Ton Loontjes (marinier) - Prinses Irene Brigade

Ga naar de inhoud

Ton Loontjes (marinier)

Biografieën oud-leden
De oorlog van marinier Ton Loontjes
Veteraan van het Korps Mariniers en de Prinses Irene Brigade

Geboren: 19 november 1922 in Maaastricht
Overleden: 13 november 2010 in Goes

Interview van Richard van de Velde in 2008 in Doorn


Inleiding en eerste herinneringen
Het gesprek met marinier Ton Loontjes  en zijn Culemborgse vrouw, vindt plaats in een rustige huiskamer, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Op tafel ligt mijn klein opnameapparaat, een modern hulpmiddel waarmee herinneringen worden vastgelegd die anders langzaam zouden vervagen. Loontjes kijkt er met lichte verwondering naar en merkt op hoe eenvoudig het tegenwoordig is om gesprekken op te nemen en terug te luisteren. Voor hem, die zijn jeugd doorbracht in een tijd zonder dergelijke middelen, blijft het iets bijzonders. Tegelijk vormt het een brug tussen heden en verleden, want wat hij vertelt, voert terug naar de oorlogsjaren waarin alles onzeker was en niets vanzelf sprak.

Ton Loontjens groeide op als oudste kind in een Maastrichts gezin met acht kinderen, in een periode waarin het leven bepaald werd door de economische crisis van de jaren dertig. Het gezin had het niet breed. Zijn vader werkte als kraanmachinist op de cementfabriek, terwijl zijn moeder haar bijdrage leverde in een sigarenfabriek. Van jongs af aan werd duidelijk dat iedereen moest meehelpen om het gezin draaiende te houden. Op veertienjarige leeftijd verliet Loontjens daarom de school om te gaan werken. Hij verrichtte zwaar en vaak vuil werk, dat weinig perspectief bood, maar noodzakelijk was om het gezin te ondersteunen.
Toen hij zeventien jaar was, veranderde zijn leven onverwacht. Hij zag een advertentie van het Korps Mariniers en besloot zich aan te melden. Het vooruitzicht van een militaire loopbaan sprak hem aan: het bood niet alleen een uitweg uit het zware bestaan, maar ook de kans op een toekomst met meer structuur en betekenis. De keuring in de marinierskazerne in Rotterdam verliep echter anders dan gehoopt. Hij bleek een centimeter te klein om als volwaardig marinier te worden aangenomen.
Toch betekende dit niet het einde van zijn ambitie. Ondanks dat hij niet muzikaal was, kreeg hij de mogelijkheid om toe te treden tot het onderdeel Tamboers en Pijpers van het Korps Mariniers. Hij greep die kans met beide handen aan. In februari 1940 tekende hij voor zes jaar dienst. Daarmee begon zijn militaire loopbaan, die hem uiteindelijk midden in de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog zou brengen.
In Rotterdam begon zijn opleiding. Hoewel hij formeel bij de Tamboers en Pijpers was ingedeeld, kreeg hij wel de basisopleiding tot marinier. Deze opleiding was stevig, maar werd ingekort doordat de oorlogsdreiging snel toenam. De spanning was voelbaar en de situatie veranderde met de dag.
Toen in mei 1940 de Duitse aanval begon, bevond Loontjens zich al in dienst. Hij maakte de meidagen van dichtbij mee en werd geconfronteerd met een geweld dat hij zich als jonge rekruut nauwelijks had kunnen voorstellen. De overgang van opleiding naar oorlog was abrupt en ingrijpend. Wat begon als een kans op een beter leven, veranderde in een directe confrontatie met de realiteit van oorlog.


De meidagen van 1940
De herinneringen aan Rotterdam zijn scherp en indringend. De stad werd getroffen door bombardementen en ook de kazerne bleef niet gespaard. Op 12 mei werd deze al gebombardeerd, een voorbode van wat nog zou volgen. Twee dagen later kwam het grote bombardement dat de binnenstad verwoestte. Loontjes herinnert zich de chaos, de rook, het lawaai en de verwarring. Het besef dat alles wat vertrouwd was in korte tijd kon verdwijnen, maakte diepe indruk.
Hoewel hij de gebeurtenissen overleefde, veranderde de oorlog zijn kijk op het leven voorgoed. De capitulatie betekende niet dat het gevaar voorbij was, maar eerder dat een nieuwe, beklemmende fase begon. Nederland was bezet en de mogelijkheden om actief iets tegen de vijand te doen waren beperkt.

