naar de chauffeur: "Doooooooorrijden!". Waarop Barendje met zijn karabijn in de aanslag riep: "Ik schiet jullie koppen eraf als ik niet mee mag!" Mooi dat ie mee kon.’

Via Rouen, ging het richting Rouen, waar men overnachtte in auto’s en in het gras. Op 21 mei verder naar Evreux, waar het grootste deel overnacht in het stro van een manege. Vervolgens via Les Mans naar Angers waar de manschappen werden onthaald in een Geniekazerne. Eten: soep, macaroni, biefstuk en veel wijn….


Een kaart met de route die de Marechaussees namen van Zeeuws-Vlaanderen naar Engeland

Op 24 mei kreeg men vlak voor Nantes te horen dat bewaking van het vliegveld niet meer nodig was. Er werd doorgereisd naar Vertou, waar in scholen werd overnacht.
Op 27 mei kreeg Daan met zijn collega’s bericht om naar een verzamelpunt in Douvres-La Délivrande, een dorpje ten noorden van Caen, te komen. Alle Nederlandse militairen in Frankrijk werden daar verwacht.
Na het passeren van prachtige heuvellandschappen bereikte ’s avonds Laval, waar men sliep in een vuile kazerne. De soep die werd verstrekt had een niet aan te duiden smaak.

 Het oude kasteel La Baronie in Douvres-La Délivrande (collectie Richard van de Velde).

Rond 13.00 uur kwam men in Caen aan. Bij aankomst bleek deze groep niet de enige te zijn. Er stonden zes bussen, enkele grote vrachtwagens met platform boven de cabine, een oplegger met grote aantallen fietsen erop, een paar 5-tons trucks en tientallen personenauto's, die gezien hun K-kenteken vrijwel allemaal uit Zeeland afkomstig waren. Er waren grote aantallen Marechaussees bij die opvielen door hun prachtige blauwe uniformen ('de blauwen'). Hier werd duidelijk gemaakt dat het einddoel Engeland zou worden en dat men wachtte op transport. Ze kregen een tijdelijk onderkomen toegewezen nabij het oude kasteel La Baronnie in Douvres-La Délivrande.
Daan verbleef hierin de open lucht op een verhoogd gedeelte achter de kerk in een appelboomgaard. Anderen hadden meer geluk en werden in een schoolgebouw in Cresserons ondergebracht.
Van de Velde bezocht hier enkele malen de door zijn collega opperwachtmeester-brigadecommandant A. Meulenberg uit het district Valkenswaard geleide godsdienstoefeningen in de kerk "La Temple Protestant". Ook bracht hij de tijd door met onder andere zwemmen en het volgen van Engelse les.

Divisiecommandant Den Beer Poortugael was intussen zeer bedrijvig om de overtocht naar Engeland te organiseren. Aanvankelijk zouden ze vertrekken van Cherbourg, maar dat ging uiteindelijk niet door. Later bleek dat het desbetreffende schip, de Pavon, een zware luchtaanval had ondergaan. Er waren daarbij ruim 600 slachtoffers gevallen, waar onder veel Nederlandse militairen uit de Peel-Raamstelling.

De ‘Prinses Beatrix’ aangemeerd  op 10 juni 1940 aan in de haven van Brest (Collectie Richard van de Velde)
 
De overtocht naar Engeland
De dagen in Cresserons gingen vrij snel voorbij en op zondagmorgen 9 juni was het zover dat zij weer op reis gingen. De bestemming was Brest. De grote Franse oorlogshaven in het westen werd in de loop van maandag 10 juni bereikt. Men reed vrijwel direct de pier op in de 'Port Commercial'. Hier bevonden zich al enkele honderden Nederlandse militairen met hun voertuigen die zich op soortgelijke wijze aan de greep van de Duitsers hadden onttrokken. In het midden van de kade stond een groot gebouw met aan weerszijden nog voldoende kaderuimte om te parkeren. Hieraan lag de lichtgrijze Ms. 'Prinses Beatrix', van de maatschappij Zeeland, met de boeg naar voren. Het was kort daarvoor aangekomen en had Franse militairen gedebarkeerd, die hadden deelgenomen aan de expeditie naar Narvik, die niet zo best was afgelopen.
De walkranen begonnen meteen met netten de tientallen personenwagens en motoren te laden. Al snel bleek er geen plaats meer was voor de bussen en vrachtwagens. De bestuurders werd de keus gegeven om achter te blijven met hun voertuigen of gewoon weg te rijden of hun voertuigen weg te zetten en als passagiers aan boord te komen.
Aan boord kregen ze een warme maaltijd, maar moesten daarvoor drie dekken op en neer om het eten uit de kombuis te halen.

Op de avond van 10 juni rond tien uur vertrok het schip en ging het langzaam in de richting van het Kanaal. Ze kregen zeer strenge orders om op geen enkele wijze ook maar enig licht te maken. Eén van de officieren beijverde zich in het bijzonder dat duidelijk te maken. Hij bedreigde sommigen met doodschieten, indien deze order niet werd opgevolgd. Deze 'passagiers' in Brest maakten het merendeel uit van de troepen die in Engeland arriveerden. Op 11 juni kwamen 43 officieren en 830 onderofficieren en manschappen met de MS 'Prinses Beatrix' in Plymouth aan. Nadat de boot aan de wal lag, mocht niemand van het schip af. Er moesten aan boord eerst nog drie maaltijden worden gebruikt en pas om 21.00 uur stapte men in de trein met onbekende bestemming.
Ze stopten nog even rond 12.00 uur in Exeter, waar iedereen op belegde broodjes en krentenbollen werd getrakteerd. De hele nacht reed men door en om 6.30 uur de volgende morgen bereikte men het station te Porthcawl in Zuid-Wales. Hier verwelkomde Luitenant- Kolonel Noothoven van Goor op een donker stationnetje, de eerste uitgeputte en vervuilde manschappen.


 
Het treinstation van Porthcawl (Collectie Richard van de Velde)

David van de Velde vertelde:

‘Zo marcheerden wij in de vroege morgen naar het tentenkamp 'Dan-Y-Graig' (=onder de rotsen) dat was gelegen op een glooiend terrein met uitzicht op het Bristol Kanaal. Hier en daar zagen wij bewoners vanachter terzijde geschoven gordijntjes naar ons kijken. Later hoorden wij dat sommigen hadden gedacht dat wij Duitsers waren. Onze zwarte schoenen en beenkappen met daarbij de rijbroeken welke wij droegen, hadden daaraan medegewerkt.'

Dit kamp was mede door toedoen van de al in Engeland aanwezige Luitenant- Kolonel Noothoven van Goor in gereedheid gebracht. In totaal kwamen in mei en juni van 1940 120 officieren, 360 onderofficieren, 980 korporaals en soldaten aan. Ze waren afkomstig van de infanterie, korps wielrijders, cavalerie, artillerie, genie, luchtvaartafdeling, politietroepen en marechaussee. Zij vormden de aanzet voor een Nederlandse strijdmacht in Groot-Brittannië. Het commando over de troepen hier was in handen van majoor Sas. Het commando over de Marechaussees was in handen van Den Beer Poortugael.

Op 16 augustus 1940 werd uit de Marechaussees, die jonger dan 38 jaar waren, een ‘mobiele compagnie’ samengesteld. Daan behoorde hier ook toe. Deze compagnie bestond uit vier pelotons, elk onder leiding van een opperwachtmeester. Kapitein E. Suijlen voerde het commando. Uit het personeel boven de 38 jaar werd een politieafdeling gevormd, dat onder commando stond van kapitein F. van der Kroon. Deze 77 man kregen een nauwkeurig omschreven politiële taak, zoals toezicht en controle op Nederlandse militairen.


Het tentenkamp Dan-Y-Graig (Collectie Richard van de Velde)

Het tentenkamp was omringd met prikkeldraad. Het "stelletje ongeregeld" werd door de Britten in het begin nogal met argusogen bekeken. Men vond het maar vreemde snuiters. Bij hun aankomst, en nog een tijdje daarna, werd het kamp bewaakt door Britse soldaten en werden zij min of meer, en niet altijd op vriendelijke wijze, bejegend als krijgsgevangenen.
Dat was heel begrijpelijk, want de Duitsers hadden er in de beruchte meidagen een handje van om tussen de terugtrekkende en vluchtende soldaten, een stuk of wat agenten en spionnen te schuiven. Er zijn er dan ook enkele uit het kamp gehaald en veroordeeld.
Bovendien was het moreel van de mannen vanzelfsprekend aangetast. De snelle Duitse opmars had grote indruk op hen gemaakt, terwijl de scheiding van gezin en verdere familie velen zwaar viel. Ook moesten de uitgeweken Nederlanders een uitvoerig Brits en Nederlands veiligheidsonderzoek ondergaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Engelsen blij waren met de komst van de marechaussees en politietroepen, zodat ze met een gerust hart de bewaking konden overdragen. De wacht werd ondergebracht in een autobus bij de ingang van het kamp. De politieafdeling moest zo nu en dan corrigerend optreden, zoals zij vroeger ook in Nederland hadden gedaan. Dit alles maakte ze in de ogen van de militairen niet altijd even populair. De populariteit van de bewakers daalde verder doordat zij, als beroepsmilitairen, een hogere betaling kregen dan de anderen.

In eerste instantie was de naam van deze ongeregelde troepen in Porthcawl: 'Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot Brittannië'. Deze naam werd al snel veranderd in 'Nederlandsch Legioen', omdat de Engelsen de term Foreign Legions gebruikten voor buitenlandse troepen in hun land.
Daan:

'De bevolking was aardig. Als ze ons vroegen: "Are you Dutch?” zeiden wij: "Nee, Hollanders! ‘Dutch’ klonk ook zo Duits’.


Naarmate het jaar op zijn eind liep werden de nachten kouder. Aangezien het tentenkamp niet geschikt was voor overwintering, werd uitgekeken naar een geschikt onderkomen. Op 28 september werd aan de Coney Beach in Porthcawl een afscheidsavond gegeven, die bestond uit muziek en zang. Het hoogtepunt van deze avond was het uit volle borst zingen van het Legioenslied.
Op 2 oktober 1940 hadden de manschappen voor de 113e maal onder tentdoek geslapen. Toen de tenten werden gestreken, lieten ze een schoon kamp achter. Op het station in Porthcawl stonden twee treinen klaar die hen naar Congleton zouden brengen. Ze werden door veel Engelse meisjes uitgewuifd.....

De Vale-mill in Congleton (collectie Richard van de Velde)

De Brigade krijgt vorm
Enkele uren later kwam men aan op het station in Congleton (Cheshire), een plaats die toen ongeveer 12.000 inwoners telde. Het Irene-muziekkorps stond hen al op te wachten. Ze speelden marsen zoals 'Piet Hein'. Achter dit korps marcheerden ze, onder grote belangstelling van de plaatselijke bevolking, het stadje in. Een gedeelte werd gelegerd midden in de stad in een 'een ongezellige, armelijk, haveloos, vervallen' leegstaande papierfabriek Park Mill. Plaatselijk beter bekend als het gebied bij de Fairground. Weer een ander gedeelte vond onderdak in de Riverside Mill en een groep kwam iets ten noordoosten in Buglawton terecht, in de Eaton Bank Mill.

Tenslotte werd de P.A.M. (politieafdeling Marechaussee), waar Daan ook toe behoorde, afzonderlijk gelegerd in de Vale Mill. De goede contacten met de plaatselijke bevolking vergoedde veel van de ongemakken. Congleton bezat veel industrie, o.m. textiel-, melk-, en sigarettenfabrieken. Het had tevens een Village-Hall (voor de 'dances') twee bioscopen, tien kerken, voetbalveld en een veemarkt. Het was dus een doorsnee Engels industriestadje.  


`Het zakboekje' (Service and Paybook) van David van de Velde (Collectie Richard van de Velde)

Eind 1940 besloot de regering tot de vorming van een brigade. Het kreeg de naam “Koninklijke Nederlandsche Brigade” en werd op 11 januari 1941 in Congleton opgericht. Zowel de Koningin als Prins Bernhard gaven aan dat zij zich konden vinden in het woord "Koninklijke", maar voor een verdere toevoeging van een Koninklijke naam zou de Brigade eerst nog een betere geoefendheid moeten laten zien.
 
