Porthcawl - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Porthcawl

Aankomst in Wales

Porthcawl
Het verblijf van de Nederlandse militairen in Wales, juni 1940

Van Haverfordwest naar Porthcawl
Na hun vlucht uit Nederland en de daaropvolgende tocht door België en Frankrijk waren verschillende groepen Nederlandse militairen erin geslaagd Groot-Brittannië te bereiken. Eind mei en begin juni 1940 werden zij voorlopig ondergebracht in Haverfordwest, in het zuidwesten van Wales.
De beschikbare huisvesting bleek echter al snel onvoldoende. Daarom werden de militairen vanaf 10 juni 1940 overgebracht naar het kamp Dan-y-Craig bij Porthcawl, een kustplaats in Zuid-Wales.
Een marechaussee herinnerde zich de aankomst van zijn groep:

‘Op 12 juni iets voor zessen kwam het overschot van de marechaussee aan in het kamp, waarbij ik al snel een paar Vlissingers ontdekte, w.o. een zekere Dert.’

De Nederlandse militairen waren afkomstig uit verschillende onderdelen van de krijgsmacht, waaronder de infanterie, de cavalerie, de artillerie, de genie, de Luchtvaartafdeling, de politietroepen en de Koninklijke Marechaussee.
In mei en juni 1940 kwamen volgens de gegevens op de oorspronkelijke website ongeveer 120 officieren, 360 onderofficieren en 980 korporaals en soldaten naar Groot-Brittannië. Zij vormden de aanzet tot de opbouw van een Nederlandse strijdmacht op Britse bodem. Het commando over de troepen in Porthcawl was in handen van majoor Sas; de marechaussees stonden onder leiding van Den Beer Poortugael.


Overzicht diverse Brigadeplaatsen


                  Aankomst Nederlandse militairen in Porthcawl 13 juni 1940 (Foto's : M. Berrier)

Het kamp Dan-y-Craig
De naam Dan-y-Craig betekent ongeveer ‘onder de rotsen’. Het kamp lag in een glooiend landschap, niet ver van de zee. Aan de noordzijde bevond zich een hogere heuvel met begroeiing, waaronder hazelaar, lijsterbes en meidoorn.
Op het terrein waren aanvankelijk Canadese militairen van de luchtmacht ondergebracht. Mede dankzij de inspanningen van de al in Engeland aanwezige luitenant-kolonel Noothoven van Goor werd het kamp geschikt gemaakt voor de Nederlandse troepen.


Kaartje van Porthcawl, met daaronder de gedetailleerde plaats van het kamp in de wijk DanYGraig


De officiersmess lag in de omgeving van Chestnut Drive, aan het einde van Danygraig Avenue. De tenten stonden verder in de richting van de grens tussen Porthcawl en Penybont. Marechaussees en politietroepen werden onderaan de helling ondergebracht, ongeveer in het gebied van Lime Tree Way.

Een provisorisch tentenkamp
De eerste voorzieningen waren eenvoudig. Op het terrein stonden aanvankelijk slechts enkele grote tenten; veel andere tenten lagen nog opgevouwen op de grond. In korte tijd werd het kamp uitgebreid met tenten van verschillende afmetingen.
Het tentdoek was geïmpregneerd met carbolineum. De geur daarvan maakte het verblijf in de tenten bijzonder onaangenaam. Ook de dieren in en rond het kamp bezorgden de militairen overlast.
Een van hen herinnerde zich:

‘Konijnen zitten er bij honderden en fazanten kraaien ons 's morgens wakker. Duizenden grote grijze ratten brachten ons 's nachts een bezoek in de tenten en sleurden zelfs ons scheerzeep weg.’



Het provisorische tentenkamp in Porthcawl

De bewoners van tent 26: w.o. R. van Rijken, F. de Boer, J. Lissenberg, R. Snijders (Bron Van de Haa)

Ondanks de primitieve omstandigheden waren de militairen blij dat zij zich eindelijk konden wassen en hun versleten kleding konden uittrekken. Een van hen beschreef zijn eerste ervaringen in het kamp:

‘Ik deed meteen mijn totaal versleten jasje uit. Mijn eigen broek was al in Frankrijk op de middennaad geheel in tweeën gevallen. Mijn ondergoed stonk. De doucheruimte in dit kamp was de hele dag open met heerlijk warm water.’

