Detachementen en speciale opdrachten (1941–1942) - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Detachementen en speciale opdrachten (1941–1942)

Wolverhampton > Wrottesley Park
De Prinses Irene Brigade raakt verspreid (1941–1942)

Een Brigade die steeds kleiner wordt
Op 2 september 1941 werd het bevel over de Prinses Irene Brigade overgenomen door kolonel Van Voorst Evekink. Het oorspronkelijke voornemen was om een complete Brigade van 3.000 tot 5.000 man te vormen. Dat plan kon niet worden uitgevoerd, omdat er onvoldoende personeel beschikbaar was.
De sterkte van de Brigade bedroeg op dat moment ongeveer 1.600 man. De eenheid werd verzwakt doordat detachementen naar andere bestemmingen werden gestuurd, militairen een opleiding tot specialist volgden en personeel werd aangewezen voor andere onderdelen van de Nederlandse strijdkrachten.
In september en november 1941 vertrokken bovendien twee detachementen naar Suriname en de Nederlandse Antillen. Samen bestonden deze detachementen uit 248 man.

De oorlog met Japan verandert de plannen
Toen in december 1941 de oorlog met Japan uitbrak, kwam de toekomstige taak van de Brigade opnieuw ter discussie te staan.
Brigadecommandant Van Voorst Evekink wilde graag de gehele Brigade naar Nederlands-Indië sturen. Ook koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering steunden dit idee. Binnen de Brigade bestond hiervoor echter weinig animo. Sommige militairen beriepen zich op de Nederlandse grondwet, waarin volgens hen was bepaald dat militairen alleen op vrijwillige basis naar overzeese gebiedsdelen konden worden gezonden.
Uiteindelijk vertrok op 7 januari 1942 toch een detachement van ongeveer 150 vrijwilligers naar het Verre Oosten. Ook de Brigadecommandant maakte deel uit van deze groep.
Door de capitulatie van Nederlands-Indië op 8 maart 1942 kon het detachement daar niet meer worden ingezet. De groep werd naar Ceylon gedirigeerd. Het grootste deel van de groep ging in de maanden daarna op in het Korps Insulinde, dat geheime acties uitvoerde op het door de Japanners bezette Sumatra.


Afscheid Indië-detachement bij het brigadebureau  

Pack all your troubles...'. to Indië   v.l.n.r. dhr. Goes, dhr. Blokland en dhr.  Scholz


De Ruyter van Steveninck neemt het commando over

De Ruyter van Steveninck

Door het vertrek van Van Voorst Evekink ging het commando op 6 januari 1942 over op luitenant-kolonel van de artillerie De Ruyter van Steveninck. Ook hij kreeg te maken met een verdere leegloop van de Brigade.
Om hem zoveel mogelijk gelegenheid te geven zijn oorlogstaak voor te bereiden, werd de Inspectie Nederlandse Troepen gevestigd in het landhuis Dane's Court in Tettenhall, bij Wolverhampton. Generaal-majoor Noothoven van Goor trad op als inspecteur.
De bureaus van het ministerie in Londen konden daardoor klein worden gehouden. In de praktijk gebruikte de Nederlandse regering de Brigade steeds meer als een depot waaruit andere militaire onderdelen personeel konden betrekken.
De luchtmacht had grondpersoneel nodig, de marine zocht kanonniers en er was behoefte aan personeel voor inlichtingenwerk. Een aantal van deze inlichtingenmedewerkers werd als agent boven bezet Nederland gedropt en werd slachtoffer van het beruchte Engelandspiel.

Nederlandse vrijwilligers naar de Britse commando's
Ook de opleiding van speciale troepen onttrok personeel aan de Brigade.
Op 22 januari 1942 werden acht officieren, zeventien onderofficieren, vier korporaals en negentien soldaten naar het Commando Basic Training Centre in Achnacarry in Schotland gestuurd. Daar zouden zij als vrijwilligers deelnemen aan een Britse commando-opleiding.
Uiteindelijk slaagden ongeveer tachtig mannen van de Prinses Irene Brigade erin om bij de commando's van No. 2 Dutch Troop te worden ingedeeld.