Daan van de Velde naast een verkenningsvoertuig van de brigade (collectie Richard van de Velde)

Voorlopig bestond de Nederlandse brigade uit een staf en twee bataljons volgens de Britse militaire standaard. Het 1e bataljon, o.l.v. majoor Doorman, werd gevormd uit het bestaande 1e bataljon. Het 2e bataljon, onder leiding van majoor De Broeckert, werd opgericht uit het depot-bataljon en de compagnie mobiele marechaussees.
De reorganisatie zou 1 januari effectief zijn. Het lag toentertijd nog in de bedoeling een complete brigade met drie bataljons en een pantserverkenningsafdeling te vormen. Het eskadron pantserwagens zou van de verkenningseenheid de kern vormen, die eind januari 1941 werd gerealiseerd. Een groot deel van de compagnie mobiele marechaussees, w.o. Daan, werd hierbij ingedeeld. In eerste instantie onder leiding van kapitein Kist, daarna door kolonel Phaff, de latere commandant van de Brigade.

 Ranton House met links achter net zichtbaar de Abbey (collectie Richard van de Velde)




 


Gezellige taferelen op de trouwreceptie van Daan van de Velde en zijn Doreen (collectie Richard van de Velde)


Op 30 december 1940 werd de Compagnie Mobiele Marechaussee, die op 24 september was opgericht, zodoende verplaatst van Congleton naar Haughton, 8 km ten zuidwesten van Stafford. Ze werden daar gelegerd in kasteel Ranton Abbey, dat eigendom was van Lord Lichfield. Het grote gebouw beschikte over 40 kamers en had een eigen stroomvoorziening die was gehuisvest in de nabijgelegen toren. Doordat het niet was te zien vanaf de grote weg, werd er een bord bij het begin van de oprijlaan geplaatst met het opschrift "To Marechaussee". Op 2 januari 1941 kwamen de zestien gepantserde voertuigen van de compagnie aan. Compagniecommandant Kapt. Kist hield van veldoefeningen. Er waren regelmatig zware meerdaagse oefeningen, meestal samen met de Home Guard.


Daan (bovenaan en in het midden vooraan) op oefening met de Compagnie Mobiele Marechaussee in de Black Mountains in Wales

Trouwfoto Daan en Doreen (collectie Richard van de Velde)

Daan ging in die tijd met zijn collega’s vaak uit in het nabijgelegen Stafford. Zijn latere vrouw Doreen Lewis vertelt hoe ze elkaar hebben leren kennen:

‘Via de pub 'Bear Inn' in het nabij gelegen Stafford, waar veel marechaussees van Ranton Abbey uitgingen, kwam Daan op uitnodiging van mijn collega als introducé op de personeelsavond van mijn firma English Electric in de Borough Hall. Hij zag er heel imposant uit in dat mooie blauwe uniform en bovendien was hij heel charmant. Hij vroeg mij ten dans en we hadden die week nog een 'date'. Ik stelde 'm diezelfde week nog aan mijn ouders en grootmoeder voor en die waren, net als ik, ook weg van 'm. Een paar maanden later waren we al verloofd en we trouwden op 21 februari 1942 in ons dorp Walton-on-the-Hill.'

Eén van de verbrande kamers in Ranton Abbey (Coll. P. Bos)

Op 6 maart 1941 verliet bijna de gehele compagnie Mobiel Marechaussee Ranton Abbey voor een tweedaagse oefening. Enkelen bleven achter voor wachtdiensten.
In diezelfde nacht werd Ranton Abbey, waarschijnlijk door een vlam gevatte houten balk die door een schoorsteen liep, door brand verwoest. Het vuur greep razend snel om zich heen. De kamermuren waren van hout en riet bijeengehouden door een kalklaag. Daan raakte door de brand veel van zijn persoonlijke eigendommen kwijt.
De compagnie keerde terug naar Congleton en werd meteen opgeheven.

In september 1940 was, op last van de regering voor Nederlandse rekening, de bouw begonnen van een kamp voor de Nederlandse troepen in Wrottesley Park, 8 km ten westen van Wolverhampton.

Op 10 juli 1941 kwam Daan met de rest van de Nederlandse Brigade in dit kamp aan. Wolverhampton was toen een stad van 160.000 inwoners en een centrum van o.a. ijzerindustrie en machinefabrieken. Het kamp had een oppervlakte van 150 ha. en lag op het landgoed van Lord Wrottesley, nabij de Cranmore Lodge Farm.
De Nederlanders in Engeland mochten de naam van dit kamp nooit noemen uit angst voor spionnen. De gelegerde militairen spraken van Wolverhampton en de lokale bevolking had het over The Dutch Camp at Cranmore Lodge of naar de eigenaar York's farm.
De ruim 100 nieuwe barakken, bureaus, eet-en wasgelegenheden, sporthallen (een unicum in die tijd!), tennisbanen, theater en eetzalen waren een verademing. Elektriciteit en stromend water waren toen een luxe. In beginsel hadden de ontwerpers vergeten een gymnastieklokaal en ruimtes voor godsdienstoefeningen te bouwen, alsmede een exercitieterrein ontbrak. Deze blunders werden echter spoedig hersteld.
Het kamp was in die tijd een van de duurste in Engeland. Doordat het park acht kilometer buiten de stad was gelegen, was het contact met de bevolking minder intensief dan in Congleton. Voor ontspanning in het kamp werd voldoende gezorgd.
Toch werd de achteruitgang aan Perton Lane vaak gebruikt door militairen die van het uitgaansleven in Bridgnorth, met veel aantrekkelijke pubs!, gebruik wilden maken. Het lag namelijk dicht bij een grote doorgaande weg.

Koningin Wilhelmina en prins Bernhard verleenden op 26 augustus 1941 bij Koninklijk Besluit toestemming aan de Koninklijke Nederlandsche Brigade om met ingang van 27 augustus de erenaam 'Prinses Irene' te dragen.
Het voornemen een complete Brigade van 3.000 tot 5.000 man te vormen, kon niet tot uitvoering worden gebracht, doordat nimmer voldoende personeel beschikbaar was. De sterkte bedroeg in april 1942 ongeveer 1.300 man. De sterkte van de brigade werd verzwakt door de uitzending van detachementen, de opleiding van speciale troepen en door het aanwijzen van personeel voor andere bestemmingen.


Eerste schriftelijk teken van leven van Daan via het Rode Kruis (Collectie Richard van de Velde)

Twee dagen voor deze brief werd Daan officieel bevorderd tot Wachtmeester te voet bij de Koninklijke Marechaussee en kreeg hiervoor een Getuigschrift.

De Brigade in opleiding
Doordat de Brigade door haar beperkte omvang als gevechtseenheid niet kon worden ingezet, werd zij minder interessant voor de geallieerde troepen. De Nederlandse regering wilde echter een herkenbare Nederlandse eenheid tussen de geallieerde legers behopuden.
Op 16 december deelde de minister van Oorlog aan de Brigade mee, dat men per 1 januari 1943 besloot tot een reorganisatie. Voor Daan betekende dat het eskadron pantserwagens waar hij aan toebehoorde, werd opgeheven.
Deze eenheid bestond grotendeels uit enthousiaste marechaussees. De sfeer was er prima en er werden veel oefeningen gehouden, die zich vaak over grote afstanden uitstrekten. Populair waren de schietoefeningen in het berglandschap van Wales. Regelmatig werd er ook aan sightseeing gedaan. Die combinatie werd zeer op prijs gesteld door de manschappen. Bovendien droegen de mannen van dit eskadron pantserwagens een zwarte baret, afwijkend van de traditionele kaki gekleurde baret.

De opheffing had tot gevolg dat en groot deel van de Marechaussees werden verdeeld over de drie gevechtsgroepen. Ze kwamen onder commando van jonge militaire politiemannen, ‘de Witte’,  die snel promotie hadden gemaakt. Het moreel had onder dit alles zodanig te lijden, dat na afloop van de afscheidsparade het hele eskadron door het kamp trok en met hamers op de stalen voertuigen sloeg, wat een enorme herrie veroorzaakte.  Daan memoreerde:

‘Dat lawaai was een rouwbetoon, iedereen was er kapot van dat het eskadron werd opgeheven’.

Doreen, de kersverse vrouw van Daan, woonde vanaf begin 1943 in een klein appartement in Wolverhampton, waar ze de beschikking had over twee kamers en gebruik van de gemeenschappelijke keuken. Daan kwam haar daar zoveel mogelijk opzoeken.


Het verkenningsvoertuig, de ‘ Dingo’, waarin Daan reed (Collectie Richard van de Velde)

Het eskadron verdween dan wel, maar de Brigade werd wel degelijk gemotoriseerd. Alle drie de gevechtsgroepen werden uitgerust met 22 Bren- en Loydcarriers, terwijl de verkenningsafdeling (Reconnaissance Unit, kortweg Recce genoemd) moderne Daimler-verkenningswagens van het type ‘Dingo’ kreeg.

Oefeningen in Morecambe en Ashridge Camp
Half mei 1943 ging de verkenningsafdeling van Daan op oefening in Morecambe bij Lancaster, 40 km ten noorden van Blackpool. Hier was in een vakantiekamp het 80e Recce Regiment gelegerd. Dit was een voortgezette opleiding van Engelse militairen en droeg bij om de geoefendheid van de Nederlanders te verhogen.
De samenwerking met de Engelsen was prima. Hoewel men wel opkeek tegen de wekelijkse verplichte Cross Country loop, een 8 km lange tocht door heuvelachtig landschap. Er vonden ook veel schietoefeningen op het strand plaats, waar betonnen palen als doel dienden voor de anti-tankgeweren.

Onder leiding van kapitein Looringh van Beek vertrok de Brigade (zonder de artillerie) op 12 juni 1943 naar Ashridge Camp tussen Dunstable en Berkhamsted, midden in de bossen. Ze werden hier ingedeeld bij de 61st Division Reconnaissance Unit.
Dit kamp, ter grootte van enkele vierkante kilometers, behoorde tot het eigendom van Lord Rothschild, die echter niet op dit terrein huisde. In de stromende regen werden tientallen tenten opgebouwd. Elke unit had zijn eigen tenten en bosgedeelte.
Er stonden kleine, ronde tenten voor acht personen met één tentstok en grote, langwerpige tenten met meerdere palen in het midden. In die laatste tenten was ruimte voor twee rijen slaapplaatsen. De twee andere gevechtsgroepen werden later ook in dit kamp gelegerd. Daarnaast waren er al tal van Engelse militairen in het park aanwezig.
Voor het eerst vonden er oefeningen plaats in brigadeverband. Dat was niet eerder gebeurd.

Frinton on Sea (Collectie Richard van de Velde)

Kustbewaking in Engeland
In juli 1943 werd de Irene Brigade bij het invasieleger ingedeeld. De Brigade kreeg verdedigende taken toegewezen en werd op 29 september 1943 naar de kust verplaatst. Daar maakte zij deel uit van de Harwich Defences, waarbij ook onderdelen van de Home Guard waren ingedeeld.
Achtereenvolgens was de Brigade belast met de kustbewaking in Dovercourt, tot 2 januari 1944; vervolgens in Frinton-on-Sea, tot 10 april 1944; en daarna opnieuw in Dovercourt, tot 29 juli 1944. Dit alles was nodig om de Brigade de gelegenheid te geven landingen te oefenen.
Doreen ging met Daan mee. Ze verbleef tweemaal bij mevrouw Lofts in Dovercourt, waar zij op haar 22e verjaardag een miskraam kreeg. Ook verbleef ze enkele maanden bij particulieren net buiten Frinton, waar ze een groot bombardement meemaakte.


Dovercourt met rechts het strandpaviljoen Phoenix (Collectie Richard van de Velde)

The Waterfront in Dovercourt was eigenlijk de belangrijkste buurt. De leegstaande huizen aan deze boulevard dienden als behuizing voor de militairen. De kachels werden gestookt met kolen en aangespoeld hout. Een Nissenhut op een kwartiertje loopafstand fungeerde als eetzaal.
Op het strand stond een houten paviljoen met waranda's: 'Phoenix'. Deze werd door de Brigade gehuurd als ontspanningsruimte voor de manschappen. Eens in de veertien dagen werd er een 'dance' georganiseerd.

Generaal Montgomery bezoekt de Brigade
Het was bekend dat generaal Montgomery alle onderdelen zou bezoeken die aan de invasie zouden deelnemen.
Op 11 maart 1944 vereerde generaal Montgomery de mannen van de Prinses Irene Brigade op het sportterrein in Frinton met een bezoek. Hij zou de Brigade inspecteren en toespreken.
Alle carriers en pantserwagens hadden een extra schoonmaakbeurt gekregen. Ook de koppels en het koperwerk van de manschappen schitterden in de zon. De Brigade werd in een U-vorm opgesteld. Montgomery klom op een jeep en riep: ‘Break ranks!’ (Verbreek het gelid!)
Hij hield een toespraak waarin hij de Brigade herinnerde aan zijn verdrijving van de Duitsers uit Noord-Afrika en vertelde dat nu Europa aan de beurt was.
‘We will bomb them!’
Ook waarschuwde hij de Irenemannen dat de Duitsers goede soldaten waren, maar dat de geallieerde soldaat veel beter was.