Bewaking en wantrouwen
De ontvangst van de Nederlandse militairen in Porthcawl was aanvankelijk weinig hartelijk. Het kamp Dan-y-Craig werd omringd door prikkeldraad en de eerste tijd bewaakt door Britse soldaten. De Nederlanders mochten het kamp niet zomaar verlaten. Ook moesten zij hun wapens en camera's inleveren.
Een van de militairen beschreef de situatie als volgt:

‘Was de ontvangst bij aankomst in Engeland al niet bijster enthousiast, in Porthcawl werden we helemaal behandeld als een partijtje vijfde kolonisten en moesten alle wapens en camera's inleveren. Wij mochten niet naar de stad en de bevolking had een verbod gekregen ons iets te verkopen.’

De Britse autoriteiten hadden daar hun redenen voor. Tijdens de Duitse inval in Nederland hadden Duitse militairen en agenten soms gebruikgemaakt van vermomming en nagemaakte uniformen. Daardoor bestond de vrees dat zich ook onder de Nederlandse vluchtelingen personen bevonden die voor Duitsland werkten.
De Nederlandse militairen moesten daarom een uitgebreid veiligheids- en achtergrondonderzoek ondergaan. Kapitein F. van der Kroon werd samen met een kleine staf met dit onderzoek belast. Er werden enkele personen uit het kamp verwijderd en veroordeeld.
De snelle Duitse opmars had bovendien grote indruk gemaakt op de Nederlandse militairen. Velen hadden familieleden en vrienden in bezet Nederland achtergelaten en wisten niet wanneer zij hen zouden terugzien. De onzekerheid over de toekomst maakte het verblijf extra zwaar.

De bewaking wordt overgenomen
Nadat de eerste veiligheidscontroles waren uitgevoerd en het vertrouwen geleidelijk toenam, droegen de Britten de bewaking over aan Nederlandse marechaussees en leden van de politietroepen. Zij moesten voortaan de orde binnen en rond het kamp handhaven.
De wacht was ondergebracht in een autobus bij de ingang van het kamp. De marechaussees en politietroepen hadden daarmee een belangrijke taak, maar hun positie was niet altijd gemakkelijk. Zij moesten toezicht houden op hun landgenoten en zo nodig corrigerend optreden.
De marechaussee had onder de Nederlandse militairen niet altijd een goede reputatie. Een herinnering uit die tijd laat zien dat oude ervaringen uit Nederland meespeelden:

“Ik voelde me niet lekker bij die lui. Voor de oorlog reed ik een straatje voor ze om. Ze bekeurden je als je geen fietsplaatje had.”

Ook de indeling van het kamp riep ergernis op. De officieren hadden de beste plaatsen op het heuvelachtige terrein, terwijl de marechaussees lager werden ondergebracht.

“In het begin leek Porthcawl meer op een krijgsgevangenenkamp. Een heuvelachtig terrein, waarop de officieren de beste plaats hadden. De marechaussees waren wat apart gezet onderaan de heuvel. Blauwen, zo noemden ze ons nogal haatdragend.”

v.l.n.r. Van Dullemen, Van Eerselen Van de Haak (Bron Van de Haak)



Nieuwe uniformen en beperkte bewapening


De eerste Britse uniformen
Bij aankomst in Porthcawl waren de Nederlandse militairen niet meer in het bezit van al hun oorspronkelijke kleding en uitrusting. Tijdens de terugtocht door Nederland, België en Frankrijk was veel materieel verloren gegaan of achtergelaten. De Britten moesten daarom voorzien in nieuwe uniformen en een deel van de verdere uitrusting.

Sommige militairen konden al op hun eerste dag in het kamp een nieuw uniform ophalen bij een Britse fouriertent. Ze kregen een Britse battledress met lange broek, een koppel, een bajonet, een helm en een geweer. Ook het ondergoed en de schoenen werden verstrekt.

Daan van de Velde in zijn eerste battledress (Copyright: R. van de Velde)

Voor veel militairen betekende het nieuwe uniform een belangrijke stap naar hun nieuwe bestaan als Nederlandse militairen in Groot-Brittannië. De Britse kleding verving geleidelijk de Nederlandse uniformen waarmee zij uit Nederland waren vertrokken.

De Enfield P14
Bij de uitrusting hoorde onder meer het Enfield P14-geweer, een Brits geweerontwerp uit de periode van de Eerste Wereldoorlog. De Nederlandse militairen kregen aanvankelijk echter maar weinig munitie. Volgens de gegevens op de oorspronkelijke website beschikten zij bij de uitgifte over slechts vijf patronen per geweer.