Achnacarry  memorial, dat uitziet over de  terreinen waar destijds de Nederlandse commando's werden opgeleid. Rechts: commando's in opleiding


Bewaking van de koningin en andere taken
Er was ook veel personeel nodig voor het zogenoemde Detachement Maidenhead, dat belast was met de bewaking van koningin Wilhelmina.
De koningin verbleef meestal in Stubbings House bij Maidenhead, maar soms ook op Chester Square 77 in Londen, waar haar secretariaat was gevestigd. Daarnaast moesten Nederlandse regeringsgebouwen in Londen worden bewaakt.
De Brigade leverde bovendien personeel voor administratieve functies in Londen. Dit waren voornamelijk militairen die ongeschikt waren voor gevechtsfuncties.

Lees hier het artikel over de twee gesneuvelde bewakers van de koningin.

Ook Piet Bosch, die ordonnance van koningin Wilhelmina was en later chauffeur van prins Bernhard werd, maakte deel uit van deze geschiedenis.


Opleiders op weg naar Canada

Kanonniers voor de koopvaardij en opleiders voor Canada
In maart 1942 werden 69 mannen aangewezen voor een opleiding tot kanonnier op koopvaardijschepen. Na hun opleiding werden zij op deze schepen geplaatst.
Daarnaast vertrokken veertig mannen naar Stratford in Canada. Zij kregen de taak nieuwe rekruten uit Noord-Amerika op te leiden.
Ook volgden militairen de Britse parachutistenopleiding. Verder werd grondpersoneel aangewezen voor het 322 Spitfire Squadron.


De Nederlandse parachutisten
Het mouwembleem van de para's

Een kleine groep militairen van de Brigade volgde een Britse parachutistenopleiding. Voor bijzondere opdrachten werden ook parachutisteneenheden uit andere landen opgeleid. Deze eenheden werden aangeduid als Special Air Service (SAS) en bestonden uit vrijwilligers.
In maart 1942 vertrok de eerste groep van twintig Nederlandse vrijwilligers naar een Britse opleidingsschool. Later volgden nog meer groepen.
Bij de reorganisatie van 1 januari 1943 werden deze militairen ondergebracht in een speciale compagnie, de zogenoemde Noothoven van Goor-compagnie. Daar werd hun opleiding voltooid.
Als herkenningsteken droegen zij op de rechtermouw een embleem met een oranje parachute.

De gevolgen voor de sterkte van de Brigade
Niet alle aanwezige militairen konden voor gevechtsfuncties worden ingedeeld. De geallieerde autoriteiten hanteerden volgens de oorspronkelijke tekst een leeftijdsgrens van 45 jaar voor frontsoldaten.
Door de verschillende uitzendingen, opleidingen en overplaatsingen verminderde de sterkte van de Brigade tussen 1 september 1941 en 13 april 1942 met 48 officieren, 76 onderofficieren en 395 korporaals en soldaten.
De totale sterkte kwam daarmee op 1.205 man, van wie er 900 geschikt waren voor gevechtsfuncties.
De Brigade was bedoeld als zelfstandige Nederlandse gevechtseenheid, maar beschikte daarvoor steeds minder over voldoende personeel. Dat had ook gevolgen voor het moreel.

Frustratie en sympathie voor het Rode Leger
De onmogelijkheid om als complete gevechtseenheid te worden ingezet, had op veel militairen een deprimerende invloed.
Volgens de oorspronkelijke tekst koesterden sommige militairen daardoor duidelijk sympathie voor het Rode Leger van de Sovjet-Unie. Op een nacht werd in een van de waslokalen een embleem met de hamer en de sikkel aangebracht, met daaronder de teksten:

‘Leve Rusland’ en ‘Rusland zal overwinnen’

De frustratie uitte zich niet alleen in politieke sympathieën, maar leidde ook tot spanningen binnen de Brigade.