Daan, tweede van rechts, bij inspectiebezoek Montgomery (Collectie Richard van de Velde)


Verlofpas van Dovercourt naar Ipswich voor 8 juni 1944 voor Daan. De tekst links zegt ‘ niet toegestaan om verder te reizen dan 25 mijl’.(Collectie Richard van de Velde)

De voorbereidingen op D-Day
Op 11 mei werden alle particuliere eigendommen van alle militairen in kisten en koffers gepakt om in WrottesLeij Park te worden opgeslagen. Vanaf 20 mei mocht er niet meer worden gereisd buiten een straal van 25 mijl vanaf station Dovercourt. Een brigadeorder van 27 mei bepaalde dat iedere militair verplicht was zich tegen bepaalde ziekten te laten inenten. Ook mocht er geen 24-uurs verlof meer worden verleend.
In de vroege morgen van 6 juni werden alle militairen van de Brigade gewekt door het geluid van daverende vliegtuigmotoren en heftig kanongebulder. Honderden vliegtuigen vlogen in zuidoostelijke richting. Het was duidelijk dat het grote moment was aangebroken en de invasie was begonnen: D-Day!

Er gingen nog een paar weken voorbij met wachten, oefenen en weer wachten.
Op 29 juni 1944 kwam, tot verbazing van iedereen en teleurstelling van de meesten, het bevel om van Dovercourt naar tentenkamp Narford Camp te verhuizen, nabij Narborough en King's Lynn. Hier vonden oefeningen in groter verband plaats, onder meer met de Belgische Brigade Piron. Er was in dit kamp nauwelijks eten en al helemaal geen drinkwater. Er waren ook geen borden, zodat men nu al van de etensgamellen (mess-tins) gebruik moest maken. Het waren de eerste kleine ontberingen. De Nederlandse humor kwam ook om de hoek kijken: vele tenten kregen een geschilderde naam als "Stalin Inn", "Nooit gedacht" en op de staftent werd 's nachts "Chairborn troops" geklodderd.
In de Village-Hall (gemeenschapscentrum) in Narborough werd door het Engelse leger een film vertoond, waarin men kon zien hoe men Duitse en Italiaanse mijnen onschadelijk kon maken. Het was een verplicht filmbezoek dat door alle aanwezigen met grote aandacht werd gevolgd.
De oude wapens en uitrusting werden ingeleverd en men ontving nieuwe B-rencarriers, wapens en uitrusting. De manschappen kregen nieuwe uniformen en schoenen. De koppelriemen en patroontassen mochten nu ineens niet meer blinken, maar moesten dof worden gemaakt.

De Brigade gaat naar het front


De Savern (Collectie Richard van de Velde)

Het vertrek naar Normandië
Op 1 augustus 1944, weken na de geslaagde invasie, kwam dan eindelijk de begeerde vertrekorder. Het bevel bevatte precieze details over wat mocht worden meegenomen, wat op de wagens moest worden geladen en hoe alles moest worden verpakt.
Tegen half zes ’s avonds op 3 augustus 1944 vertrok een achttien kilometer lange colonne uit Narford Camp in Narborough naar het 300 km verderop gelegen Wanstead Camp in Leightonstone, vlak bij Londen, in de zogenoemde marshalling area: het gebied waar de troepen werden opgevangen en verzameld voor de overtocht.
Het terrein was zo groot als een voetbalveld. De onderkomens bestonden opnieuw uit enkele grote tenten. Het ontbrak aan matrassen en dekens. In dit kamp mocht niemand naar buiten en was men volledig van de buitenwereld afgesloten. Brieven mochten niet worden ontvangen of verzonden. Het kamp was afgesloten met metershoog en metersdiep aangebracht prikkeldraad.

Daan kreeg behalve een zwemgordel, schertsend ‘Mae West’ genoemd, ook 24-uursrantsoenen en Frans geld uitgereikt. Bovendien kreeg iedereen vijftig scherpe patronen voor zijn wapen. Het werd menens.
Op 5 augustus ’s avonds om 19.00 uur ging men samen met de Belgische Brigade, onder bescherming van oorlogsschepen, op weg naar de kust van Normandië. Een Duits vliegtuig vloog hoog over en wierp lukraak enkele bommen af, die geen schade aanrichtten. Na een overtocht bij prachtig weer kwam men op 7 augustus om 19.00 uur aan bij de Franse kust.
Het brigadehoofdkwartier, de artilleriebatterij en de verkenningsafdeling van Daan werden ’s morgens vroeg op 4 augustus ingescheept op het Libertyschip Savern. ’s Nachts voegde het schip zich bij een konvooi nabij het verzamelpunt Southend. Op 5 augustus ’s avonds vertrokken de schepen over een spiegelgladde zee.
Op 6 augustus rond 17.00 uur kwamen de schepen aan bij de Franse kust. Daar lagen honderden schepen te dobberen, terwijl er vreemd genoeg geen enkele sprake was van enige activiteit. Het brigadehoofdkwartier, de verkenningsafdeling en de artilleriebatterij werden om onbekende reden pas op 7 augustus ontscheept en gingen aan land op het strand van Graye-sur-Mer.


Links een herinneringsspeld van La Delivrande en rechts het ontschepen van de Prinses Irene Brigade (Collectie Richard van de Velde)

Diezelfde avond vertrok de Brigade naar het ontvangstkamp in Cresserons, 4 km van de kust en 15 km ten noorden van Caen. Op weg daarheen passeerden zij Douvres met het nabijgelegen gehucht La Delivrande, waar van 28 mei tot 9 juni 1940 een Nederlands detachement was ondergebracht, voordat dit naar Engeland vertrok.
Tot nader order werd de Brigade hier ondergebracht in een boscomplex. Daan kon die nacht niet slapen, vanwege kanongebulder en mitrailleurgeratel in de wijde omgeving. Hij woonde de volgende morgen voor de eerste keer op het vaste land een kerkdienst bij. Dit bleek in dezelfde kerk te zijn waar hij en zijn collega’s in mei 1940 een dienst hadden bijgewoond.

Naar het front bij de Orne
De Brigade werd de volgende dag ingedeeld bij de 6th Airborne Division, die onder bevel stond van generaal Gale. De manschappen bivakkeerden tussen Plumetot en Cresserons in vooraf verkende boomgaarden, weilanden en bosranden. Ze kregen vier dagen de tijd om alles goed op orde te krijgen. Het controleren van de uitrusting kreeg prioriteit.
Onophoudelijk hoorde Daan het gebulder van het zware geschut dat 40 km verderop werd afgevuurd. Hier bleef men tot 12 augustus. Daarna verplaatste de Brigade zich naar het Orne-front, waar de 6th Airborne Division een verdediging tegen de Duitsers had ingericht.
Samen met de Belgische Eerste Brigade ‘Piron’ versterkte de Prinses Irene Brigade de parachutistendivisie, die al vanaf 6 juni onafgebroken in actie was geweest.
De Brigade kreeg de opdracht zich ’s morgens vroeg via de beroemde Pegasusbrug naar Hell Fire Corner te begeven. Deze sector werd zo genoemd omdat de Britten en Canadezen hier vanaf het allereerste begin onafgebroken onder vuur van Duitse pantserdivisies en SS-troepen hadden gelegen.

Manschappen nabij een landhuis bij Cresserons

Het gebied waar ze voorlopig bivakkeerde, was een driehoekige boomgaard met aangrenzende weilanden die onder water van de rivier de Dives stonden. In het stilstaande water lag veel rottend fruit en kadavers van tientallen paarden. Hierdoor trok het veel muggen en wespen aan die enorm veel overlast veroorzaakten. Daan vertelde:

 
‘Ik drenkte mijn camouflagenet van mijn helm in de benzine, om zo de muggen op afstand te houden. Radeloos werd je ervan’.

De Brigade loste hier de Royal Ulster Rifles en een compagnie van de 2nd Oxfordshire and Buckinghamshire Light Infantry af. Deze mannen waren na twee maanden vechten totaal uitgeput.
Het Nederlandse hoofdkwartier zetelde in een zwaar beschadigd huis, achter het in puin geschoten kasteeltje Chateau St.Côme, op minder dan een kilometer van de drie gevechtsgroepen. Vlak voor de aankomst stonden grote borden langs de weg met het opschrift: ‘You are now in full view of the enemy'.
Duitse manschappen van het 744. Regiment Infanterie lagen inderdaad op ongeveer 250 meter afstand. Het was de taak van de Brigade de Duitsers hier op te houden, terwijl andere geallieerde troepen een omtrekkende beweging om de stad Caen maakten.

Daan vertelde later:

‘Bij het kasteel hoorde ook een stoeterij 'Les Haras de Bréville, waar tientallen dode paarden her en der verspreid lagen. Er was ongebluste kalk gegooid maar dat was niet voldoende gebleken om de verrotting van de kadavers te stoppen. Door de gevaren van het front was er nog geen gelegenheid geweest om de stinkende restanten op te ruimen. De hitte van augustus verergerde de situatie en er hing een lijkengeur rondom de stellingen die manschappen deed kokhalzen’.

Het terrein, de beroemde Normandische ‘bocage’, bestond uit kleine lapjes weiland of boomgaard, die door dichte bosschages op een hoge omwalling van elkaar gescheiden waren. Het was levensgevaarlijk om gedurende de dag bovengronds te blijven. De militairen namen daarom bezit van de schuttersputten die door de Duitsers in de wallen rondom de weilanden waren gegraven.
In een boomgaard nabij de Nederlandse stellingen lag een provisorisch massagraf, waarop lege flessen waren geplaatst met daarin briefjes met de namen van de gesneuvelden. De graven van Engelsen en Duitsers lagen naast elkaar.

Kasteel St. Come voor de aanval

De eerste gevechten
De Irenemannen hadden nog geen oorlogservaring en kregen hun vuurdoop. Het was beslist geen rustig plekje. Deze plaats had voor een goede reden de bijnaam 'Hell-Fire-corner'.
Tegen negen uur in de avond brak plotseling een fel artillerievuur los dat vrij lang duurde. De flessen op de diverse graven vlogen aan scherven. Verschillende mannen waren zo verrast dat ze hun schuttersputjes niet meer konden bereiken.
Op de avond van 14 augustus werden de stellingen en het brigadehoofdkwartier opnieuw zwaar onder vuur genomen, zowel door Duitse artillerie als mortieren. Het bos om het hoofdkwartier speelde de Duitsers in de kaart: de granaten sprongen in de bomen en er daalde een enorme schervenregen op Irenemannen neer. Wachtmeester Lammers van de medische dienst werd, terwijl hij onder een boom een brief lag te lezen, door een van die scherven dodelijk geraakt en was de eerste gesneuvelde van de Brigade. Hij was in Engeland nog onderkapelmeester van de muziekkorps Prinses Irene geweest en componeerde het Brigadelied, de huidige Irenemars.

Het leven aan het front was niet makkelijk. Daan herinnerde zich:

'Er was heel weinig te eten en we hadden vitaminegebrek en kregen symptomen van scheurbuik. We aten doorgeschoten slaplanten en wilde zuring en kookten zelfs gras.'

Op 15 augustus werd de verkenningsafdeling van Daan getroffen door een aanval van dysenterie. Waarschijnlijk was de thee, met daarin bedorven melkpoeder, de grote boosdoener. Daan zocht de oorzaak meer bij de oververtegenwoordigde vliegen van een nabij gelegen begraafplaats van gesneuvelden.
Dertig personen van de Scout Troop waren er erg slecht aan toe en werden in een hospitaal in La Delivrande ondergebracht. Enkelen zweefden dagenlang op het randje van de dood. Anderen 'lagen voor lijk' in de boomgaard. Met rust en beter voedsel kwamen de ongelukkigen er gelukkig weer bovenop.
Daan vertelde:

'Er woedde een complete oorlog in mijn darmstelsel. Dagenlang produceerde ik een mengsel van bloed en slijm en voelde mij zo ziek als ik nog nooit in mijn leven was geweest.' Onderwijl werd Daan gek van die eeuwige doedelzakmuziek van de Engelsen: ‘We maakten zelfs plannen op die doedelzakspeler om te leggen.'

Op 20 augustus 1944  kwam eindelijk de order om te vertrekken, 'Prepare to Move': Gevechtsgroep I nam de bruggen bij Varaville voor haar rekening, gevechtsgroep  III het plaatsje Petitville, terwijl gevechtsgroep II nog steeds bij Quistreham bleef.
De door dysenterie verzwakte verkenningseenheid van Daan nam niet deel aan actie. Het hoofdkwartier was ingericht in het zwaar beschadigde Chateau Benauville, waar de Duitsers de inboedel kort en klein hadden geslagen en de boeken uit de bibliotheek over de vloeren hadden verstrooid.