'Irenehelm' met kenmerkende gouden leeuw Enfield -P14

De uitrusting was daarmee nog lang niet voldoende om de Nederlandse troepen volledig gevechtsklaar te maken. Er was een groot tekort aan wapens en munitie. Ook moesten de militairen wennen aan het gebruik van Britse uitrusting en de bijbehorende voorschriften.

Van Nederlandse naar Britse onderscheidingstekens
De verandering bleef niet beperkt tot de kleding zelf. Ook de rangonderscheidingstekens veranderden. De Nederlandse rangtekens maakten plaats voor Britse onderscheidingstekens. Op de linkerbovenmouw werd een leeuw aangebracht, met daaronder een oranje banderol met de aanduiding ‘Nederland’.


Sgt. Theo Bot in grijze pak van de Politietroepen, met  grijs-oranje banderol met Netherlands op zijn mouw

Niet alle militairen droegen op hetzelfde moment dezelfde kleding. De overgang verliep geleidelijk, waardoor Nederlandse en Britse uniformen aanvankelijk naast elkaar te zien waren.

                                               
Kort na aankomst in Porthcawl: links Wim Veerkamp al in Engels uniform en rechts Albert Greeve nog in Nederlands uniform. Op 21 juni werden aan de grondtroepen de eerste Engelse battledresssen uitgedeeld.

Sommige militairen konden op de eerste dag al een nieuw uniform ophalen in een Engels fouriertent, compleet met alles erbij: een Enfield P14 geweer, die nog uit de Eerste Wereldoorlog dateerde, 5 (!)patronen, bajonet, koppel en Engelse helm. Het uniform was een Engelse battledress met lange broek met een grote zak op de linkerdijbeen. Ook het ondergoed was van Britse topkwaliteit. De schoenen waren normale leren werkschoenen met zool- en hakbeslag.
In eerste instantie was de naam van deze ongeregelde troepen in Porthcawl: 'Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot Brittannië'. Deze naam werd al snel veranderd in 'Nederlandsch Legioen' (Dutch Legion), omdat de Engelsen de term foreign legions gebruikten voor vreemde troepen in hun land.

'De bevolking was aardig. Als ze ons vroegen : "Are you Dutch?' zeiden we: "Nee, Hollanders!" Dutch klonk ook zo Duits.'
'Op 16 juni heb ik de heilige Mis bijgewoond in een  Clarissenklooster in Newton, waar ik zelfs de Mis heb gediend. In de openlucht  was in de tuin een altaar opgesteld. Een Franse priester heeft ons  toegesproken.'

Een tekort aan wapens en materieel
Hoewel de uitgifte van Britse uniformen een verbetering betekende, bleef de militaire uitrusting een groot probleem. De Nederlandse troepen beschikten aanvankelijk volgens de gegevens op de oorspronkelijke website over ongeveer driehonderd geweren, met vijf patronen per wapen, en enkele verouderde machinegeweren.
Bij oefeningen moesten de militairen soms bezemstelen gebruiken als vervanging voor geweren. Dat was geen ideale situatie voor een eenheid die zich moest voorbereiden op eventuele inzet aan het front.
De Britten kampten zelf met grote tekorten na de gevechten in Frankrijk en de evacuatie bij Duinkerken. Veel Brits materieel was verloren gegaan. De Britse legerleiding gaf daarom begrijpelijkerwijs voorrang aan de bevoorrading van de eigen eenheden.
Pas vanaf 1941 verbeterde de materiële situatie van de Nederlandse troepen geleidelijk door Britse leveranties.

De vorming van het Nederlandsch Legioen

Van losse groepen naar een militaire eenheid
De Nederlandse militairen die in Porthcawl bijeenkwamen, vormden aanvankelijk geen hechte, samenhangende eenheid. Ze waren afkomstig uit verschillende krijgsmachtonderdelen en hadden uiteenlopende ervaringen opgedaan tijdens de meidagen van 1940 en hun vlucht naar Engeland.
In eerste instantie werd de verzameling troepen aangeduid als het ‘Detachement Koninklijke Nederlandsche Troepen in Groot Brittannië’. Deze naam werd al snel veranderd in ‘Nederlandsch Legioen’, in het Engels Dutch Legion.
De nieuwe benaming paste bij de bedoeling om de militairen te organiseren tot een Nederlandse strijdmacht die de oorlog tegen Duitsland kon voortzetten. Daarvoor moesten de verschillende groepen worden samengebracht, de opleiding worden hervat en de organisatie worden verbeterd.
De vorming van een goed functionerende eenheid bleek echter niet eenvoudig. De militairen verschilden in leeftijd, opleiding, militaire ervaring en achtergrond. Ook bestonden er grote verschillen tussen beroepsmilitairen, dienstplichtigen en officieren.

