Oirschot
In Nederland
Oirschot – Aan het Wilhelminakanaal
De Prinses Irene Brigade in Nederland, oktober 1944
De situatie aan het front
Begin oktober 1944 verliep de geallieerde opmars in Nederland niet zoals de legerleiding had gehoopt. Operatie Market Garden had niet het gewenste resultaat opgeleverd en grote delen van Noord-Brabant waren nog in Duitse handen. De frontlijn liep van Oss via Best en Baarle-Nassau tot even ten noorden van Antwerpen.
De lange, kwetsbare aanvoerlijnen en de beperkte capaciteit van de havens aan het Kanaal bemoeilijkten de bevoorrading van de geallieerde legers. Het was daarom van groot belang om over een grote haven in deze regio te beschikken. Antwerpen was hiervoor een logische keuze. Daarvoor moesten de Duitsers echter eerst uit grote delen van Noord-Brabant en de toegangswegen naar de haven worden verdreven. Ook in Zeeland boden de Duitsers nog hevig weerstand. In Noord-Limburg hielden zij bovendien een bruggenhoofd bij Venlo op de westelijke oever van de Maas bezet.
De militairen van de Prinses Irene Brigade waren inmiddels geruime tijd in het Land van Maas en Waal ingezet. De omstandigheden waren zwaar en de voortdurende Duitse dreiging maakte het verblijf vermoeiend.
Een brigadist verwoordde zijn gevoelens als volgt:
‘'t Werd tijd dat we dit nare rotland van Maas en Waal gingen verlaten. Het wemelde er van de N.S.B.'ers.’
Naar de omgeving van Oirschot

Op 13 oktober 1944 werd de Brigade, onder bevel van de Britse 4e Pantserbrigade, naar de omgeving van Eindhoven verplaatst. Op 17 oktober kwam zij aan op de Oirschotse Heide en in de omgeving daarvan. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Oerle, ten westen van Eindhoven.
De Brigade stond onder bevel van de Britse 154e Brigade van de 51e Divisie van het 2e Britse Leger. Haar opdracht was de frontlijn op de zuidoever van het Wilhelminakanaal te bezetten, tegenover Best en Oirschot. De Duitsers hielden de noordoever in handen.

Operaties op de Oirschotse Heide
Het was koud en vochtig. Bovendien bestookten de Duitsers de stellingen voortdurend met mortiervuur. De opdracht van de Brigade was te voorkomen dat de Duitsers het Wilhelminakanaal zouden oversteken en de geallieerde stellingen zouden binnendringen.
De drie gevechtsgroepen werden naast elkaar opgesteld, aangevuld met delen van de verkenningsafdeling. Iedere gevechtsgroep moest een frontbreedte van ongeveer drie kilometer verdedigen. De voorste eigen stellingen lagen ongeveer vierhonderd meter ten zuiden van het kanaal.
Door de hoge kanaaldijken konden de Nederlandse militairen de noordelijke oever niet goed zien. De Duitsers hadden daarentegen een goed uitzichtpunt: de oude toren van Oirschot. Beschietingen door de geallieerde artillerie hadden aanvankelijk weinig resultaat. Twee Irenemannen wisten echter wel een Duitse wachtpost uit de nok van de toren te schieten.
De stellingen bij 's-Heerenvijvers
Het eerste peloton van gevechtsgroep I, onder leiding van luitenant Herbrink, bezette het meest westelijke gedeelte van de stellingen, bij de ophaalbrug bij 's-Heerenvijvers. Van daaruit liep het front ongeveer twee kilometer naar het westen.
Het peloton nam de posities over van een Schotse compagnie. Bij die gelegenheid kregen de Nederlandse militairen de woorden mee: ‘May God bless you my son.’
De opdracht was de Duitsers te beletten het kanaal over te steken en de eigen stellingen binnen te dringen. Omdat het peloton een groot gebied moest verdedigen, werd gekozen voor drie vaste posten ter grootte van een groep. Daartussen patrouilleerden militairen. Daarnaast werden verkenningspatrouilles uitgevoerd vóór de eigen stellingen en aan de vijandelijke zijde van het kanaal. Bij elk van de drie vaste posten stond een zware mitrailleur opgesteld.
De patrouilles bleken succesvol. Tijdens de nachtelijke patrouilles van 17 op 18 oktober en van 18 op 19 oktober werden twee Duitse patrouilles ontdekt. De eerste bestond uit zes man, de tweede uit acht. Beide groepen werden zonder dat er geschoten hoefde te worden gevangengenomen.
De oversteek van het Wilhelminakanaal
De Duitse aanwezigheid aan de overzijde van het kanaal bleef een voortdurende bedreiging. Daarom werden ook verkenningen uitgevoerd waarbij militairen met boten het kanaal overstaken.
In de nacht van 21 oktober probeerde een patrouille het Wilhelminakanaal over te steken. De militairen werden echter door een Duitse patrouille ontdekt. Er ontstond een vuurgevecht. Bij deze actie raakte soldaat Rinus Stönner zo zwaar gewond dat hij de volgende dag in een ziekenhuis in Eindhoven overleed. Stönner was in Canada opgegroeid en sprak nauwelijks Nederlands. Zijn dood maakte diepe indruk op zijn kameraden.
Een herinnering aan de beschieting luidt:
‘Hij hoorde nog het afvuren en riep tegen zijn maten dat ze in dekking moesten, maar voor hem was het te laat..’
De dood van marinier W. Meijwaard

Ook de mariniers die bij de Brigade waren ingedeeld, moesten onder moeilijke omstandigheden hun posities bezet houden. Op 20 oktober 1944 sneuvelde korporaal der mariniers W. Meijwaard tijdens een van de vele Duitse mortierbeschietingen. Hij werd in zijn hals getroffen door een vijandelijke granaatscherf.