De opmars naar de Seine
De Duitse troepen waren ondertussen door het geallieerde expeditieleger op 20 augustus 1944 in de zogenaamde ‘Zak van Falaise’ omsingeld. Er waren zo’n 10.000 Duitsers gedood, terwijl 50.000 man als krijgsgevangenen werd afgevoerd. Het Duitse 7e leger was verpletterend verslagen. De schamele restanten van het leger, dat de geallieerden terug de zee in had moeten gooien, vluchtten hals over kop noordwaarts.
De geallieerden haastten zich om de Duitse troepen tijdens hun terugtocht naar de Seine te achtervolgen. De Prinses Irene Brigade, nog steeds onder direct bevel van de 6th Airborne Division, drong de vluchtende Duitsers langs de kust noordwaarts tot aan de Seine bij Le Havre. De taak van de Brigade was om de vijand dicht op de huid te volgen en hem geen moment rust te geven. De rest van de divisie zou ten zuiden van de rivier de Dives trekken, deze oversteken en de vijand in de rug aanvallen.

Daan herinnerde zich de doortocht naar Pont-l’Évêque:

‘De doorstoot naar Pont L'Evèque. Daar deelden we met twee man een kuil om te slapen. Dan kon je lekker onder twee dekens liggen. Ik had zelf geen kuil gegraven maar er een gevonden. Lekker makkelijk! Bleken we in een Duitse latrine te liggen. Stinken de volgende morgen! Maar gelukkig waren er voorraden zat, dus konden we zo de spullen omwisselen.’

Prins Bernhard in gesprek met de manschappen (Collectie Richard van de Velde)

De Irene Brigade had opdracht gekregen zich via Dozulé en Annebault naar een plaats ten zuidwesten van Pont L'Evèque te begeven, om daar voor twee dagen te bivakkeren. Tijdens de bivak op 23 augustus, bracht Prins Bernhard, samen met zijn adjudant Baron van Tuyl van Serooskerken, een bezoek aan de verkenningseenheid en aan GGI en III van de Brigade.
Hij bracht de beste wensen van Koningin Wilhelmina over en toonde grote belangstelling in de morele toestand van de manschappen. Hij luisterde zelfs op zijn gemak in de commandowagen van Daan naar het B.B.C.-nieuws.

Op 24 augustus kwam het bericht dat de Irene Brigade onder bevel kwam te staan van de Britse 5th Parachute Brigade. Vroeg in de avond trok de Brigade richting Pont-l’Évêque, zo’n 25 kilometer verderop. Enkele bruggen waren opgeblazen, waardoor het zwaardere materieel tijdelijk achterbleef. De afstand werd dan ook gedeeltelijk te voet afgelegd.
Nadat de bruggen 's avonds waren hersteld, rukte de Brigade op naar Vieux Bourg en Les Anthieux. Tegenstand van de Duitsers was er nauwelijks. Het was de bedoeling dat op 26 augustus St.Benoit en Beuzeville veroverd moesten zijn, maar de commandant van de 6th Airborne Division, generaal Gale, besloot met een snelle actie nog een stap verder te gaan en Pont Audemer te veroveren. Hij wilde zo de terugtocht van de Duitsers ten zuiden van de rivier de Risle, afsnijden. Hoe de generaal zich dat voorstelde, was glashelder: de opdracht luidde; ‘You must get there as quick as lightning!’, (als de bliksem zo snel!).


Kaart met de opmars route van de Brigade van Normandië naar België

De verovering van Pont-Audemer
Pont-Audemer was een strategisch belangrijk punt in de kuststreek. Volgens de informatie waarover de geallieerden beschikten, lag daar de enige intacte brug in de omgeving waarover de Duitsers nog konden ontsnappen. De brug was daarom van groot strategisch belang. Generaal Gale was van oordeel dat het een huzarenstukje zou zijn om zowel de brug als de stad in handen te krijgen.
Het probleem was dat Pont-Audemer niet binnen de toegewezen sector van de 6th Airborne Division lag. Op bevel van hogerhand was de stad bestemd om te worden bevrijd door de 49th West Riding Division, bijgenaamd de ‘Polar Bears’. Deze divisie bevond zich echter nog ver van haar doel. In de vroege ochtend van 27 augustus was zij nog ten zuiden van Dozulé.
Generaal Gale zag hierin zijn kans schoon. In overleg met de commandant van de 5th Parachute Brigade en de commandant van de Prinses Irene Brigade kreeg de Brigade de opdracht om ‘bliksemsnel’ naar Pont-Audemer te gaan, de stad in te nemen en de brug onbeschadigd in handen te krijgen.
Omdat de vrachtwagens van de infanterie waren uitgeleend, kreeg de verkenningseenheid van de Belgische Brigade Piron opdracht om de infanterie van gevechtsgroep I naar Pont-Audemer te vervoeren. Daarnaast werd een tankeskadron onder bevel van de Brigade gesteld, zodat de infanterie van gevechtsgroep III op de tanks kon meerijden.
Toen de bebouwde kom van Pont-Audemer werd bereikt, stopten de Belgische verkenningsvoertuigen en werden in totaal drie pelotons van gevechtsgroep I afgezet. De mannen van gevechtsgroep I vervolgden de opmars te voet, gevolgd door de tanks.

Bij aankomst bleek dat de Duitsers de brug al hadden opgeblazen en de stad hadden geëvacueerd. Na enkele schermutselingen met een kleine Duitse achterhoede viel de stad in Nederlandse handen. Er waren slechts enkele burgers in de stad. Van een warm onthaal met bloemen of calvados was op dat moment geen sprake.

Het oorlogsdagboek meldde laconiek: ‘na wat schotenwisselingen bezette de Brigade rond 9.00 uur hun eerste Franse stad’.


Bewaking van de Seine
Op 29 augustus verplaatste de Irene Brigade zich naar Colletot, net ten oosten van Pont-Audemer. De Brigade kreeg de taak de rivier te bewaken en de zuidoever vrij te maken.
Omdat geen enkele brug over de Seine intact was gebleven, probeerden verspreide Duitse militairen op eigen initiatief de rivier te bereiken. In de vele bochten van de kronkelende Seine bevonden zich talrijke Duitse troepen, die zich met alles wat kon varen in veiligheid probeerden te brengen.
De Irene Brigade bleef tot 30 augustus 1944 belast met de bewaking van de Seine. Ook moest worden onderzocht hoe de toestand aan de noordoever van de rivier was. Op 30 augustus en de daaropvolgende dag werden patrouilles over de rivier gestuurd. Zij behoorden tot de eerste geallieerde troepen die de oversteek maakten.
Vrijwilligers, meestal voormalige legionairs uit het Franse Vreemdelingenlegioen die goed Frans spraken, maakten zich daarbij nuttig. Zij staken ’s nachts bij Vieux-Port de Seine over, verkenden het terrein en legden contact met de Franse ondergrondse, de ‘Maquis’. Zo probeerden zij de posities van de Duitsers te achterhalen.

De Brigade wordt ingezet om Nederland te bevrijden
De Brigade, die tot dan toe onder bevel van de 6th Airborne Division had gediend, werd voor de volgende fase van de opmars opnieuw ingedeeld. Samen met de Britse 49e Divisie en de Canadese 3e en 2e Divisie werd zij bij het 2e Canadese Legerkorps ingedeeld. Op 2 september kreeg de Brigade opdracht de Seine over te steken en in de richting van Le Havre te marcheren.
Buiten het zicht van de manschappen aan het front vonden op hoog niveau allerlei ontwikkelingen plaats die bepalend waren voor het verdere lot van de Brigade. De commandant, kolonel De Ruyter van Steveninck, wilde graag dat de Irene Brigade als eerste voet op Nederlandse bodem zou zetten. Daarom diende hij op 4 september het verzoek in om de Brigade bij het 2e Britse Leger in te delen. Dit leger was bestemd om Nederland te bevrijden.
Het verzoek werd gesteund door prins Bernhard, die kort daarvoor was benoemd tot ‘Bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten’, en door koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering. De Britse politiek stond niet onwelwillend tegenover dit verzoek. Mede doordat de Brigade zich had bewezen als een goed geoefende eenheid, werd het ingewilligd.

De Brigade kreeg vervolgens opdracht om zich naar het 300 kilometer verderop gelegen Belgische Diest te begeven. Daar zou zij onder bevel van de Guards Armoured Division komen te staan. Ondertussen hadden onderdelen van deze divisie en de rest van het 30e Legerkorps, waaronder de Belgische Brigade onder leiding van kolonel Piron, Brussel al bereikt.


Routekaartje uit Daans verkenningswagen (Collectie Richard van de Velde)

Nog diezelfde avond vertrok de Brigade om 21.00 uur richting Airaines, waar zij kort na middernacht aankwam. Vervolgens kreeg zij het bevel om zich onder het commando van het 30e Legerkorps onmiddellijk te verplaatsen via Amiens, Doullens, Arras, Douai en Tournai naar Sint-Pieters-Leeuw, net ten zuiden van Brussel.
Op de ochtend van 6 september passeerde de Brigade de Belgische grens. Om 10.30 uur was zij, na een razendsnelle rit van 270 kilometer, op de plaats van bestemming. Daar ontmoetten de Irenemannen bemanningsleden van Engelse pantserwagens. Die vertelden vol trots dat ze tijdens een verkenningstocht al even de Nederlandse grens waren overgestoken.
In Sint-Pieters-Leeuw, nabij Brussel, werd de Brigade onder het operationele bevel van het 30e Legerkorps gesteld. Al snel volgde de opdracht om op te marcheren naar Beringen, om daar de Guards Armoured Division te ondersteunen.
Na een rustpauze van enkele uren kwamen de mannen in de namiddag aan in Brussel. Het was een onvergetelijke tocht. Horden mensen haalden de Brigade als bevrijders binnen. Een dicht opeengepakte mensenmassa zwaaide en juichte. Zelfs bij lage snelheid konden de voertuigen niet verder rijden: de menigte dwong ze tot stilstand.
Daan memoreerde:

‘In Brussel was het een enorme feeststemming met vlaggen overal. Bakken met tomaten en fruit werden ons toegeworpen. In Leuven was het nog erger. Daar konden we haast niet door de drommen mensen heenkomen’.

Doortocht in Leuven

Doortocht in Leuven
De Brigade moest via Leuven naar Diest en vervolgens via de Staatsbaan doorrijden naar Beringen, aan het Albertkanaal. Ook in Leuven was er geen doorkomen aan. De brigademannen werden overladen met bloemenkransen en drank, terwijl er voor hen werd gezongen en vrouwen hen enthousiast begroetten.
Van Leuven liep de weg naar Diest via het dorpje Sint-Joris-Winge. De Irenemannen reden in een overwinningsroes noordwaarts, zingend in hun met bloemen versierde pantserwagens en verkenningswagens. De verkenningseenheid ging voorop, gevolgd door gevechtsgroep III, de brigadestaf, gevechtsgroepen I en II, de artilleriebatterij en de brigadecompagnieën.
Onderweg hadden leden van het Belgische verzet, de ‘Witte Brigade’, de brigadestaf al gewaarschuwd dat er in de omgeving nog Duitsers actief waren. Grote delen van Zuid-België waren weliswaar bevrijd, maar hier en daar bevonden zich nog Duitse eenheden en sluipschutters.
De manschappen kregen het bevel om de onderlinge afstand tussen de voertuigen te vergroten van vijftig naar honderd meter. In de opperbeste stemming negeerden sommige ‘feestgangers’ deze order.
Toen de colonne over een smalle weg vlak voor Sint-Joris-Winge reed, werd er plotseling vooraan gestopt. Daardoor schoven de voertuigen van gevechtsgroep III op elkaar, omdat de verkenningsgroep onvoldoende voorsprong had genomen. Geheel onverwacht werd de voorste gevechtsgroep van voren en van rechts beschoten met kanonnen en mitrailleurs. Enkele Panther-tanks stonden op ongeveer 600 meter afstand, bij een boerderij en verscholen achter struikgewas.
Bij de verkenningsafdeling werd de voorste wagen door een tank onder vuur genomen. Mitrailleurschutter Henk de Groot werd daarbij op slag gedood. Daan en zijn collega's sprongen uit de wagens en zochten dekking in de droge sloten.

Al snel volgden ontploffingen en stegen rookpluimen boven de colonne op. In de ontstane chaos wisten de pelotonscommandanten niet waar hun manschappen zich bevonden. Van een effectieve bevelvoering was geen sprake. Ondertussen bestookten de Duitsers de colonne met kartetsgranaten. Dit type granaat verspreidde een regen van kleine kogeltjes, waardoor veel gewonden vielen. De chaos was compleet!