Uitnodiging van Ltn.kol Sas voor de allereerste inspectie van het Kamp

Lees hier over de militairen die naar Londen werden overgeplaatst

Wantrouwen tegenover een deel van de officieren
Een van de problemen was het gebrek aan vertrouwen tussen een deel van de manschappen en hun officieren. Tijdens de chaotische vlucht uit Nederland en Frankrijk waren sommige militairen eerder in Engeland aangekomen dan anderen. Ook waren er gevallen waarin personen zich tijdens de vlucht een hogere rang hadden aangemeten dan zij werkelijk bezaten.
Een herinnering op de oorspronkelijke website beschrijft dit als volgt:

‘Op de boot van Engeland waren er verschillende officieren die zichzelf hadden gepromoveerd: een korporaal bleef twee jaar lang luitenant. Een medisch student beweerde arts te zijn. Kapitein Nolet bleek later sergeant Nolet te zijn...’

Een andere herinnering vermeldt:

‘De meeste officieren uit de Peellinie waren als eersten in Engeland. Dat zette veel kwaad bloed bij iedereen.’

Dergelijke ervaringen droegen bij aan het wantrouwen. Bovendien was niet iedere officier gewend om onder de moeilijke omstandigheden van het tentenkamp leiding te geven aan de troep. Sommige hoofdofficieren hadden voor de oorlog vooral bureauwerk verricht en waren het dagelijkse leven bij de troepen minder gewend geraakt.
Ook de houding tegenover het voortzetten van de oorlog verschilde. Een deel van de officieren zag weinig perspectief in verdere strijd en dacht eerder aan vertrek naar de Nederlandse gebieden overzee. Dat botste met de wens van militairen die juist naar Engeland waren gekomen om de strijd tegen Duitsland voort te zetten.
Een van de manschappen herinnerde zich:

‘Er was een enorm verschil tussen officieren en de gewone jongens. Er waren plaatsen waar je niet mocht komen en ik geloof ook dat de Engelsen de eerste tijd contact tussen ons en onze eigen officieren verboden. Een hoop van die officieren deugden niet, dat heeft een tijdje geduurd. Je kon niet zeggen dat we nou bepaald achting voor die lui hadden.’

De herinneringen laten zien dat de opbouw van het Legioen niet alleen een kwestie was van uniformen, wapens en organisatie. Ook het vertrouwen binnen de eenheid moest worden hersteld.

Lees hier over het moreel in het kampblad De Kampklok

De lichamelijke conditie van de militairen
Naast de organisatorische problemen speelde de lichamelijke conditie van de troepen een rol. De lange terugtocht, de ontberingen tijdens de vlucht en de onzekere periode na aankomst hadden hun sporen nagelaten.
Een aanzienlijk deel van de militairen voldeed volgens de oorspronkelijke beschrijving niet aan de gewenste lichamelijke eisen. Dat had onder meer te maken met de relatief hoge leeftijd van een aantal oorlogsvrijwilligers en beroepsmilitairen. Ook onder de marechaussees bevonden zich mannen die al jarenlang in dienst waren.
De oudste onderofficier was volgens de oorspronkelijke gegevens 57 jaar, terwijl de jongste marechaussee 22 jaar was. De gemiddelde leeftijd van de militairen wordt op de website vermeld als ongeveer 32 jaar.
De militaire leiding stond daarmee voor een lastige taak. Er moest een bruikbare gevechtseenheid worden gevormd uit mannen met uiteenlopende leeftijden, ervaringen en fysieke mogelijkheden. De opleiding, de lichamelijke training en de verdere organisatie moesten ervoor zorgen dat de troepen beter op hun toekomstige taken werden voorbereid.

Sterkte Nederlandse troepen op 30 september 1940
Het dagelijks leven in het kamp

Vroeg opstaan en leven in de buitenlucht
Het leven in het tentenkamp Dan-y-Craig was eenvoudig en soms behoorlijk ongemakkelijk. De militairen moesten wennen aan het leven in tenten, de beperkte voorzieningen en het dagelijkse militaire ritme.
Een van hen beschreef een gewone dag als volgt:

‘Om zes uur werd je gewekt en om half negen was het ontbijt. Het wassen en plassen geschiedde in de open lucht en de douches lieten ook nog wat frisse lucht langs je heen waaien.’

