Jan Oosterveld
Biografieën oud-leden
Interview met Brigadist "Engelse" Jan Oosterveld
Volledige naam: Jan Abraham Oosterveld
Geboren: 10 april 1919 in Almelo
Overleden: 9 november 2010 in Almelo

Mobilisatie en eerste diensttijd (1938–1940)
Het gesprek begint met een ogenschijnlijk luchtige herinnering, maar al snel wordt duidelijk hoezeer de oorlog het leven van de geïnterviewde heeft gevormd.
Als jongen maakte hij al flinke tochten. Zo fietste hij eens op eigen gevoel helemaal naar Doesburg. “Dat is toch zeker zeventig kilometer,” merkt de interviewer op. Oosterveld bevestigt dat. Afstanden leken hem toen weinig te deren.
Op 24 oktober 1938 begon zijn militaire loopbaan. Hij werd opgeroepen voor zijn dienstplicht en kwam op in Arnhem. In eerste instantie zou zijn diensttijd elf maanden duren en in september 1939 eindigen. Maar de internationale situatie veranderde snel. De dreiging vanuit Duitsland nam toe en de geplande demobilisatie ging niet door. Nederland mobiliseerde. “De lichtingen vóór mij hoefden maar vijf en een halve maand,” vertelt hij, “maar toen ik kwam, werd alles verlengd. Hitler was al bezig, dat voelde je.”
De eerste maanden bracht hij door in Arnhem. Daarna volgde een overplaatsing naar Doesburg, waar zijn eenheid stellingen moest aanleggen. Veel stelde dat werk volgens hem niet voor. “We zaten aardappelland om te spitten. Het was eigenlijk een lachertje.”
Later werd de eenheid verplaatst naar de omgeving van Hoog-Keppel en Laag-Keppel. Daar werd serieuzer geoefend. Onder leiding van een bekwame adjudant kregen de mannen training in kaartlezen en terreinoriëntatie. “Die man hield ons bezig,” zegt Oosterveld. “We gingen ’s middags fietsen en moesten dan met de kaart de route bepalen. Steeds twee man tegelijk. Daarna de volgende twee. Zo leerden we het gebied goed kennen.”
Iedere soldaat had zijn eigen fiets en niemand klaagde. Integendeel: het was een welkome afwisseling op het eentonige kazerneleven. In die periode veranderde ook zijn karakter. Bij zijn opkomst was hij nog een verlegen jongen. “Ik durfde meisjes niet eens aan te kijken,” vertelt hij openhartig. “Stel je voor dat er één verliefd op me werd — ik wist niet wat ik moest doen.” Maar de militaire dienst maakte hem zelfverzekerder. “Na een jaar was ik het tegenovergestelde. Toen was ik een brutale hond.” Die verandering had volgens hem alles te maken met de sfeer in het leger. Discipline, kameraadschap en het voortdurend moeten optreden in groepsverband maakten van jonge jongens mannen. Hij herinnert zich ook hoe hij leerde omgaan met autoriteit. Niet alle officieren maakten evenveel indruk. Sommigen probeerden hun gezag af te dwingen door harde bevelen, maar dat werkte averechts. “Als ik een hekel aan iemand had, dan deed ik precies wat hij zei, maar ook niet meer dan dat,” vertelt hij. “Heel strikt volgens de regels.” Het type officier dat respect afdwong door zijn houding, was zeldzamer. Maar wanneer zo iemand het op de juiste manier aanpakte, werkte dat veel beter. Dat inzicht zou later, tijdens zijn verdere militaire loopbaan, nog van grote betekenis blijken.
Ondertussen bleef de dreiging van oorlog groeien. Wat begon als een periode van oefenen en wachten, zou in mei 1940 plotseling werkelijkheid worden.
Meidagen 1940 en de terugtocht
Wanneer in mei 1940 de oorlog uitbreekt, bevindt Oosterveld zich met zijn eenheid bij de IJssel, in de buurt van Ellecom, tussen Arnhem en Dieren. Hun opdracht is duidelijk: de rivier bewaken en een mogelijke Duitse oversteek verhinderen. “In die tijd was ik niet meer die verlegen jongen,” vertelt hij. “Ik was inmiddels behoorlijk mondig geworden. Als iets niet klopte, zei ik dat ook.” Hij kende de reglementen goed en wist dat een bevel uitvoerbaar moest zijn. Als dat niet zo was, mocht — of moest — je dat melden. Dat leidde soms tot spanningen met meerdere. Zo herinnert hij zich een voorval waarbij een officier een onwerkbare opdracht gaf bij het afbreken van een prikkeldraadversperring. “Hij zei dat we eerst de palen eruit moesten halen,” vertelt Oosterveld. “Maar dat werkt niet. Dat draad staat onder spanning. Je moet juist van onderaf beginnen met knippen.” Toen de officier zijn gelijk probeerde door te drukken, ging Oosterveld er tegenin. Hij gaf hem zelfs het gereedschap in handen. “Doe het dan zelf maar,” zei ik. “U kunt er geen barst van.” De officier bond in en verdween. “Daarna heb ik nooit meer last van hem gehad,” zegt hij. “De jongens stonden achter me. Dat maakt je sterk.”
