Ontbinding van de Brigade
Bevrijding
Ontbinding van de Prinses Irene Brigade
Van de afscheidsparade in Den Haag tot de oprichting van het Garderegiment Prinses Irene
De taak van de Brigade was volbracht
Na de bevrijding van Nederland brak voor de Prinses Irene Brigade een nieuwe periode aan. De militairen hadden sinds hun vertrek uit Engeland en de landing in Normandië een lange en zware veldtocht achter de rug. Velen hadden onafgebroken gediend; anderen waren oorlogsvrijwilliger of dienstplichtige en hadden recht op terugkeer naar de burgermaatschappij.
De Brigade zou als zelfstandige gevechtseenheid verdwijnen. Haar naam, vaandel en tradities zouden echter behouden blijven in een nieuw regiment van de Koninklijke Landmacht.
Prins Bernhard hecht de Willemsorde aan het vaandel
De afscheidsparade in de Clingendaelkazerne
Op 13 juli 1945 vond op de binnenplaats van de Clingendaelkazerne in Den Haag de afscheidsparade van de Brigade plaats. Prins Bernhard was bij de plechtigheid aanwezig en hield een rede waarin hij inging op de rol die de Brigade tijdens de bevrijding van Europa had gespeeld.
De Prins maakte bekend dat de naam en tradities van de Brigade zouden worden voortgezet in het nieuw op te richten Regiment Prinses Irene. Hij sprak de militairen toe met de woorden:
‘Gelukkig zullen de tradities, welke gij in de maanden van strijd op het Continent hebt verworven, niet verloren gaan. Uit de Brigade zal onder meer gevormd worden de kern voor het Regiment Prinses Irene, een Regiment, dat om Uw vaandel zal worden gevormd en op Uw traditie zal voort bouwen.’
Daarna hechtte Prins Bernhard de Militaire Willems-Orde der vierde klasse aan het vaandel. Ook reikte hij onderscheidingen uit aan militairen van de Brigade: vijf bronzen leeuwen, veertien bronzen kruizen en twee kruizen van verdienste.

Afscheidsdefilé in de Clingendaelkazerne
De plechtigheid betekende het einde van de Brigade als zelfstandige gevechtseenheid, maar niet van haar tradities.

Het oranje-blauwe invasiekoord, uitgereikt aan militairen die aan de veldtocht op het Europese vasteland hadden deelgenomen.
Het invasiekoord
Na de plechtigheid in de Clingendaelkazerne maakte de Brigade een korte mars door de stad. Vervolgens vond op het Lange Voorhout een defilé plaats voor Prins Bernhard en een groot aantal autoriteiten.
Veel Irenemannen die vanaf de landing in Normandië aan de veldtocht hadden deelgenomen, ontvingen bij deze gelegenheid het zogenaamde invasiekoord. Dit was een oranje-blauw gevlochten fluitkoord dat aan het battledress- of serviceuniform werd gedragen.
Het koord herinnerde aan hun deelname aan de geallieerde veldtocht op het Europese vasteland.
Defilé op de Lange Voorhout met staand Prins Bernhard en De Ruyter van Steveninck (r)
De demobilisatie begint
Op 16 juli 1945 werd de Brigade officieus ontbonden. De afhandeling van de lopende zaken en de demobilisatie kwamen in handen van plaatsvervangend brigadecommandant majoor Pahud de Mortanges.
Voor veel militairen betekende dit dat zij zich konden voorbereiden op hun terugkeer naar het burgerleven. Anderen bleven in militaire dienst en zouden een rol spelen bij de opbouw van de naoorlogse Koninklijke Landmacht.
De overgang verliep niet zonder veranderingen in het dagelijks leven. Een oud-brigadelid herinnerde zich met enige humor hoe de discipline tijdens de demobilisatie langzaam verdween:
‘De militaire discipline werd na de demobilisatie niet langer meer serieus genomen. Op het morgenappèl verschenen vaak maar 3 van de 36 leden van ons peloton. De sergeant die de namen oplas vinkte iedereen als present aan...’
Het citaat laat zien dat de sfeer veranderde. Na maanden van gevechten en strenge militaire discipline kwam er ruimte voor ontspanning en het vooruitzicht op een nieuw bestaan.
Op 16 juli 1945 werd de brigade officieus ontbonden. Alle lopende zaken en ook de demobilisatie werden afgehandeld door plaatsvervangend brigadecommandant majoor Pahud de Mortanges.nt aan...'

Twee tekeningen van oud-brigadelid Herman van den Bosch over de demobilisatie (bron: www.hermanvandenbosch.nl)
De laatste vaandelwacht
De laatste periode van het bestaan van de Brigade stond grotendeels in het teken van het afwikkelen van de dienst en het terugkeren van militairen naar de burgermaatschappij. Volgens de oorspronkelijke afspraken moesten de militairen die niet in dienst bleven uiterlijk zes maanden na het einde van de vijandelijkheden, dus vóór 5 november 1945, worden gedemobiliseerd.
Toch bleef de militaire organisatie nog enige tijd bestaan voor de afhandeling van de laatste taken en de overdracht van tradities en materieel.