De sanitaire voorzieningen waren eenvoudig. De mannen moesten zich grotendeels buiten wassen en de douches boden weinig bescherming tegen de weersomstandigheden. Toch waren ze blij dat er warm water beschikbaar was. Na de lange vlucht uit Nederland en de tocht door Frankrijk was dat een aanzienlijke verbetering.

Een weinig geliefd menu
Ook het eten was niet voor iedereen een genoegen. De maaltijden werden buiten aan lange houten tafels genuttigd. Volgens de oorspronkelijke beschrijving werd er viermaal per dag gegeten en was er vrijwel altijd thee beschikbaar.
Toch waren er klachten over de eentonigheid van het menu. Vooral de grote hoeveelheden lamsvlees vielen niet bij iedereen in de smaak.
Een militair herinnerde zich:

‘Weken achtereen kregen de kieskeurige Hollanders niets anders te eten dan stamppot met lamsvlees, waarop geel schapenvet dreef.’

Een andere militair vatte zijn gevoelens nog korter samen:

‘Ik heb geen hekel aan schapen, maar ik kan die beestjes niet meer zien!’

Foto links op de voorgrond politietroepen, nog gekleed in het Nederlandse grijze uniform. Aan de houten tafels werden ook de maaltijden genuttigd.

De herinneringen laten zien dat de maaltijden niet door iedereen op dezelfde manier werden gewaardeerd. Waar de een vooral blij was dat er voldoende te eten was, ergerde de ander zich aan de steeds terugkerende gerechten.

Lees hier over de Engelse les in dit kamp
Lees hier over het plaatselijk vertier
Lees hier over de sportdagen in dit kamp
Lees hier over de kerkdiensten in dit kamp

Een kapper voor duizenden mannen
Ook voor de persoonlijke verzorging waren de voorzieningen beperkt. Volgens de oorspronkelijke website was er slechts één kapper voor ongeveer tweeduizend tot drieduizend mannen. Wie zijn haar wilde laten knippen, moest dus rekening houden met een lange wachttijd.
De combinatie van tenten, eenvoudige wasgelegenheden en beperkte voorzieningen maakte duidelijk dat Dan-y-Craig in eerste instantie vooral bedoeld was als tijdelijke opvang. Het kamp was geen comfortabele verblijfplaats, maar bood de Nederlandse militairen wel de mogelijkheid om bij elkaar te blijven en hun militaire opleiding te hervatten.

Marechaussees ontspannen even in Porthcawl

De eerste soldij
Op 22 juni 1940 werd voor het eerst soldij uitbetaald. Volgens de oorspronkelijke website bedroeg deze drie shilling per dag.
Voor de militairen betekende dit dat zij weer over enig eigen geld beschikten. Dat was van belang toen zij later meer vrijheid kregen om naar het stadje te gaan en daar iets te kopen of tijd door te brengen.
Het verblijf in Porthcawl bestond echter niet alleen uit ongemak en wachten. De militaire opleiding werd hervat, er werden sportdagen georganiseerd en de mannen kregen geleidelijk meer gelegenheid voor ontspanning. Ook het contact met de plaatselijke bevolking zou in de daaropvolgende periode een steeds grotere rol gaan spelen.

Opleiding en oefeningen

De militaire opleiding wordt hervat
Na aankomst in Porthcawl moest de militaire opleiding zo snel mogelijk worden hervat. De Nederlandse militairen waren afkomstig uit verschillende onderdelen en hadden tijdens de vlucht uit Nederland en Frankrijk veel van hun uitrusting verloren. Er moest daarom opnieuw worden gewerkt aan hun conditie, militaire vaardigheden en onderlinge samenwerking.
De opleiding bestond uit verschillende onderdelen. De dagen begonnen met lichamelijke training, in het Engels aangeduid als physical training (PT). Daarnaast kregen de militairen onderricht in het gebruik van wapens, Engelse les en oefeningen in het terrein.

Lichamelijke training en velddienst
De lichamelijke training was bedoeld om de conditie van de militairen te verbeteren. Er werd onder meer gelopen, gemarcheerd en geoefend in het terrein. Ook snelheidsmarsen maakten deel uit van het programma.
De velddienst moest de mannen voorbereiden op de omstandigheden waaronder zij later mogelijk zouden worden ingezet. Het was belangrijk dat de militairen ondanks de gebrekkige uitrusting hun vaardigheden op peil hielden en leerden samenwerken.