Leven onder bezetting
Na de capitulatie bleef Loontjes nog ongeveer anderhalf jaar in Nederland. In de eerste periode werd hij krijgsgevangen gemaakt en ingezet bij het ruimen van puin na de bombardementen, een harde en confronterende taak waarbij de verwoesting van de oorlog dagelijks zichtbaar was. Later werd hij samen met twee anderen overgeplaatst naar de militaire detentie-inrichting in Nieuwersluis, waar hij als bewaker werd ingezet.
Vanuit Nieuwersluis volgde een nieuwe overplaatsing naar Utrecht, waar hij tewerkgesteld werd bij de brandweer van de Nederlandse Spoorwegen. In deze periode vervulde hij verschillende semi-overheidsfuncties, waarbij hij steeds in uniform bleef lopen. Dat was geen kwestie van keuze, maar van noodzaak. Zijn burgerkleding was verloren gegaan tijdens het bombardement en de middelen om nieuwe kleding aan te schaffen ontbraken.
Hij beschrijft hoe de overheid voormalige militairen op deze manier in zekere zin vasthield door hen werk te geven. Het dagelijks leven ging door, maar het gevoel bleef dat hij niet deed waarvoor hij was opgeleid. De oorlog werd elders uitgevochten, terwijl hij zelf in Nederland bleef steken in een soort tussenpositie, wachtend op een kans om opnieuw daadwerkelijk in actie te komen.


De beslissing om te vertrekken
Dat gevoel werd uiteindelijk doorslaggevend. Via via kwam hij in contact met het verzet. Daar werd zijn verlangen om actief deel te nemen aan de strijd concreet. Hij werd benaderd door Johannes Jansen, leider van een verzetsgroep die kort daarvoor door de Duitsers was opgerold. Jansen was vastbesloten om naar Engeland uit te wijken en wilde de strijd daar voortzetten.
Voor Loontjes kwam dit moment onverwacht, maar het sloot naadloos aan bij zijn eigen gevoelens. Hij liep nog altijd in uniform, wat zijn achtergrond als marinier direct zichtbaar maakte. Dat was ook de reden dat hij werd gevraagd om mee te gaan. Jansen en zijn medestanders zochten mensen die hen konden helpen bij een overtocht over zee, hoe beperkt die ervaring ook was.
Hoewel Loontjes nauwelijks zee-ervaring had, hij gaf zelf aan dat hij de zee nog nooit had gezien, aarzelde hij niet lang. Het plan was gevaarlijk en de kans op mislukking groot, maar voor hem voelde het als de enige juiste keuze. Hij besloot de sprong te wagen.
Hij sloot zich aan bij een groep mensen die hij grotendeels niet kende: Johannes Jansen zelf, de 24-jarige ex-sergeant Theo Daalhuysen, Gerardus van Asch, Abraham en zijn vrouw Greta Levi uit Assen, Walrave van Krimpen en de lichtmatrozen Adriaan van der Craats en Jan Bastiaan. Ondanks het gebrek aan onderlinge bekendheid was het vertrouwen groot genoeg om samen deze riskante onderneming aan te gaan.
De volgende dag al vertrok hij met de groep richting Hoek van Holland. Daar lag in de Berghaven een motorvlet van de Zuid-Hollandse Redding Maatschappij klaar. Met dit kleine vaartuig zouden zij 's nachts de oversteek wagen naar Engeland. Het was een gewaagde onderneming, maar het lukte hen om te ontsnappen.
Met deze tocht werd Loontjes Engelandvaarder – en bovendien de enige Nederlandse marinier die via deze route Engeland wist te bereiken. Daarmee begon voor hem een nieuw hoofdstuk in de oorlog, waarin hij niet langer toeschouwer was, maar actief deelnemer aan de strijd voor de bevrijding.

De overtocht: drie dagen op zee
De werkelijkheid bleek echter hard. De motor liet het regelmatig afweten, waardoor de voortgang traag en onzeker was. Wat een tocht van enkele uren had moeten zijn, duurde uiteindelijk drie dagen. Er was geen voedsel en geen drinkwater aan boord. Ze waren volledig overgeleverd aan de elementen en hun eigen uithoudingsvermogen.
De spanning werd versterkt door het gevaar van ontdekking. Regelmatig werden vliegtuigen gezien en telkens was er de angst dat het Duitse toestellen waren. Na twee dagen sloeg de wanhoop toe. De situatie werd zo zwaar dat sommigen liever opgepakt wilden worden dan nog langer door te gaan.
Toch bereikten ze uiteindelijk Engeland. Uitgeput, verzwakt, maar levend kwamen ze aan.