Gevechtsgroep II bracht in korte tijd het antitankgeschut in stelling. Ook Britse tanks schoten te hulp. Toen het vuur verstomde, bleken de Duitse tanks buiten gevecht te zijn gesteld of verdreven.
Na een oponthoud van twee uur bereikte de Brigade laat in de avond het plaatsje Schaffen, nabij Diest en het Albertkanaal. Na een korte nachtrust rukte zij op de ochtend van 7 september verder op in de richting van Beringen.

De gevechten bij het Albertkanaal
Bijna alle bruggen over het Albertkanaal waren door de Duitsers vernield. Zij versterkten hun verdedigingslinie aan de noordelijke oever met Waffen-SS-troepen — onder wie Nederlandse vrijwilligers van de divisie ‘Landstorm Nederland’ — en parachutisten.
Uit verkenningen langs het kanaal bleek dat de brug bij Beringen niet volledig was vernietigd. Diezelfde ochtend vestigde de infanterie onder dekking van vuur van de Guards Armoured Division een bruggenhoofd. Genietroepen legden vervolgens een Baileybrug aan.

Om drie uur ’s nachts rolden de eerste tanks Beringen binnen. Ze kwamen maar net op tijd. Op 8 september bevonden zich in de omgeving van de noodbrug nog veel Duitse troepen. Bij het aanbreken van de dag bestookten zij de geallieerden onophoudelijk en probeerden ze met een tegenaanval vanuit het westen tot aan de rand van het stadje door te dringen.

De bevolking van Beringen, aan de noordkant van het Albertkanaal, vluchtte de kelders in of de stad uit. De Duitsers wilden de Baileybrug over het Albertkanaal vernietigen. Er braken zware gevechten uit, maar de aanval werd op 200 meter van de brug tot staan gebracht. De laatste kans die de Duitsers nog hadden om de brug te veroveren, was daarmee vervlogen.

De Baileybrug over het Albertkanaal bij Beringen

Op 9 september blokkeerden stukgeschoten Britse tanks nog steeds de weg naar de noodbrug. Omdat deze brug geen zwaar materieel kon dragen, konden de geallieerden de fanatieke Duitse verdedigers voorlopig niet verdrijven.
Enkele uren voor het aanbreken van de dag drong een Duits bataljon door tot de zuidrand van Beverlo. De 8e Pantserbrigade, die de avond ervoor in het bruggenhoofd was aangekomen en zich op onbekend terrein bevond, was nog niet klaar met het aflossen van de troepen van de 32e Pantserbrigade. Door de duisternis slaagde de vijand erin de linies van de brigade binnen te dringen.

Gevechtsgroep 1 bij een oprit van de baileybrug bij Beringen

In korte tijd stonden 46 vrachtauto’s, geladen met benzine en andere voorraden, in lichterlaaie. Even later brandde ook het bos waarin ze stonden als een fakkel. In het spookachtige licht van deze vlammenzee werd de Duitse aanval uiteengeslagen en teruggedreven door het geconcentreerde vuur van de artilleriebatterij van de Brigade en door het vuur van Britse tanks.

Diezelfde dag slaagde een pantserbrigade van de Guards Armoured Division erin als eerste via de Baileybrug Beringen binnen te trekken. Later die middag trokken ook de drie gevechtsgroepen van de Irene Brigade, de artillerie en de verkenningsafdeling het zwaar gehavende Beringen binnen. De Irene-infanteristen joegen de laatste tegenstanders uit de huizen. Daarna probeerde de vijand nog met kleine groepen de geallieerde linies binnen te dringen. De Brigade wist de Duitsers definitief te verdrijven en nam 45 Duitsers gevangen.

Gevechtsgroep I kreeg de bewaking van de noodbrug toegewezen. Gevechtsgroepen II en III werden ten oosten en ten noorden van Beringen ingezet. Daans verkenningsafdeling betrok stellingen bij het kolengebied van Beringen-Mijn.
Daar nam Daan voor het eerst sinds de landing in Normandië weer een heerlijke warme douche. De directie van de kolenmijn had het grote was- en drooglokaal voor de mijnwerkers aan de Brigade ter beschikking gesteld. Alle eenheden konden er om beurten onder de warme douche.
Na deze verwikkelingen kreeg gevechtsgroep I de opdracht om, met steun van tanks, het bos in de richting van Leopoldsburg van Duitsers te zuiveren. Tijdens deze actie, die meerdere dagen duurde, werden tientallen krijgsgevangenen gemaakt zonder dat de Brigade een man verloor.
De Duitse tegenstand was gebroken en het geallieerde opperbevel wilde nu snel doorstoten naar Nederland. Op 10 september kreeg gevechtsgroep III van de Brigade opdracht om Beverlo te bezetten.

De eerste gevechten in Nederland

Operatie Market-Garden
Op 16 september 1944 kreeg de staf van de Prinses Irene Brigade in Leopoldsburg van generaal Horrocks, commandant van het 30e Legerkorps, te horen dat er een grote operatie op stapel stond die een einde moest maken aan de oorlog in West-Europa: operatie Market-Garden. Hij zei tegen zijn toehoorders:

‘Er gaat iets gebeuren waardoor onze kleinkinderen trots op ons zullen zijn, dat we zo'n operatie hebben meegemaakt.’

De operatie bestond uit luchtlandingen met de codenaam ‘Market’ en een opmars over land met de codenaam ‘Garden’. Vlak voor vertrek kreeg de brigadestaf nog een kaart van de omgeving van Arnhem, op schaal 1:50.000, waarop de Duitse stellingen in rood waren aangegeven. De Brigade leverde ook veel tolken voor deze operatie en kreeg daardoor de bijnaam ‘Brigade of Guides’ (brigade van tolken).

Op 16 september kwam de Brigade onder bevel van de 43e (Wessex) Infanteriedivisie, die achter de Guards Armoured Division moest oprukken. Op 18 september werd de Brigade twee kilometer ten noorden van Helchteren verplaatst. Daar kreeg zij de waarschuwing om zich gereed te houden voor onmiddellijk vertrek.

De mannen werden ongeduldig, zeker toen iemand van de brigadestaf terugkeerde uit het bevrijde Eindhoven. Toch moesten ze wachten tot de middag van 20 september voordat de mars richting de Nederlandse grens begon. De verkenningseenheid ging voorop, gevolgd door de marinierseenheid en daarachter de overige eenheden.
Daan herinnerde zich zijn terugkeer naar Nederland:

‘Het was een raar gevoel om Nederland naar al die jaren weer binnen te rijden: een schorre keel, even niet spreken om mijn stem weer terug te vinden.’

Terug op Nederlandse bodem
De Brigade behoorde tot de eerste troepen die Nederland binnentrokken. Om middernacht van 20 op 21 september passeerde de Irene Brigade bij Borkel en Schaft de Nederlands-Belgische grens. Verschillende Irenemannen stapten uit hun voertuigen en voelden even de Nederlandse grond. Ondanks het slechte weer en het vroege tijdstip stonden langs de weg overal Brabanders die de bevrijders toejuichten.
Om 6.30 uur arriveerde de Brigade in het slaperige Eindhoven. Via Son, waar zij om 9.00 uur aankwam, ging de tocht naar Sint-Oedenrode en vervolgens naar Veghel en Uden. Daar luidden de kerkklokken. Om 14.00 uur bereikte de voorhoede Grave.
Even later trok de Brigade naar het verzamelgebied in Lunen, enkele kilometers ten noorden van Grave. De volgende dag kreeg zij opdracht de beveiliging van de strategisch belangrijke Maasbrug bij Grave over te nemen.


21 September1944:  Brencarrier van de verkenningseenheid over Rijksweg Reek-Grave (foto: L. van der Bergh)

Op 24 september bouwden Britse genietroepen een tweede, pontonbrug over de Maas bij Grave. Vanaf 26 september moest de Irene Brigade ook deze brug bewaken.
Op 25 september voerde de verkenningsafdeling een patrouille uit in het Land van Maas en Waal. Tijdens deze tocht werden achttien NSB'ers opgepakt.
Op 28 september kreeg de verkenningsafdeling het noordelijkste deel van het Land van Maas en Waal onder haar hoede. Er werd een observatiepost ingericht in een steenfabriek in Druten. Vanaf de uitkijkposten keek men over de Waal naar de door de vijand bezette noordoever. De post in Druten was alleen overdag bezet. 's Nachts maakte men gebruik van een luisterpost iets verderop, in Deest.
Op 1 en 2 oktober rapporteerde de verkenningsafdeling Duitse strooptochten in Wamel, tegenover Tiel. Daarbij werden burgers gevangengenomen en dertig huizen in brand gestoken.
Op 5 oktober werd de verkenningseenheid als geheel verder van de rivier naar Horssen verplaatst. Van daaruit werden de patrouilles voortgezet. Daan bivakkeerde hier in een droge sloot (!) en andere collega's verbleven in een wat comfortabelere oude kerk.

Duitse aanvallen in het Land van Maas en Waal
In de nacht van 6 op 7 oktober breidden de Duitsers hun agressieve patrouilles aan de bevrijde zijde van de rivier uit tot in Leeuwen. Rond 02.00 uur bereikten zij de zuidoever van de Waal. De patrouille was professioneel georganiseerd. Terwijl bewakers de omgeving op onraad afspeurden, begon de rest van de groep met de vernietiging van huizen. Door de ramen werden brandflessen met een groene vloeistof, fosfor, naar binnen gegooid. De bewoners werden in hun nachtgewaad de straat op gejaagd. Uiteindelijk brandden 47 huizen tot de grond toe af.
 
             1918-1944                                   1914-1944

In diezelfde nacht sneuvelden twee directe collega's van Daan: Marius Kroon en Raymond Arnoti. Zij liepen tijdens een patrouille op de dijk bij Boven-Leeuwen in een hinderlaag.
's Middags vond een plechtige begrafenis plaats op de Nederlands-Hervormde begraafplaats in Horssen. De inwoners zorgden voor veel bloemen.
Een collega van Daan vertelde later:

‘Bij Boven-Leeuwen had ik een wacht geruild met een andere soldaat. Ik lag net onder mijn deken of ik hoorde: “takketakketakketak”, en “boem”. Een Duitser had de wachtpost beschoten en een granaat aan zijn gordel geraakt, welke ontplofte. Dat was de wacht die ik oorspronkelijk moest lopen. Ik heb echt geluk gehad.’

De Brigade naar de omgeving van Eindhoven
Begin oktober 1944 verliep de situatie bij Arnhem en Nijmegen anders dan de geallieerde legerleiding had gehoopt. Operatie Market-Garden was mislukt en grote delen van Noord-Brabant waren nog in Duitse handen. De lange, kwetsbare aanvoerlijnen en de beperkte capaciteit van de kleine havens aan het Kanaal brachten de opmars naar het noorden in gevaar.
Het was van groot belang dat de geallieerden over een grote haven in de regio konden beschikken. Antwerpen was daarvoor een logische keuze. De Duitsers moesten dan wel eerst over de Maas en het Hollands Diep worden teruggedrongen.
Op 22 oktober zou het 12e Legerkorps worden ingezet om Antwerpen in handen te krijgen. In afwachting van het grote offensief werd de Brigade op 13 oktober, onder bevel van de 4e Pantserbrigade, naar de omgeving van Eindhoven verplaatst. Op 17 oktober arriveerden de manschappen bij de Oirschotse Heide en in de omgeving daarvan. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Oerle, ten westen van Eindhoven.
Het was er erg koud en vochtig. De Duitsers bestookten de stellingen voortdurend met mortiervuur. De opdracht was te voorkomen dat zij vanuit de noordoever het Wilhelminakanaal zouden oversteken en nieuwe offensieve acties konden ondernemen.


Beschieting op 2 oktober 1944 van de St. Petrus Banden in Oirschot

In de nacht van 22 op 23 oktober werd het ineens stil en vroeg in de middag bleek de reden waarom:

‘Opeens stonden twee burgers te zwaaien met een witte vlag. We hielden de vinger aan de trekker. Ze vertelden ons dat de Moffen in allerhaast uit Oirschot waren vertrokken. De Engelse tanks rolden het dorp binnen en ik hoorde de burgers juichen. Wij gingen helaas niet naar binnen, al hadden we graag in de vreugde willen delen’.

Nog diezelfde middag, op 23 oktober, kreeg de brigadecommandant opdracht de Brigade te verplaatsen. De route liep vanaf de Oirschotse Heide via Zeelst, Oerle, het zwaar gehavende Middelbeers en Diessen naar Hilvarenbeek. Daar kwam de Brigade onder bevel van de 15e Schotse Infanteriedivisie te staan.