Oefenen met Britse wapens
De Nederlandse militairen moesten bovendien vertrouwd raken met Britse wapens en materieel. Een Engelse officier gaf onderricht in het gebruik van onder meer de Tommygun en de Bren Gun Carrier.
Ook werden demonstraties gehouden met de Bren Gun Carrier, een licht rupsvoertuig dat voor verschillende militaire taken kon worden ingezet.
De opleiding verliep niet altijd gemakkelijk. Er was aanvankelijk een tekort aan wapens en munitie en de militairen moesten wennen aan de Britse voorschriften. Toch vormden de oefeningen een belangrijke stap in de ontwikkeling van het Nederlandsch Legioen.

Een nieuwe militaire organisatie
De opleiding stond niet los van de verdere organisatie van de Nederlandse troepen. De verschillende groepen moesten worden samengebracht in een eenheid met een duidelijke commandostructuur. De ervaringen in Porthcawl maakten duidelijk hoeveel er nog moest gebeuren voordat de militairen als een samenhangende strijdmacht konden optreden.
De lichamelijke training, de velddienst en het onderricht in Britse wapens vormden daarom een belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven in het kamp.

Opleiding en oefeningen

De militaire opleiding wordt hervat
Na aankomst in Porthcawl moest de militaire opleiding zo snel mogelijk worden hervat. De Nederlandse militairen waren afkomstig uit verschillende onderdelen en hadden tijdens de vlucht uit Nederland en Frankrijk veel van hun uitrusting verloren. Er moest daarom opnieuw worden gewerkt aan hun conditie, militaire vaardigheden en onderlinge samenwerking.
De opleiding bestond uit verschillende onderdelen. De dagen begonnen met lichamelijke training, in het Engels aangeduid als physical training (PT). Daarnaast kregen de militairen onderricht in het gebruik van wapens, Engelse les en oefeningen in het terrein.

Lichamelijke training en velddienst
De lichamelijke training was bedoeld om de conditie van de militairen te verbeteren. Er werd onder meer gelopen, gemarcheerd en geoefend in het terrein. Ook snelheidsmarsen maakten deel uit van het programma.
De velddienst moest de mannen voorbereiden op de omstandigheden waaronder zij later mogelijk zouden worden ingezet. Het was belangrijk dat de militairen ondanks de gebrekkige uitrusting hun vaardigheden op peil hielden en leerden samenwerken.

Oefenen met Britse wapens
De Nederlandse militairen moesten bovendien vertrouwd raken met Britse wapens en materieel. Een Engelse officier gaf onderricht in het gebruik van onder meer de Tommygun en de Bren Gun Carrier.
Ook werden demonstraties gehouden met de Bren Gun Carrier, een licht rupsvoertuig dat voor verschillende militaire taken kon worden ingezet.

De opleiding verliep niet altijd gemakkelijk. Er was aanvankelijk een tekort aan wapens en munitie en de militairen moesten wennen aan de Britse voorschriften. Toch vormden de oefeningen een belangrijke stap in de ontwikkeling van het Nederlandsch Legioen.
Een nieuwe militaire organisatie
De opleiding stond niet los van de verdere organisatie van de Nederlandse troepen. De verschillende groepen moesten worden samengebracht in een eenheid met een duidelijke commandostructuur. De ervaringen in Porthcawl maakten duidelijk hoeveel er nog moest gebeuren voordat de militairen als een samenhangende strijdmacht konden optreden.
De lichamelijke training, de velddienst en het onderricht in Britse wapens vormden daarom een belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven in het kamp.


De materiële situatie in september 1940

De organisatie van het Nederlandsch Legioen op 24 september 1940

Na de parade van 31 augustus
Op 24 september 1940 was het Nederlandsch Legioen verder georganiseerd. De troepen waren verdeeld in mobiele eenheden en onderdelen die onder meer waren belast met opleiding, bewaking en ondersteuning.

A. Mobiele troepen
Het mobiele gedeelte omvatte het eerste bataljon, met vijf infanteriecompagnieën en een compagnie motordienst.
Daarnaast was er een compagnie mobiele marechaussee. Deze bestond uit vier pelotons en stond onder leiding van kapitein Suijlen. De compagnie was bedoeld voor marechaussees jonger dan 38 jaar.
Er was ook een Politieafdeling Marechaussee. Uit het personeel ouder dan 38 jaar werd een detachement van zestig man samengesteld onder leiding van kapitein Van der Kroon. Dit detachement had een politietaak en hield toezicht op en controleerde Nederlandse militairen. Daarbij werd nauw samengewerkt met de politie van Porthcawl.