Wantrouwen en verhoren
In Engeland wachtte hen geen warm welkom. Zoals alle Engelandvaarders werden ze eerst grondig ondervraagd. De Britse autoriteiten wilden zeker weten dat ze geen spionnen waren. Loontjes werd ondervraagd door Oreste Pinto, een Nederlander in Britse dienst die bekendstond om zijn scherpe verhoormethoden.
Gedurende ongeveer een week moest hij zijn verhaal steeds opnieuw vertellen. Dat was extra moeilijk omdat hij de andere mannen nauwelijks kende. Niemand kon zijn identiteit bevestigen. Hij stond er alleen voor en was afhankelijk van de geloofwaardigheid van zijn eigen verhaal.
Pinto maakte duidelijk hoe ernstig de situatie was. Er waren eerder mensen geweest die zich voordeden als vluchtelingen, maar in werkelijkheid voor de vijand werkten. Als dat werd ontdekt, had dat fatale gevolgen.
Na dagen van spanning werd Loontjes uiteindelijk als betrouwbaar beschouwd. Daarmee kon hij zijn weg vervolgen en daadwerkelijk deelnemen aan de strijd tegen de vijand.

Opleiding en vorming tot marinier
Na de verhoren werd hij ingedeeld bij de mariniers. Hij kwam eerst terecht op een schip dat als drijvende kazerne diende, waar hij verschillende taken vervulde. Vervolgens werd hij geselecteerd voor een commando-opleiding in Schotland, bij Achnacarry.
Deze opleiding stond bekend als bijzonder zwaar. Fysiek en mentaal werden de mannen tot het uiterste gedreven. Lange marsen, zware oefeningen en voortdurende druk maakten deel uit van het dagelijkse programma. Voor Loontjes, die al een mariniersopleiding had gehad, was het zwaar maar niet onoverkomelijk. Het vormde hem verder als militair.

Opleiding in Amerika
Na Schotland werd hij naar de Verenigde Staten gestuurd, naar Camp Lejeune. Daar werden Nederlandse mariniers uit verschillende delen van de wereld samengebracht. Het doel was om een kernkader te vormen voor een toekomstige mariniersbrigade.
De opleiding in Amerika was intensief en goed georganiseerd. De dagen waren gevuld met fysieke training, wapenoefeningen en theoretische lessen. Voor velen was de Engelse taal een obstakel. Sommige mariniers fungeerden als tolken om de lessen begrijpelijk te maken.
Het leven in het kamp was zwaar, maar ook vormend. De mannen werden voorbereid op toekomstige inzet, al was nog niet duidelijk waar die zou plaatsvinden.

Terug naar Engeland en aansluiting bij de Prinses Irene Brigade
Uiteindelijk veranderden de plannen. Een deel van de mariniers, waaronder Loontjes, werd teruggestuurd naar Engeland. Daar werden zij toegevoegd aan de Prinses Irene Brigade. Deze brigade had zich jarenlang voorbereid op inzet bij de bevrijding van Europa, maar kampte met personeelstekorten.
De komst van de mariniers was van groot belang. Dankzij hun aanwezigheid voldeed de brigade aan de eisen om daadwerkelijk ingezet te worden. Daarmee speelden zij een cruciale rol in de geschiedenis van deze eenheid.

De inzet in Normandië en Nederland
In augustus 1944 werd Loontjes met zijn eenheid naar Normandië overgebracht. De landing vond plaats via de kunstmatige havens die door de geallieerden waren aangelegd. Vanaf dat moment begon de opmars richting Nederland.
Als verbindingsman bevond hij zich vaak dicht bij de frontlinie. Hij maakte van nabij mee hoe gevaarlijk de strijd was. Beschietingen, granaatinslagen en verliezen onder kameraden waren dagelijkse realiteit.
Bij gevechten in onder meer Tilburg en omgeving werd duidelijk hoe zwaar de strijd kon zijn. Eenheden kwamen onder vuur te liggen en er vielen slachtoffers. Toch bleef de opmars doorgaan, gedreven door het doel om Nederland te bevrijden.

Terugblik en betekenis van de oorlog
Wanneer Loontjes terugkijkt op zijn oorlogsjaren, doet hij dat met gemengde gevoelens. De angst, het verlies en de ontberingen staan hem nog helder voor de geest. Tegelijk is er ook trots. Hij maakte deel uit van een generatie die een beslissende rol speelde in de bevrijding van Europa.
Hij zegt dat hij het, ondanks alles, voor geen goud had willen missen. Het was waarvoor hij marinier was geworden.
Na de oorlog bleef hij betrokken bij zijn kameraden en hun geschiedenis. Hij stelde een boekje samen en verzamelde gegevens over de mariniers met wie hij had gediend. Daarmee droeg hij bij aan het bewaren van hun gezamenlijke herinneringen.
Zijn verhaal laat zien hoe een jonge man, zonder ervaring en geconfronteerd met enorme onzekerheden, uitgroeide tot een militair die een belangrijke bijdrage leverde aan de bevrijding van zijn land. Het is een verhaal van moed, doorzettingsvermogen en kameraadschap.
En bovenal is het een verhaal dat laat zien hoe belangrijk het is om deze herinneringen vast te leggen, zodat ze niet verloren gaan voor toekomstige generaties.

Terug naar de inhoud