Antisemitisme en onderlinge spanningen
De oorspronkelijke geschiedschrijving vermeldt dat de frustratie onder sommige militairen ook antisemitische uitingen in de hand werkte. Dat was des te schrijnender omdat volgens de tekst ongeveer twintig procent van de Irenemannen Joods was.
De zogenoemde ‘lijntrekkers’ wekten wrevel op. Dit leidde er onder meer toe dat op een kamerdeur de volgende tekst werd geschreven:

‘We vechten niet alleen tegen Hitler, maar ook tegen de joden.’

Sommige militairen gebruikten ook de beledigende aanduidingen ‘kromneuzen’ en ‘de afdeling krombaangeschut’.
De oorspronkelijke tekst stelt vervolgens dat deze afkeer niet diep ging, omdat het gemeenschappelijke gevaar de tegenstellingen ophief. Dat is de interpretatie van de oorspronkelijke auteur; de beschreven uitingen zelf blijven belangrijke aanwijzingen voor de spanningen binnen de Brigade.

Een incident in de slaapbarak
Dat er ook personen binnen de Brigade waren die door Duitse propaganda waren beïnvloed, blijkt uit een herinnering van brigadist Van der Eem:

„Tussen een van de Engelandvaarders zat een jongen die blijkbaar nogal beïnvloed was door de Duitsers. Met de Duitse pas liep hij door de slaapbarak en ook wel eens over het kamp, iets wat natuurlijk niet onopgemerkt voorbijging.
Tot het moment dat de man de grote fout maakte door in een barak waar een Joodse sergeant gelegerd was boven diens bed een geraamte te tekenen. Een paar dagen later werd hij toch maar naar het eiland Man afgevoerd".

De oorspronkelijke pagina verwijst hierbij ook naar geschiedschrijver Lou de Jong en zijn negende deel over de Tweede Wereldoorlog:

‘Deze voorvallen heeft geschiedschrijver Lou de Jong nu juist wel in deel 9 van zijn levenswerk aangehaald. Geen lovende woorden zijn daarin te vinden, alleen maar kritische kanttekeningen.’

De legionairs uit het Franse Vreemdelingenlegioen
Ook de veertig legionairs die uit het Franse Vreemdelingenlegioen naar de Brigade waren gekomen, zorgden volgens de oorspronkelijke tekst voor spanningen.
Bij hun werving zou hun zijn beloofd dat zij in Engeland hun Nederlanderschap zouden terugkrijgen. Daarom hadden zij het Vreemdelingenlegioen verlaten. Volgens de oorspronkelijke tekst gebeurde dit uiteindelijk pas na veel aandringen, in juli 1944.
De mannen stonden bekend als militair begaafd, maar na terugkeer van oefeningen ontstonden er problemen. De tekst noemt onder meer stroperij en vechtpartijen en beschrijft dat de discipline soms ver te zoeken was.

Een vicieuze cirkel
De Brigade raakte zo in een vicieuze cirkel verstrikt. Omdat de eenheid als complete gevechtsformatie niet voldoende inzetbaar was, werd zij niet voor die taak gebruikt. Daardoor werd zij voor de geallieerde troepen steeds minder interessant.
Tegelijkertijd bleef de instroom van nieuwe rekruten achter bij de verwachtingen. De Nederlandse regering moest daarom haar plannen om een Brigade van 3.000 tot 5.000 man te vormen herzien.
Binnen de Brigade bestond het idee dat kleinere Nederlandse eenheden beter konden worden ingezet door ze bij Britse onderdelen onder te brengen. De regering hield echter vast aan het behoud van een herkenbare zelfstandige Nederlandse eenheid binnen de geallieerde legers.
Op 16 december maakte de minister van Oorlog aan de Brigade bekend dat per 1 januari 1943 een reorganisatie zou plaatsvinden. De Brigade zou worden omgevormd tot een gemotoriseerde eenheid.
Daarmee brak een nieuwe fase aan: de reorganisatie en opleiding die de Brigade uiteindelijk moesten voorbereiden op haar inzet op het Europese vasteland.

Lees verder in hoofdstuk 3: De reorganisatie van de Prinses Irene Brigade (eind 1942–begin 1943).
Terug naar de inhoud