De strijd in de Peel
Kort daarna wordt zijn eenheid verplaatst naar Noord-Brabant, in de omgeving van Deurne, in de Peel. Daar moeten ze met hun antitankgeschut een stelling innemen. Het gaat om een gemotoriseerde eenheid, snel inzetbaar. Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval, zijn de stellingen net gereed. Lang blijven ze er niet. Al in de nacht krijgen ze het bevel zich terug te trekken. “De Duitsers waren op andere fronten al doorgebroken,” legt hij uit. “Als je bleef zitten, werd je omsingeld.” Via Beek en Donk komen ze terecht bij de Zuid-Willemsvaart. Daar leveren ze daadwerkelijk strijd. Met hun antitankgeschut weten ze twee Duitse tanks uit te schakelen. “We hadden de pont al laten zinken,” vertelt hij. “Maar de Duitsers kwamen toch. Eerst zagen we alleen vliegtuigen. Later bleken ze ook al met bootjes overgestoken.” Tijdens het gevecht komt zwaar mitrailleurvuur op hen af. “De kogels sloegen vlak boven ons in,” zegt hij. “We zaten achter een zandwal.” Het is een chaotische en gevaarlijke situatie, maar zijn eenheid weet zich terug te trekken mét hun geschut.
Vlucht door Nederland en België
De terugtocht verloopt in hoog tempo. Via Tilburg trekken ze naar Breda, waar ze opnieuw moeten vertrekken vanwege bombardementen. Daarna gaat het richting Roosendaal en verder België in. “In Antwerpen hebben we nog in een kazerne gezeten,” vertelt hij. “Maar ook daar konden we niet blijven.” Via binnenwegen trekken ze verder naar Zeeuws-Vlaanderen, in de buurt van IJzendijke. Daar blijven ze tot 17 mei. Dan volgt opnieuw een terugtrekking, dit keer richting de Belgische kust. “Via Sluis en langs de kust zijn we verdergegaan,” zegt hij. “Je wist eigenlijk niet meer wat er ging gebeuren.”
Na een periode van onzekerheid — “we hebben daar nog weken gewacht” — komt uiteindelijk het bevel: inschepen naar Engeland.
Na een periode van onzekerheid — “we hebben daar nog weken gewacht” — komt uiteindelijk het bevel: inschepen naar Engeland.
Overtocht naar Engeland
De overtocht verloopt niet zonder problemen. Er ontstaat zelfs discussie tussen Nederlandse officieren en de kapitein van het schip. “Die kapitein zei: ík ben hier de baas,” herinnert Oosterveld zich. “En hij had gelijk. De officieren moesten luisteren.” Een deel van het materieel moet worden achtergelaten. Daarna vertrekt het schip richting Engeland. Ze komen op 8 juni aan en bereiken op 10 juni 1940 de haven van Plymouth.
Aankomst in Engeland
De aankomst in Engeland maakt diepe indruk. De mannen zijn uitgeput na dagen van terugtrekken, slecht eten en voortdurende spanning. “We kwamen ’s nachts aan,” vertelt hij. “En we moesten nog een flink stuk lopen naar het kamp.” Onderweg moeten ze meerdere keren rusten. “We waren kapot. Sommigen hadden wekenlang nauwelijks goed gegeten.” Toch herinnert hij zich ook kleine details: “Ik heb mijn hemd zes weken gedragen,” zegt hij. “Maar ik heb nooit last gehad van ongedierte. Dat viel nog mee.”
In Engeland worden ze ondergebracht bij de C-compagnie, onder leiding van kapitein Saltrich. Dat is een officier die indruk maakt — niet door harde bevelen, maar door zijn manier van omgaan met de manschappen. “Hij vroeg dingen, in plaats van ze te bevelen,” zegt Oosterveld. “En daardoor deed iedereen juist zijn best.”