De opmars naar Tilburg
Op 24 oktober kreeg de brigadecommandant het bevel de Brigade in de richting van Tilburg te verplaatsen. De verkenningsgroep vormde de spits. Daarachter volgde gevechtsgroep II, met twintig Engelse Sherman-tanks achter zich, vervolgens gevechtsgroep I en gevechtsgroep III, de staf en ten slotte een bataljon van de London Yeomanry.
Het plan voorzag in een opmars in vier fasen. Onderweg moesten wegversperringen worden opgeruimd en de bossen langs de route van Duitsers worden gezuiverd. Het uiteindelijke doel was Broekhoven, waar een basis voor verdere operaties moest worden ingericht. Als vervolg op de operatie stond achter Hilvarenbeek een tankregiment gereed om door Tilburg heen te stoten.


Troepen van de Brigade op 25 oktober 1944 bij het Vrijthof in Hilvarenbeek

Op woensdag 25 oktober om 7.30 uur rukte de 46e Brigade van de 15e Schotse Divisie vanuit de richting Oirschot op naar de oostkant van Tilburg. Tegelijkertijd vertrok gevechtsgroep II van de Prinses Irene Brigade vanuit het zuiden, via Hilvarenbeek, om de geplande doorbraak naar Broekhoven te forceren.

De opmars begon met drie verkenningswagens van de verkenningsafdeling. Het waren de voertuigen van wachtmeester Geeraards, luitenant Driebeek en luitenant Van Voorst tot Vorst. Zij werden ondersteund door artillerie, twee tanks van de 4e Pantserbrigade en drie pantserwagens.
Na veel radiogesprekken kwamen de Shermantanks naar voren. Na lang wachten konden ook de voorste verkenningswagens verder. Nog geen tweehonderd meter verder verschenen plotseling 36 Duitsers, die zich overgaven. Dit moedigde de bemanning van de eerste verkenningswagen aan om door te rijden tot aan de Leij. Het beekje bleek echter een hindernis: de brug was opgeblazen.

De weg van Tilburg naar Hilvarenbeek liep eerst door open bouwland, bekend als De Voort en Grote Westerwijk, en ging vervolgens over in een bosgebied van ongeveer twee kilometer.
Op de weg daarheen kwamen de Irenemannen veel hindernissen tegen: blokkades van boerenwagens met boobytraps, draadversperringen, omgevallen bomen en kraters in het wegdek. Er volgden drie achtereenvolgende schermutselingen met Duitse troepen. De eerste vond plaats bij De Westrik, de tweede bij Grote Westerwijk en de derde in het bosgebied dat eindigde bij de Oude en Nieuwe Leij. De begeleidende tanks en artillerie joegen de vijand op de vlucht.

Bij Liza's Hoeve stuitte de Brigade op hevig Duits artillerievuur. Hierdoor raakte een Britse verkenningstank in brand.
Het vijandelijke vuur was voor luitenant Driebeek aanleiding om de wagen van wachtmeester Geeraards en chauffeur Veerman terug te laten keren. De chauffeur negeerde de waarschuwing om niet met hoge snelheid achteruit te rijden. Hij moest plotseling uitwijken voor de brandende tank, reed via een schuttersput een naast de weg gelegen ven in en sloeg over de kop.

Willem Veerman

Tien minuten later kropen luitenant Driebeek en luitenant Van Voorst tot Vorst door een greppel naar de verongelukte verkenningswagen. Van Voorst maakte met de sleutel van zijn eigen wagen het luik los, waarna wachtmeester Geeraards eruit kroop. Zijn chauffeur Willem Veerman lag met zijn hoofd onder water en had geen polsslag meer. Later bleek dat hij zijn nek had gebroken.

De strijd bij de Oude Leij
De Duitsers hadden bij het riviertje de Oude Leij een vooruitgeschoven verdedigingslinie ingericht en beschikten over goede antitankwapens. Het open schootsveld, het drassige terrein en de gevreesde 88mm-antitankkanonnen waren voldoende reden om de opmars af te breken.
Toch rukte gevechtsgroep II, onder leiding van kapitein der mariniers H. Arends, met ondersteuning van artillerie- en mortiervuur op naar het beekje. Ook deze gevechtsgroep werd ten zuiden van de Leij tot staan gebracht. Ondanks herhaalde pogingen lukte het niet om de overkant te bereiken.
Het zwaartepunt van de Duitse verdediging lag in en rond een groot fabriekscomplex van Verschuuren-Piron bij Broekhoven. Het complex leek weinig last te hebben van het Engelse artillerievuur. Ondanks zware beschietingen bleef de Duitse verdediging intact.
Daan herinnerde zich een voorval bij de Leij:

‘We lagen vlakbij dat bruggetje in een greppel en kwam er een Duitser met een witte zakdoek ons richting op. Sergeant Buytelaar ging met een paar van zijn mannen naar die man en liep in een hinderlaag. Enkele Duitsers werden gevangen genomen, maar de sergeant was ondertussen al doodgebloed.’

De verkenningswagens werden teruggehaald naar het hoofdkwartier. Daar werden ze door de vijand gepeild, waarna de Duitsers de positie met een spervuur van artillerie bestookten. Daan had de leiding al gewaarschuwd dat de wagens te lang op dezelfde plaats stonden en dat er te veel radioverkeer was. Hij schuilde onder zijn wagen en raakte lichtgewond door splinters. Later vertelde hij dat hij door de angst de wanhoop nabij was geweest. Zijn maat Gerard Dijkstra sneuvelde bij de beschieting. Ook vielen er veel gewonden.
Een paar militairen konden de beschieting mentaal niet aan en werden in shock naar Eindhoven gestuurd. Hun ogen stonden schichtig, ze praatten met horten en stoten en konden hun handen niet stilhouden.
Gevechtsgroep I, onder leiding van majoor Paessens, en gevechtsgroep III bevonden zich links en rechts van de toegangsweg naar Tilburg. Ook zij lagen voortdurend onder Duits vuur. Er moesten nieuwe plannen worden gemaakt om de vijand te verslaan. Inmiddels was het donker geworden, zodat men tot de volgende dag moest wachten.

Een nieuwe aanval op 26 oktober
De commandant van de 4e Pantserbrigade besloot de zaken krachtiger aan te pakken. De aanval zou de volgende ochtend worden uitgevoerd door de twee overige gevechtsgroepen van de Prinses Irene Brigade, versterkt met tanks en ondersteund door artillerie.
Gevechtsgroep III zou, gesteund door een tankeskadron en een afdeling artillerie, aan weerszijden van de weg aanvallen die vanaf kilometerpaal 30 aan het Wilhelminakanaal naar Klooster liep. De aanval moest op 26 oktober om 6.30 uur beginnen.
De uiteindelijke bevelen bereikten de commandanten van de gevechtsgroepen pas om 6.00 uur. De commandanten van de twee tankeskadrons die de aanvallen moesten ondersteunen, waren niet aanwezig. Daardoor gingen de Nederlandse commandanten van beide gevechtsgroepen op eigen initiatief het voorterrein verkennen.
Het terrein was zeer drassig en doorsneden met sloten. Bovendien hing er een dichte mist. De commandanten drongen erop aan de aanval enige tijd uit te stellen, zodat zij alsnog samen met de tankcommandanten een verkenning konden uitvoeren. Dat verzoek werd afgewezen.
Gevechtsgroep III zette als eerste de aanval in, kort daarna gevolgd door gevechtsgroep II. Aanvankelijk ondervond gevechtsgroep III geen tegenstand en werd de Leij zonder Duitse tegenreactie bereikt.
Toen een van de voorste pelotons de Leij al was overgestoken, brak de hel los. Het peloton werd van alle kanten onder vuur genomen. Het kon zich niet handhaven en moest terugtrekken. Ook een tweede poging om de rivier over te steken mislukte.

De Duitsers hadden het voordeel dat zij vanuit goed gecamoufleerde stellingen konden schieten zonder direct zichtbaar te zijn. Zij wisten bovendien waar de aanvallers de waterloop zouden proberen over te steken. De aanvallers tastten daarentegen volledig in het duister over de locaties van de Duitse wapens. Daardoor konden zij met artillerie en handwapens geen goed gericht vuur afgeven.
De aanval van gevechtsgroep III was vastgelopen. Met gevechtsgroep II ging het niet veel beter. Tijdens de opmars naar de Leij stuitte deze op een Duitse patrouille. De Duitsers konden de naderende aanval daardoor tijdig signaleren. Kort na het eerste contact concentreerden zij hun artillerie- en mortiervuur op en langs de weg, die de aanvalsroute van gevechtsgroep II vormde.
De mannen moesten dekking zoeken in de diepe sloten. Daarbij moesten zij zich vasthouden aan prikkeldraad en takken van bomen langs de kant om niet te verdrinken. Toch gingen zij verder, zij het in een langzaam tempo.
Tot overmaat van ramp trok de mist plotseling op. De Duitse mitrailleurs kregen daardoor de gelegenheid zich in de strijd te mengen. Vanuit het fabriekscomplex bij Broekhoven openden de Duitsers met flankerend opgestelde mitrailleurs het vuur. Onder dit hevige afweervuur was verder oprukken onmogelijk.
Om zwaardere verliezen te voorkomen, besloot de commandant van de 4e Pantserbrigade de aanval niet voort te zetten. Tijdens de terugtocht vielen mortiergranaten tussen de soldaten. Gelukkig smoorden de granaten in de drassige grond. Er ontstonden wel modderzuilen, maar de scherfwerking bleef beperkt.
Daan herinnerde zich:

‘Vroeg in de morgen zagen wij aan de overzijde van de Oude Leij een man met een witte vlag zwaaien. Hij riep ons toe dat de Duitsers waren weggetrokken.’

De bevrijding van Tilburg
Bij een treffen met een Duitse patrouille werd een sergeant-majoor gevangengenomen. Hij bleek een schets bij zich te hebben waarop alle Duitse opstellingen rondom Tilburg waren ingetekend. De aanvallers kregen daardoor eindelijk een volledig beeld van de Duitse posities.
Een van de gevangengenomen Duitsers vertelde dat de verdedigers zich in de nacht van 26 op 27 oktober zouden terugtrekken. Anders dreigden zij in de stad te worden ingesloten.
Kolonel De Ruyter van Steveninck, commandant van de Irene Brigade, begreep dat de Duitsers Tilburg wilden ontruimen om een omsingeling te voorkomen. Hij drong daarom aan op hervatting van de aanval. De commandant van de 15e Schotse Divisie had daar echter weinig vertrouwen in en besloot de aanval door sterkere troepen te laten voortzetten.
Op 27 oktober om 7.00 uur trok de 44e Infanteriebrigade, voorafgegaan door een zwaar artilleriebombardement en ondersteund door zware tanks, door het front van de Irene Brigade. Om 17.00 uur was Tilburg in geallieerde handen.
Generaal Barber, commandant van de 15e Schotse Infanteriedivisie, werd in Tilburg als bevrijder gehuldigd. Met uitzondering van de artillerie was het de Irene Brigade niet gegund om samen met de 44e Brigade Tilburg binnen te trekken. Wel mocht zij op 4 november meelopen in de parade ter ere van de bevrijding.

De overwinningsparade in Tilburg  op 4 november 1944

Inzet aan het Maasfront
Van Hilvarenbeek naar het Maasfront

Op 27 oktober 1944 om 17.20 uur begon de afmars van de Prinses Irene Brigade vanuit Hilvarenbeek. De route voerde via Hoge en Lage Mierde, de Nederlands-Belgische grens en Arendonk naar Weelde. De verkenningseenheid werd daar om 19.30 uur ondergebracht in boerderijen.
De volgende ochtend, 28 oktober, vervolgde de Brigade haar weg via Poppel, Goirle en Tilburg in de richting van Breda. In Tilburg werd een halfuur rust gehouden. Voor veel militairen was dit een bijzondere gelegenheid om voor het eerst rechtstreeks contact te hebben met de Nederlandse bevolking sinds hun terugkeer op Nederlandse bodem.

Op 28 oktober kreeg de Brigade het bevel om naar Maasbrug te vertrekken, een verzamelgebied ten westen van Tilburg. De verplaatsing verliep via Poppel en Tilburg. Het gebied rond Rijen en Hulten werd aangewezen als nieuwe opstelling. De Brigade kwam onder bevel van de Britse 7th Armoured Division, de beroemde ‘Desert Rats’.
De verschillende onderdelen namen hun posities in. Gevechtsgroep I bezette het station van Rijen en stuurde patrouilles het dorp in. Gevechtsgroep II nam stelling in bij het kruispunt van de wegen Rijen–Gilze en Tilburg–Breda. Gevechtsgroep III bleef in reserve bij Hulten. De Verkenningsafdeling en de commandopost werden eveneens in de omgeving van Hulten ondergebracht.

Op 31 oktober kreeg de Brigade opdracht naar het gebied rond ’s-Gravenmoer en Oosteind te verplaatsen. Omdat de bruggen over het Wilhelminakanaal waren vernield, moest de colonne via Tilburg rijden. In Oosteind, ten westen van ’s-Gravenmoer, werd de Verkenningsafdeling ingezet voor patrouilles langs de rivier. Tijdens deze patrouilles werd geen vijand aangetroffen.