Klik hier voor de diverse namenlijsten.

                                                            
Een nieuwjaarswens van de 4e compagnie

Een deel van het marechausseepersoneel, met name onderofficieren ouder dan veertig jaar, werd naar Londen overgeplaatst om daar verschillende diensten te ondersteunen.

B. Depotbataljon
Naast de mobiele troepen was er een depotbataljon. Dit bestond uit drie recrutencompagnieën van elk 95 man.
Verder was er een compagnie voor de zogenaamde subsistents: burgers en militairen die waren afgekeurd voor actieve dienst. Deze eenheid werd ook wel de 4e compagnie genoemd en telde 145 man.
Een deel van de militairen werd ingezet voor bewakingstaken bij havens, industrieën en vliegvelden. Zo werden onder meer havens en staalfabrieken in de omgeving bewaakt. Ook bij vliegvelden zoals St. Athan, bij Cardiff, en Stonning Downs werden bewakingstaken uitgevoerd. De marechaussee onder Den Beer Poortugael bleef in Porthcawl gelegerd.

Een militair beschreef een indrukwekkende ervaring tijdens de bewaking van de haven van Port Talbot:

“Toen wij de haven van Port Talbot moesten bewaken, zagen we dat Swansea door de Duitsers werd gebombardeerd. De lucht zag zwart en het stonk enorm door de olietanks die in brand stonden.”

Deze herinnering geeft een beeld van de oorlog die ook in Zuid-Wales voelbaar was. De militairen waren weliswaar in Engeland aangekomen, maar bevonden zich niet buiten het bereik van de Duitse luchtaanvallen.

Lees hier meer over het Depotbataljon
Parade van de Nederlandse troepen op 31 augustus 1940 bij hun hoofdkwartier, hotel Esplanade aan de boulevard in Porthcawl. De PAG-trekker is omgebouwd tot anti-tankvoertuig.  
                                    
    
De heterogene samenstelling van de Brigade bemoeilijkte het functioneren ervan als eenheid. De militairen hadden zeer verschillende maatschappelijke achtergronden. Onder de rekruten bevonden zich bijvoorbeeld een relatief groot aantal personen met een hogere opleiding. Vanwege het overschot aan kader en officieren konden evenwel weinigen van hen worden opgeleid voor een hogere rang. Niet iedereen wist deze teleurstelling even goed te verwerken en een enkeling begon zich kritisch op te stellen. Ook in militair opzicht was de herkomst verschillend. In het bijzonder de Marechaussees werden niet erg welwillend bejegend. Vele dienstplichtigen hadden zich in de vooroorlogse burgermaatschappij een negatief beeld van deze beroepsmilitairen gevormd.

Weekblad De Kampklok
Een eigen krant voor de Nederlandse militairen
Tijdens het verblijf in Porthcawl ontstond de behoefte aan een eigen weekblad. De Nederlandse militairen leefden in een vreemde omgeving, ver van huis en familie. Een krant bood de mogelijkheid om nieuws te delen, activiteiten aan te kondigen en de onderlinge verbondenheid te versterken.
Het blad kreeg de naam De Kampklok. Bij de eerste uitgave beschikte het nog niet over een vaste naam of een logo. Door middel van een prijsvraag werd daarin verandering gebracht. Ook het uiterlijk van het blad veranderde in de loop van de tijd.


Een van de eerste uitgaven van De Kampklok. Het blad had nog geen definitief logo en het postadres verwees naar tent 42.

Bij een latere uitgave verscheen tijdelijk een ander logo. Geleidelijk kreeg het blad een herkenbaarder uiterlijk, passend bij het leven in het tentenkamp.

Bij nummer 8 verscheen tijdelijk een nieuw logo

Een bijzonder nummer verscheen op 31 augustus 1940, ter gelegenheid van de verjaardag van koningin Wilhelmina. Het blad stond die keer in het teken van de koningin. Het logo verwees inmiddels duidelijker naar het dagelijkse leven in het tentenkamp en ook de prijs was vastgesteld op drie pence.

De Kampklok van 31 augustus 1940, gewijd aan de verjaardag van koningin Wilhelmina

Het weekblad is een waardevolle bron voor het onderzoek naar het leven van de Nederlandse militairen in Wales. Het laat niet alleen zien wat er in het kamp werd georganiseerd, maar geeft ook een indruk van de stemming, de onderlinge verhoudingen en de manier waarop de mannen hun verblijf beleefden.
Meer voorbeelden en afbeeldingen van het blad zijn te vinden op de afzonderlijke pagina Weekblad De Kampklok.