Marinier Meijwaard in actie. (uit:The War Illustrated)
Meijwaard was de eerste marinier die tijdens deze inzet om het leven kwam. Zijn dood maakte grote indruk op zijn kameraden.
De militairen moesten dag en nacht rekening houden met beschietingen. Het terrein bood weinig bescherming en het natte weer maakte het leven in de stellingen extra zwaar.
Een brigadist herinnerde zich:
‘Het regende onafgebroken en mulle zandpaden waren veranderd in modderpoelen. Onze zware winterjassen waren doordrenkt, maar ik vond een kuil, ging erin liggen en trok een grote dennentak over mij heen.’
Een andere herinnering laat zien dat zelfs alledaagse bezigheden gevaarlijk konden zijn:
‘En marinier zat op een dag zijn plunje te wassen toen een Duitser dwars door zijn emmer schoot, waardoor het sop wegliep. Boos riep hij: “Dat moet je met mij doen, rotmof.” Prompt werd hij, tot vermaak van zijn makkers, in zijn been geschoten. Geen groter vermaak dan leedvermaak....’
Leven in de schuttersputjes

De militairen verbleven in schuttersputjes die bescherming moesten bieden tegen de Duitse beschietingen. Vaak was er alleen een zeil om de regen buiten te houden. De putjes werden onderling verbonden met wit lint, zodat de militairen in het donker hun weg konden vinden.
Een soldaat vertelde:
‘We lagen daar in schutterputjes waarover een zeil was gespannen tegen de regen. Onderling waren deze putjes verbonden met wit lint ter markering in het donker. Een keer passeerde ik zo'n putje te dicht bij het patrouilleren en kiepte het regenwater uit het zeil bovenop korporaal Loontjes. Hij was er niet blij mee....’
De voortdurende wacht- en patrouillediensten eisten hun tol:
‘Aangezien 's nachts ongeveer 50% van de manschappen belast was met wacht- en patrouillediensten, was het verblijf hier erg vermoeiend.’

Beschieting van de Sint-Petrus-Bandenkerk in Oirschot op 2 oktober 1944. Deze beschieting vond plaats voordat de Prinses Irene Brigade op 17 oktober 1944 haar stellingen op de Oirschotse Heide betrok.
De laatste dagen voor de bevrijding van Oirschot
Tussen 21 en 23 oktober beschoten de Brigade en Britse eenheden de Duitse stellingen met honderden mortiergranaten. De geallieerden bereidden zich voor op de volgende fase van het offensief.
In de nacht van 22 op 23 oktober werd het plotseling stil. In de vroege middag van 23 oktober verschenen twee burgers met een witte vlag bij de Nederlandse stellingen. Zij vertelden dat de Duitse militairen Oirschot in allerijl hadden verlaten.
Een brigadist herinnerde zich:
‘Opeens stonden twee burgers te zwaaien met een witte vlag. We hielden de vinger aan de trekker. Ze vertelden ons dat de Moffen in allerhaast uit Oirschot waren vertrokken. De Engelse tanks rolden het dorp binnen en ik hoorde de burgers juichen. Wij gingen helaas niet naar binnen, al hadden we graag in de vreugde willen delen.’
De week was zwaar geweest. De militairen waren vermoeid door de nachtelijke patrouilles, de voortdurende beschietingen en het gebrek aan rust.
Een van hen beschreef de situatie als volgt:
Schotse troepen trekken Oirschot binnen via de Rijkesluisstraat.
‘Die hele week was erg afmattend. 's Nachts op patrouille had je veel last van oogverblindende Duitse lichtgranaten en overdag kon je niet slapen van de mortierinslagen.’
Op weg naar Tilburg
Op 22 oktober 1944 werd het grote geallieerde offensief ingezet om de Duitse posities in Noord-Brabant terug te dringen en de toegangswegen naar Antwerpen veilig te stellen.

Op 23 oktober vertrok de Prinses Irene Brigade vanaf de Oirschotse Heide. De route liep via Zeelst, Oerle, het zwaar gehavende Middelbeers en Diessen in de richting van Hilvarenbeek. Het doel was de verdere opmars naar Tilburg.
De Brigade stond bij deze operatie onder bevel van de Britse 15e Schotse Divisie. De Schotse troepen trokken eveneens op richting Tilburg en kwamen op 24 oktober Oirschot binnen, waar zij geen tegenstand meer ondervonden.
De inwoners van Oirschot konden opgelucht ademhalen. Voor de militairen van de Prinses Irene Brigade was het vertrek echter geen einde van de strijd. Hun volgende opdracht lag in de richting van Tilburg.

Etiket van het bevrijdingsbier uit 1994, ter herinnering aan de bevrijding.
Dagboekverslagen
De belevenissen van de militairen tijdens hun verblijf bij Oirschot zijn ook terug te vinden in de dagboekverslagen uit deze periode.
De herinneringen en citaten op deze pagina geven een beeld van de zware omstandigheden waarin de Prinses Irene Brigade en de bijbehorende eenheden in oktober 1944 hun stellingen aan het Wilhelminakanaal bezetten. De voortdurende beschietingen, de nachtelijke patrouilles en het verlies van kameraden maakten deze periode tot een zware beproeving.