Op 1 november betrokken Gevechtsgroepen I en III stellingen in het gebied Waspik–Raamsdonksveer. Van hieruit werden patrouilles naar de Bergsche Maas gestuurd. Hun opdracht was te voorkomen dat Duitse militairen de rivier overstaken en in zuidelijke richting zouden infiltreren.

Huldiging in Tilburg
Op 4 november 1944 werden de militairen die niet aan de frontlinie waren ingezet, naar Tilburg gestuurd. Daar vond een kleine parade plaats waarbij prins Bernhard en vertegenwoordigers van het gemeentebestuur aanwezig waren. De Prinses Irene Brigade werd gehuldigd voor haar bijdrage aan de bevrijding van de stad.
Voor de militairen was dit een bijzonder moment. Na de gevechten en de voortdurende verplaatsingen bood de plechtigheid gelegenheid om stil te staan bij de bevrijding van Nederland en de rol die de Brigade daarin had gespeeld.

De Verkenningsafdeling bij Baardwijk
Van 5 tot en met 11 november was de Verkenningsafdeling van de Prinses Irene Brigade gestationeerd bij een afwateringskanaal in Baardwijk, in de omgeving van Waalwijk. De militairen moesten in dit gebied patrouilleren en de omgeving van de Maas in de gaten houden.
Het terrein was gevaarlijk. In de omgeving lagen veel mijnenvelden. Tijdens een patrouille langs de Maas liepen enkele militairen op een mijn, waarbij zij zwaar gewond raakten. Onder hen was Mike van Lienden, een goede vriend van Daan van de Velde.
De verwonding van Mike moet voor Daan een ingrijpende gebeurtenis zijn geweest. De voortdurende dreiging van mijnen maakte het werk van de verkenners bijzonder riskant, ook wanneer zij niet rechtstreeks met de vijand in gevecht waren.

Een nieuwe opdracht
Ondertussen hadden de geallieerden Walcheren veroverd. Daarmee kwam de strijd om de toegang tot de haven van Antwerpen in een nieuwe fase. De haven was van groot belang voor de bevoorrading van de geallieerde troepen in West-Europa.
De Prinses Irene Brigade kreeg de opdracht bewakingstaken uit te voeren in het gebied rond de Scheldemonding. Voor deze taak werd de Brigade onder bevel gesteld van de Britse 52nd (Lowland) Infantry Division.

Van Wuustwezel naar Zeeland
Op 11 november 1944 vertrok de Prinses Irene Brigade naar Wuustwezel in België. Daar konden de militairen een weekend uitrusten voordat zij aan hun nieuwe opdracht begonnen.
Op 14 november werd de Brigade naar Zeeland verplaatst. De verschillende onderdelen kregen ieder een eigen bestemming. De Verkenningsafdeling, waarin Daan van de Velde diende, vertrok vanuit Wuustwezel naar Noord-Beveland. Andere onderdelen werden op Walcheren en Zuid-Beveland gestationeerd.
De verplaatsing naar Zeeland betekende een nieuwe fase in de inzet van de Brigade. De strijd om Walcheren was voorbij, maar Schouwen-Duiveland bleef in Duitse handen. De geallieerden moesten de kust bewaken en voorkomen dat Duitse eenheden aanvallen uitvoerden op de geallieerde scheepvaart naar Antwerpen.

Aankomst op Noord-Beveland
De Verkenningsafdeling kwam onder bevel van luitenant-kolonel J.B.A. Hankey, commandant van de 52nd Reconnaissance Regiment van de Britse 52nd (Lowland) Infantry Division. De Nederlandse verkenners waren eerder al onder zijn bevel geplaatst tijdens de operaties in het Land van Maas en Waal.
Via Kortgene trok de eenheid naar Colijnsplaat, waar de militairen bij de plaatselijke bevolking werden ingekwartierd. De hotels Zeelandia en De Patrijs boden onderdak aan de hoofdkwartieren van de verkenningseenheid.
Noord-Beveland lag dicht bij het door de Duitsers bezette Schouwen-Duiveland. De kust vormde daarom een belangrijk observatiegebied. Overdag werden waarnemingsposten ingericht en 's nachts trokken patrouilles langs de kust. De militairen moesten alert blijven op Duitse infiltraties vanaf het water.

Het leven aan de kust
De bevolking van Colijnsplaat werd gevraagd de Nederlandse militairen onderdak te bieden. De contacten tussen de soldaten en de bewoners waren over het algemeen goed. De militairen deelden hun rantsoenen met de plaatselijke bevolking. Wit brood, scheepsbeschuit, blikjes vlees en boter waren producten die de Zeeuwen met enthousiasme ontvingen.
De dienst was echter zwaar. De wachtposten lagen langs de zeedijk, waar de wind vrij spel had. Langs de dijk stonden drie kleine stenen gebouwtjes die oorspronkelijk door Rijkswaterstaat waren neergezet. De verkenners gebruikten deze gebouwtjes als waarnemingspost en als beschutting tijdens hun diensten.
De dagen en nachten waren lang en koud. De militairen moesten voortdurend rekening houden met de mogelijkheid dat Duitse patrouilles vanaf Schouwen-Duiveland zouden proberen het eiland binnen te dringen.
Die dreiging werd in de nacht van 24 op 25 november 1944 werkelijkheid.

De Duitse landing
In de nacht van 24 op 25 november 1944 landde een Duitse patrouille van 26 man op de kust van Noord-Beveland. De militairen waren afkomstig van het nog door de Duitsers bezette Schouwen-Duiveland en hadden een gevaarlijke opdracht: zij moesten waterwerken opblazen om het eiland onder water te zetten.
De Duitsers landden echter niet op de plaats die zij voor ogen hadden. Ze begaven zich naar de nabijgelegen boerderij van de familie De Regt, waar zij de boer en zijn vrouw knevelden. Vervolgens namen ze een boerenkar mee en laadden die vol met de explosieven die zij hadden meegenomen.
Twee mannen die de Duitsers hadden gezien, sloegen alarm. Een van hen was M. Neerhout, een evacué uit Zierikzee die bij de familie De Regt verbleef. De andere was boerenknecht M.L. Fortuin. Zij wisten Colijnsplaat te bereiken en waarschuwden de militairen van de Prinses Irene Brigade.


Leden van de Recce te Colijnsplaat (Collectie Richard van de Velde)

Luitenant Havelaar gaat op onderzoek uit
De Nederlandse militairen waren ondergebracht in de hotels Zeelandia en De Patrijs in Colijnsplaat. Kapitein Immink besloot na enige aarzeling luitenant Ian Jacob Havelaar met twee carriers op onderzoek uit te sturen. Neerhout ging mee om de weg te wijzen.
Bij een afwateringssluis kwamen de Nederlandse militairen de Duitse patrouille tegen. Er ontstond een hevig vuurgevecht. De Duitsers hadden zich in het terrein opgesteld en boden weerstand. Tijdens het gevecht werd luitenant Havelaar dodelijk getroffen.
Havelaar was 34 jaar oud. Hij was Engelandvaarder en had zich na zijn ontsnapping uit bezet Nederland bij de Prinses Irene Brigade aangesloten. Als commandant van een carrier-eenheid was hij verantwoordelijk voor zijn mannen en hun inzet.

De herinnering van Daan
Daan van de Velde was bij het gevecht aanwezig. Jaren later herinnerde hij zich nog precies hoe Havelaar om het leven kwam:

‘We lagen achter de dijk en het geweervuur kwam van de andere zijde. Ondanks onze waarschuwingen stak de “luit” zijn hoofd boven de dijk om zich met een verrekijker van de situatie op de hoogte te stellen en het was meteen gebeurd met hem. Een kogel trof hem in zijn hoofd.....’

De herinnering laat zien hoe plotseling een militair tijdens een gevecht kon sneuvelen. Havelaar wilde zich met eigen ogen een beeld vormen van de situatie aan de andere kant van de dijk. Een ogenblik later was hij dood.

De Duitse patrouille geeft zich over
Na de dood van Havelaar zetten de Nederlandse militairen de strijd voort. De Duitse commandant sneuvelde eveneens. Uiteindelijk gaf de Duitse patrouille zich over en werden de overlevenden krijgsgevangen gemaakt.
Uit de verhoren bleek hoe ernstig de gevolgen hadden kunnen zijn als de Duitse opdracht was geslaagd. De waterwerken moesten worden opgeblazen en ook de Nederlands-Hervormde kerk van Colijnsplaat was doelwit van het Duitse plan. De aanval werd verijdeld, waardoor het dorp voor een ramp werd behoed.
De inwoners van Colijnsplaat beseften wat de militairen van de Prinses Irene Brigade voor hen hadden betekend. De dood van Havelaar maakte diepe indruk. Hij had zijn leven gegeven bij de verdediging van het dorp.
Op 27 november 1944 werd luitenant Ian Jacob Havelaar onder grote publieke belangstelling op de algemene begraafplaats van Colijnsplaat begraven.


Duitse mini-onderzeeboten voor de kust
In december 1944 bleven de Duitse strijdkrachten proberen de geallieerde aanvoer naar Antwerpen te verstoren. Duitse een- en tweepersoonsonderzeeboten waren actief in de Westerschelde en voor de kust van Noord-Beveland. Zij moesten mijnen leggen in de monding van de Schelde of geallieerde bevoorradingsschepen torpederen. De haven van Antwerpen was immers van groot belang voor de bevoorrading van de geallieerde legers.
Op 24 december werd voor de kust een onderzeeboot waargenomen waarvan alleen de periscoop boven water uitstak. De waarneming werd via de radio doorgegeven. Twee vliegtuigen vielen de onderzeeboot vervolgens aan.
Ook op eerste kerstdag werden onderzeeboten waargenomen. Voor Domburg werd een exemplaar gezien waarvan de toren nog boven water uitstak. Een man was daarop zichtbaar. Een post van Gevechtsgroep II opende met een buitgemaakte 20mm-Oerlikon het vuur. Volgens de overgeleverde beschrijving zonk de onderzeeboot uiteindelijk.
Even later werd nog een onderzeeboot waargenomen. Nadat deze onder vuur was genomen, explodeerde hij en zonk. Een derde onderzeeboot raakte eveneens in moeilijkheden. De stuurman was bewusteloos geraakt en het vaartuig spoelde aan op de zeedijk bij Westkapelle. De Duitse marineman werd gevangengenomen.
De waarnemingen maakten duidelijk dat de dreiging voor de geallieerde scheepvaart ook tijdens de kerstdagen voortduurde. Voor de militairen op de Zeeuwse eilanden betekende dit dat de wacht- en patrouillediensten gewoon doorgingen.

De verkenningsafdeling in Noord-Beveland (Collectie Richard van de Velde)

Een kerstdiner in Colijnsplaat
Ondanks de oorlogsomstandigheden probeerden de militairen van de Prinses Irene Brigade met Kerstmis iets van de gebruikelijke feestelijkheden te maken. In hotel Zeelandia in Colijnsplaat werd voor de verkenningssectie een kerstdiner georganiseerd.
Daan van de Velde herinnerde zich die avond nog goed:

‘Met kerst kreeg de verkenningssectie in Colijnsplaat een kerstdiner. Ik herinner me dat er iemand met een drietonner naar Antwerpen was gestuurd om daar wat drankrantsoenen op te halen. De drietonner was helemaal vol, maar de volgende dag was bijna alles op.
In hotel Zeelandia in Colijnsplaat werd het kerstdiner gehouden. Volgens een Engelse traditie, die nu nog steeds bestaat, zaten tijdens het kerstdiner ook de messbediendes aan tafel. De onderofficieren bedienden en het toetje werd opgediend door officieren. Schitterend, dan zat je daar vol trots. Dat vond ik mooi.’

Uit zijn herinnering spreekt de trots die Daan voelde toen hij met zijn kameraden aan tafel zat. Ondanks de oorlog, de kou en het gevaar was er ruimte voor saamhorigheid en een feestelijke maaltijd. De bijzondere rolverdeling tijdens het diner, waarbij ook de messbedienden aan tafel zaten en officieren het dessert serveerden, maakte diepe indruk op hem.
Voor Daan en zijn kameraden was het een kerst om niet te vergeten. De oorlog was echter nog lang niet voorbij.