Het afscheid van Porthcawl

Een afscheidsavond in de Grand Pavilion
Naarmate de herfst naderde, werden de nachten kouder. Het tentenkamp Dan-y-Craig was niet geschikt om de winter door te komen. Daarom werd uitgekeken naar een andere verblijfplaats voor de Nederlandse militairen.
Op 26 september 1940 werd in de Grand Pavilion in Porthcawl een afscheidsavond georganiseerd. De avond bestond voornamelijk uit muziek en zang. Voor de mannen was het een gelegenheid om terug te kijken op de maanden die zij in Wales hadden doorgebracht.
Een bijzonder moment was het zingen van het Legioenslied, dat was gecomponeerd door Van der Lijn, de dirigent van het kampkoor.

Het populaire New Continental café


Wachtmeester Jol met kameraden op de promenade in Porthcawl

Het Legioenslied
Het Legioenslied verwoordde de vastberadenheid van de Nederlandse militairen om de strijd voort te zetten en bij te dragen aan de bevrijding van hun vaderland.
In het lied klonk het vertrouwen door dat Nederland uiteindelijk weer vrij zou worden. Voor de mannen die hun land hadden moeten verlaten, was dat een belangrijke boodschap.

        

               Wij zonen van een Staat                  
Die nimmer heeft gebogen
Nooit zullen wij gedogen
Dat vrijheid ondergaat.
Nooit zullen wij berusten
Aan onze schone kusten
In vreemde heerschappij
Ons Holland wordt weer vrij.
Wij maken ons gereed
Wij zullen opmarcheren
Verdrijvend vreemde heren
Die brachten zoveel leed.
Dan kunnen wij weer bouwen
In vrede en vertrouwen
Want eenmaal keert het tij
Dan wordt ons Holland vrij.

Het Legioenslied, gezongen tijdens de afscheidsavond in Porthcawl.

De laatste Kampklok
Ook het kampblad besteedde aandacht aan het naderende vertrek. In de laatste Kampklok uit Porthcawl, gedateerd 5 oktober 1940, publiceerde L.R. van Vliet het gedicht Om nooit te vergeten.
De dichter keek daarin met gemengde gevoelens terug op het verblijf in het tentenkamp. De omstandigheden waren vaak primitief geweest, maar de mannen hadden er samen een belangrijke periode doorgemaakt.

De laatste Kampklok uit Porthcawl, verschenen op 5 oktober 1940, met het afscheidsgedicht van L.R. van Vliet:

Om nooit te vergeten
Ik voel mij droef en aangedaan
Omdat ik uit het kamp moet gaan
Een traan bevond zich op mijn wang
En in mijn hart een treurgezang
Hoe zal ik mij des nachts vervelen
Geen rat zal rond mijn bedje spelen
En ik zal niet meer liggen woelen
Of van die kleine beestjes voelen
De wespen, ach hoe zullen zij
Hun doelwit vinden zonder mij?
Adieu, gekriebel en gejeuk
Adieu, keiharde grond
Adieu, gedierte allemaal
't Was akelig, maar gezond

Het vertrek op 2 oktober 1940
Op 2 oktober 1940 hadden de Nederlandse militairen voor de 113e keer onder tentdoek geslapen. Daarna werden de tenten afgebroken en het kamp opgeruimd. De mannen lieten het terrein schoon achter.
Op het station van Porthcawl stonden twee treinen klaar om de militairen naar Congleton te brengen. Veel inwoners kwamen afscheid nemen. Volgens de herinneringen werden de vertrekkende mannen door talrijke jonge vrouwen uit Porthcawl nagewuifd.

Een nieuwe fase in de geschiedenis van de brigade
Het vertrek uit Porthcawl betekende het einde van een bijzondere periode. In Wales waren Nederlandse militairen uit verschillende onderdelen samengebracht. Ze hadden onder primitieve omstandigheden geleefd, hun opleiding hervat en de eerste stappen gezet naar de vorming van een georganiseerde Nederlandse strijdmacht.
Niet alles was gemakkelijk verlopen. Er waren tekorten aan materieel, spanningen binnen de troep en onzekerheid over de toekomst. Toch was in Porthcawl de basis gelegd voor de verdere ontwikkeling van het Nederlandsch Legioen.
Op 2 oktober 1940 arriveerden de eerste troepen in Congleton, waar ze opnieuw onderdak moesten vinden en waar de organisatie verder zou worden uitgebouwd.

Terug naar de inhoud