Laatste vaandelwacht van Irene Brigade 20 november 1945
De opbouw van de Koninklijke Landmacht
De Prinses Irene Brigade had tijdens de oorlog veel ervaring opgedaan met de moderne Britse krijgskunde. Die kennis speelde een belangrijke rol bij de opbouw van de naoorlogse Koninklijke Landmacht.
De organisatie, bewapening en uniformering waren sterk door het Britse leger beïnvloed. In de eerste periode werden zelfs de bevelen en instructies in het Engels gegeven.
Verschillende onderdelen van de Brigade werden gebruikt als basis voor nieuwe eenheden en opleidingsscholen.
Uit de Compagnie Aanvullingstroepen werd, met personeel en materieel van de voormalige verkenningsafdeling (Recce), een afdeling Pantserwapen en de School voor het Pantserwapen gevormd. De eerste commandant hiervan was majoor Beelaerts van Blokland.
Een ander deel van de Aanvullingstroepen werd omgevormd tot het 1e Infanterie Depot. Dit depot was bestemd voor de opleiding van grenadiers en jagers en voor de voorbereiding van personeel voor het nieuwe Regiment Prinses Irene. De eerste commandant hiervan was majoor Looringh van Beeck, bijgenaamd ‘Oom Paul’.
Uit de artilleriebatterij werd een Artilleriedepot gevormd. Majoor Risee werd commandant van de Artillerieschool. Het verbindingsmaterieel werd overgedragen aan de nieuw opgerichte School voor Verbindingstroepen.
Zo werden personeel, ervaring en materieel van de voormalige Brigade ingezet bij de vorming van de nieuwe Nederlandse krijgsmacht.
De officiële opheffing op 24 december 1945
Hoewel de Brigade in juli al officieus was ontbonden en de demobilisatie in volle gang was, volgde de formele opheffing pas aan het einde van het jaar.
Bij Koninklijk Besluit nr. 11 van 14 december 1945 werd bepaald dat de Koninklijke Nederlandsche Brigade ‘Prinses Irene’ met ingang van 24 december 1945 werd opgeheven. Het besluit bepaalde tevens dat de naam van de Brigade zou worden voortgezet door een infanteriekorps binnen de vredessamenstelling van de Koninklijke Landmacht. Het vaandel zou aan dat nieuwe korps worden overgedragen.
De overweging in het Koninklijk Besluit verwoordde het doel duidelijk: de Brigade moest worden opgeheven, maar haar traditie moest voor de Koninklijke Landmacht behouden blijven.

Een patrouille van het 4e Bataljon van het Garderegiment Prinses Irene op Java, 9 juni 1948
Het Regiment Prinses Irene
Op 15 april 1946 werden in het kader van de opbouw van het naoorlogse Nederlandse leger vijftien infanterieregimenten opgericht. Daaronder bevond zich het Infanterieregiment Prinses Irene, met Arnhem als standplaats.
De dienstplichtigen van de lichting 1945 die bij het regiment opkwamen, vormden het 3e Bataljon Prinses Irene. Dit bataljon werd onderdeel van de 1e Divisie ‘7 December’ en vertrok in het najaar van 1946 naar Indonesië.
In de daaropvolgende jaren werden uit nieuwe lichtingen dienstplichtigen meer bataljons gevormd die eveneens naar Indonesië werden uitgezonden:
- het 4e Bataljon, als onderdeel van de 2e Divisie;
- het 5e Bataljon, als onderdeel van de 3e Divisie;
- het 6e Bataljon, als onderdeel van de F-Brigade;
- het 7e Bataljon, als onderdeel van de H-Brigade.
Deze bataljons keerden na hun inzet in Indonesië naar Nederland terug en werden gedemobiliseerd. Volgens de oorspronkelijke geschiedschrijving van het regiment lieten zij 92 doden achter, die op erevelden in de Indonesische archipel rusten.
RegimenstembleemGarderegiment Prinses Irene
Op 31 mei 1948 werd het Regiment Prinses Irene bij Koninklijk Besluit verheven tot Garderegiment. Prinses Juliana, toen regentes van het Koninkrijk, trad daarbij op namens koningin Wilhelmina.
De nieuwe naam benadrukte de bijzondere band tussen het regiment en het Koninklijk Huis. Het regiment kreeg de naam Garderegiment Prinses Irene.
Op 12 maart 1952 verleende koningin Juliana het Garderegiment Prinses Irene het predicaat Fuselier. Vanaf dat moment kregen de soldaten van het regiment de aanspreektitel fuselier. Officieren en onderofficieren mochten de toevoeging der Fuseliers aan hun rang verbinden.
De tradities van de Prinses Irene Brigade bleven daarmee behouden. De veldtocht door Frankrijk, België en Nederland, de gevechten bij onder meer Beringen, Tilburg en Hedel, het vaandel en de offers van de gesneuvelden bleven onderdeel van de geschiedenis van het regiment.
De erfenis van de Prinses Irene Brigade
De Prinses Irene Brigade bestond als zelfstandige gevechtseenheid niet lang meer na de bevrijding. Haar betekenis reikte echter verder dan de periode waarin zij als brigade actief was.
De mannen hadden vanuit Engeland deelgenomen aan de bevrijding van West-Europa en vervolgens ook op Nederlandse bodem gevochten. Na de oorlog werd hun kennis ingezet bij de opbouw van de Koninklijke Landmacht. De naam en tradities van de Brigade werden voortgezet door het Regiment Prinses Irene, dat later het Garderegiment Prinses Irene werd en in 1952 het predicaat Fuseliers kreeg.
Zo bleef de herinnering aan de Irenemannen voortleven: in het vaandel, in de onderscheidingen, in de verhalen van de veteranen en in de tradities van het regiment.
De Brigade werd opgeheven, maar haar geschiedenis eindigde daar niet.