De dreiging vanuit Schouwen-Duiveland
Op 28 december 1944 ontving de Brigade via het verzet in Zierikzee berichten dat de Duitsers ongeveer 4.000 militairen op Schouwen-Duiveland hadden geconcentreerd. Vanuit Zierikzee bestond een telefoonverbinding met het bevrijde Sint Philipsland. Ook via andere kanalen kwamen berichten binnen dat de Duitsers mogelijk een offensief voorbereidden om Antwerpen vanuit het noorden te benaderen.
Het Ardennenoffensief, dat op 16 december 1944 was begonnen en gericht was op een doorbraak door de geallieerde linies in België en Luxemburg, had grote onrust veroorzaakt. De vrees bestond dat de Duitsers opnieuw zouden proberen Antwerpen te bereiken. Een Duitse aanval vanuit Schouwen-Duiveland zou de geallieerde posities in Zeeland ernstig in gevaar kunnen brengen.
Als gevolg van deze dreiging werden op 28 en 29 december verschillende onderdelen van de Prinses Irene Brigade naar Noord-Walcheren verplaatst. Het ging om Gevechtsgroep I, die in Middelburg was gestationeerd, onderdelen van het pantserafweergeschut van Gevechtsgroep III bij Kapelle en delen van de Verkenningsafdeling die op Noord-Beveland verbleven.

Het einde van de Verkenningsafdeling
Begin februari 1945 besloot het opperbevel in Londen dat de mariniers per 1 april uit de Prinses Irene Brigade zouden worden teruggetrokken. Zij moesten weer beschikbaar komen voor hun oorspronkelijke bestemming.
Deze beslissing had gevolgen voor de samenstelling van de Brigade. De Verkenningsafdeling, waarin Daan van de Velde diende, werd opgeheven. Het daarvoor geschikte personeel werd ingedeeld bij Gevechtsgroep II.
Voor Daan betekende dit het einde van een periode waarin hij met zijn verkenningseenheid maandenlang patrouilles had uitgevoerd en waarnemingsposten had bemand. De mannen hadden onder moeilijke omstandigheden gewerkt, eerst aan het Maasfront en vervolgens aan de Zeeuwse kust.

 
Robert Paauwe                             Jans Wieringa

Een tragisch ongeluk in Vrouwenpolder
Op 17 maart 1945 kwamen in Vrouwenpolder twee collega's van Daan om het leven: Robert Paauwe en Jans Wieringa.
Daan vertelde later hoe het ongeluk was gebeurd:

‘We hadden ze al zo vaak gewaarschuwd dat ze niet met wapens moesten “spelen”, maar het was tegen dovenmansoren gezegd. Robert Paauwe en Jans Wieringa vonden de dood, doordat ze wilden schieten met een buitgemaakt kanon. De Duitsers hadden het wapen echter achtergelaten met een granaat in de loop. De gevolgen lieten zich raden....’

Het tragische ongeluk maakte duidelijk hoe gevaarlijk achtergelaten Duitse wapens en munitie konden zijn. Zelfs wanneer er geen sprake was van rechtstreeks contact met de vijand, bleef het risico voor de militairen groot.
Voor Daan was het verlies van zijn twee collega's opnieuw een pijnlijke herinnering aan de gevaren waarmee hij en zijn kameraden tijdens hun inzet werden geconfronteerd.

Het afscheid van de Verkenningsafdeling
Op de avond van 24 maart 1945 vond in Colijnsplaat een afscheidssamenkomst van de Verkenningsafdeling plaats. Tijdens deze bijeenkomst werd in roerende toespraken teruggekeken op het bestaan van de afdeling en op de periode waarin de militairen samen hadden gediend.
De volgende dag vertrok een groot gedeelte van de manschappen naar Bergen op Zoom. Sommige militairen gingen rechtstreeks terug naar Engeland, waar zij als instructeur bij de radioverbindingsdienst aan de slag zouden gaan.

Vader geworden
In deze periode kreeg Daan van de Velde bijzonder nieuws uit Engeland. Zijn vrouw Doreen was op 4 februari 1945 in Stafford bevallen van hun zoon Christopher.
Daan had zijn vrouw en pasgeboren zoon tijdens de oorlog lange tijd niet kunnen zien. Pas eind april 1945 werd hij met hen herenigd. Waar hij in de tussenliggende periode precies verbleef, is niet meer te achterhalen.

Een nieuwe functie in Engeland
Op 30 mei 1945 werd Daan overgeplaatst van de Prinses Irene Brigade naar het Detachement Wolverhampton. Op 1 juli volgde opnieuw een overplaatsing: hij werd aangesteld als provoost bij de Expeditonaire Macht. Drie weken later keerde hij terug naar het Depot Wolverhampton.
Daar kreeg hij de leiding over militaire onderzoeken en politiediensten bij de Expeditonaire Macht Nederlandse Troepen in Birmingham.

Luitenant Kist gaf leiding aan de opleiding van de militaire politie. In augustus 1945 waren er al twee compagnieën opgericht die in Engeland politiediensten verrichtten. Uit deze organisatie werd ook het kader gevormd voor de uit te zenden DMC's, de detachementen die naar Nederlands-Indië zouden vertrekken.

Uiteindelijk kwam Daan terecht op Chester Square in Londen. Doreen en Christopher woonden toen nog bij haar ouders in Walton-on-the-Hill, in de omgeving van Stafford. In de weekenden reisde Daan per trein vanuit Londen naar zijn gezin.


Daan rechtsvoor in Wolverhampton

Hij werd op 30 mei 1945 overgeplaatst van de Brigade naar het Detachement Wolverhampton en op 1 juli alweer overgeplaast als Provoost bij de Expeditieonaire Macht. Drie weken later was hij weer terug bij het Depot Wolverhampton. Hier werd hij belast met leiding geven bij militaire onderzoeken en politiediensten bij de Expeditieonaire Macht Nederlandse Troepen in Birmingham (zie foto Daan rechtsvoor en linksvoor Gerrit van de Kamp).
Luitenant Kist gaf hier leiding aan de opleiding van de Militaire Politie. In augustus 1945 waren er al twee compagnieën opgericht. Deze verrichtten MP-diensten in Engeland. Hieruit werd ook het kader gevormd voor de uit te zenden DMC-en, die naar Nederlands Indië zouden gaan.
Uiteindelijk kwam Daan terecht op Chester Square in Londen. Doreen en ’Chris’ woonden toen nog steeds in bij haar ouders in Walton-on-the-Hill, net buiten Stafford. Daan kwam ’s weekends vanuit Londen daar per trein naartoe.


Tussen 16 oktober en 27 november 1945 verbleef Daan in het War Hospital in Barnet, bij Londen.


Daan (rechts) als opleider in 1947 in Apeldoorn (Collectie Richard van de Velde)

Opleider bij de Koninklijke Marechaussee
Vanaf begin 1946 keerde het kader op verschillende data terug naar Nederland. De militairen werden belast met de opleiding van dienstplichtigen van de Koninklijke Marechaussee. Deze dienstplichtigen werden opgeleid bij het Depot, dat was ondergebracht in de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn.
Daan werd in januari 1947 naar Nederland overgeplaatst. Zijn vrouw Doreen en hun zoon Christopher kwamen pas in oktober 1947 vanuit Engeland over. Het gezin kreeg een bovenwoning toegewezen bij de familie Speldenkamp aan de Jachthoornlaan in Apeldoorn.
Omdat de woning te klein was om het hele gezin te huisvesten, moest Daan op de kazerne blijven slapen. Deze situatie duurde ruim een halfjaar. Daarna vonden zij een andere bovenwoning bij de familie De Haan aan de Markendoel. In januari 1949 werd daar hun dochter Veronica geboren.


Daan met de pasgeboren Richard en zijn dochter Veronica (Collectie Richard van de Velde)

Opleiding van militairen voor Nederlands-Indië
Op 1 december 1949 was Daan bezoldigd opperwachtmeester en werd hij tewerkgesteld bij de 4e Divisie Marechaussee. Hij moest daar dienstplichtigen opleiden die naar Nederlands-Indië zouden worden uitgezonden.
Met de jongens van de zogenoemde 2-44 DMC kreeg hij een bijzondere band. Deze band bleef tot het einde van zijn leven bestaan.
Begin 1950 kreeg het gezin een huurwoning toegewezen aan de Ugchelsegrensweg 9 in Apeldoorn. Daar werd in november 1954 hun jongste zoon Richard geboren.

Brigadecommandant in Tegelen


Marechausseekazerne aan de Engerstraat in Tegelen


Brigadecommandant Daan (3e links) met zijn personeel. Links naast hem Derkx en rechts van hem Jasper Zondag

Op 1 november 1956 werd Daan bevorderd tot adjudant-onderofficier en overgeplaatst naar de 2e Divisie der Koninklijke Marechaussee. Hij werd aangesteld als brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee in Tegelen. Daar gaf hij leiding aan 21 man, die belast waren met de grensbewaking bij de doorlaatpost.
In augustus 1957 verhuisde het gezin vanuit Apeldoorn naar de Ruys de Beerenbrouckstraat 26 in Tegelen.

Werkzaam in Venlo

Kazerne in Venlo

In juni 1960 werd Daan hoofd van het Grenspassenbureau van de Marechaussee bij de doorlaatpost in Venlo.
Vanaf 1962 werd hij administratief tewerkgesteld bij de staf van het district Koninklijke Marechaussee in Venlo.

In juni 1964 vierde hij daar zijn 36-jarig ambtsjubileum. Bij die gelegenheid kreeg hij de gouden medaille uitgereikt. Hij bleef zijn werkzaamheden in Venlo uitoefenen tot 1 december 1965. Op die datum vroeg hij op eigen verzoek overplaatsing naar Brabant aan.

Overplaatsing naar Eindhoven

        Marechausseekazerne in de Tuinstraat in Eindhoven

     
Daan achter majoor Van Arkel op het parkeerterrein bij de Tuinstraat  

Kantoor van Majoor Van Arkel

Daan had aanvankelijk Breda als zijn nieuwe standplaats gekozen, maar uiteindelijk werd hij geplaatst bij de Marechausseekazerne aan de Tuinstraat in Eindhoven. Daar werd hij de rechterhand van rayoncommandant majoor Van Arkel. Hij werkte in een apart kantoortje links naast de Marechausseekazerne.

In april 1967 verhuisde Daan met zijn gezin naar een nieuw huurhuis op de Meteoorstraat 9 in de Eindhovense wijk Woensel. Hier zie hem in uniform met Veronica voor zijn huis.

Afscheid na veertig jaar dienst
In november 1969 verliet Daan na veertig jaar trouwe dienst de Koninklijke Marechaussee. Op 31 december 1970 werd hem officieel eervol ontslag verleend.
Daarmee kwam een einde aan een lange militaire loopbaan die hem van de Prinses Irene Brigade in Engeland en op het Europese vasteland naar verschillende standplaatsen van de Koninklijke Marechaussee in Nederland had gebracht.

Na zijn militaire loopbaan
Na zijn vertrek bij de Koninklijke Marechaussee bleef Daan nog enkele jaren werkzaam. Tot zijn pensionering eind 1977 vervulde hij verschillende functies. Hij werkte als controleur bij Bouwfonds Nederland, als enquêteur en als administrateur bij het Arbeidsbureau.
Daarna was hij tot vier maanden na zijn 65e verjaardag werkzaam als subsidiënt bij het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. In die functie overlegde hij met burgemeesters en wethouders over subsidies voor peuterspeelzalen en speeltuinen.
Dit werk was hem op het lijf geschreven. Het contact met gemeenten en de mogelijkheid om bij te dragen aan voorzieningen voor kinderen en jongeren pasten goed bij hem.


De kist van Daan geflankeerd door oud-collega's van de Brigade v.l.n.r. M. van Lienden, F. Bakx, H. Hielkema en A.E. Pannenborg

Het afscheid van Daan
Na een slepende ziekte overleed David van de Velde op 4 april 1997 in Eindhoven. Hij was 84 jaar oud.
Zijn leven had voor een belangrijk deel in het teken gestaan van militaire dienst. Eerst bij de Prinses Irene Brigade, waarmee hij tijdens de Tweede Wereldoorlog streed voor de bevrijding van Nederland, en later bij de Koninklijke Marechaussee, waar hij jarenlang verantwoordelijkheden droeg bij de grensbewaking, de opleiding en de militaire politie.

De herinneringen aan zijn tijd bij de Brigade bleven hem zijn hele leven bij. Hij onderhield contact met oud-kameraden en bleef betrokken bij de reünies van de Prinses Irene Brigade.

Daan van de Velde heeft meermalen verteld dat hij zich meer een Ireneman dan een marechaussee voelde. De tijd bij de Prinses Irene Brigade had een bijzondere plaats in zijn leven ingenomen. De kameraadschap, de gezamenlijke ervaringen en de herinneringen aan de oorlog bleven hem altijd dierbaar.

Daan van de Velde in 1995, in vol ornaat, voordat hij naar een reünie van de Prinses Irene Brigade vertrekt
(Collectie Richard van de Velde).

Terug naar de inhoud