In Engeland worden ze ondergebracht bij de C-compagnie, onder leiding van kapitein Saltrich. Dat is een officier die indruk maakt — niet door harde bevelen, maar door zijn manier van omgaan met de manschappen. “Hij vroeg dingen, in plaats van ze te bevelen,” zegt Oosterveld. “En daardoor deed iedereen juist zijn best.”
Opleiding en leven in Engeland (1940–1942)
Na de uitputtende overtocht en aankomst in juni 1940 begint voor Oosterveld en zijn kameraden een nieuwe fase: die van hergroepering, opleiding en wachten. Engeland wordt hun tijdelijke thuis, al voelt het in het begin allesbehalve vertrouwd.
De eerste tijd brengen ze door in een kamp in Porthcawl, in Wales. Daar worden ze opgevangen en opnieuw georganiseerd. De omstandigheden zijn eenvoudig, maar na de chaotische terugtocht uit Nederland betekent het vooral rust en regelmaat. Al snel blijkt hoe belangrijk goed leiderschap is. Hun commandant, kapitein Saltrich, weet zijn mannen op een bijzondere manier te motiveren. “Hij gaf geen harde bevelen,” vertelt Oosterveld. “Hij vroeg het. Maar juist daardoor deed iedereen zijn best.” Hij herinnert zich hoe er op een dag tenten moesten worden opgebouwd voor nieuwaangekomen rekruten. Het werk vlotte aanvankelijk niet erg. Toen de kapitein langskwam, sprak hij de mannen op rustige toon toe: “Jongens, zo gaat het niet goed. Zorg dat het vanavond klaar is.” Dat bleek voldoende. “Om vijf uur waren we klaar,” zegt Oosterveld. “Omdat hij het op de juiste manier bracht.” Het contrast met andere officieren was groot. “Die konden alleen maar schreeuwen,” zegt hij. “Maar daar kreeg je juist weerstand van.”
Na de uitputtende overtocht en aankomst in juni 1940 begint voor Oosterveld en zijn kameraden een nieuwe fase: die van hergroepering, opleiding en wachten. Engeland wordt hun tijdelijke thuis, al voelt het in het begin allesbehalve vertrouwd.
De eerste tijd brengen ze door in een kamp in Porthcawl, in Wales. Daar worden ze opgevangen en opnieuw georganiseerd. De omstandigheden zijn eenvoudig, maar na de chaotische terugtocht uit Nederland betekent het vooral rust en regelmaat. Al snel blijkt hoe belangrijk goed leiderschap is. Hun commandant, kapitein Saltrich, weet zijn mannen op een bijzondere manier te motiveren. “Hij gaf geen harde bevelen,” vertelt Oosterveld. “Hij vroeg het. Maar juist daardoor deed iedereen zijn best.” Hij herinnert zich hoe er op een dag tenten moesten worden opgebouwd voor nieuwaangekomen rekruten. Het werk vlotte aanvankelijk niet erg. Toen de kapitein langskwam, sprak hij de mannen op rustige toon toe: “Jongens, zo gaat het niet goed. Zorg dat het vanavond klaar is.” Dat bleek voldoende. “Om vijf uur waren we klaar,” zegt Oosterveld. “Omdat hij het op de juiste manier bracht.” Het contrast met andere officieren was groot. “Die konden alleen maar schreeuwen,” zegt hij. “Maar daar kreeg je juist weerstand van.”
Van Porthcawl naar Congleton
Na verloop van tijd wordt de eenheid verplaatst naar Congleton, in Engeland. Daar worden ze ondergebracht in een oude fabriek. “Dat gebouw was eigenlijk niet geschikt,” vertelt hij. “De vloeren kraakten en sommige waren zelfs gevaarlijk.” Toch wennen de mannen ook hier weer aan hun nieuwe omgeving.
Het soldatenleven bestaat uit oefenen, wachten en elkaar bezighouden. De oorlog lijkt soms ver weg, maar blijft voortdurend aanwezig op de achtergrond. Later keert Oosterveld nog eens terug naar Congleton, samen met een oud-dienstkameraad. “Toen hebben we die plek nog eens opgezocht,” zegt hij. “Het was toen al vervallen.”
Het soldatenleven bestaat uit oefenen, wachten en elkaar bezighouden. De oorlog lijkt soms ver weg, maar blijft voortdurend aanwezig op de achtergrond. Later keert Oosterveld nog eens terug naar Congleton, samen met een oud-dienstkameraad. “Toen hebben we die plek nog eens opgezocht,” zegt hij. “Het was toen al vervallen.”
Wolverhampton en het kampleven
Na Congleton volgt een langere periode in de omgeving van Wolverhampton. Daar verblijven ze bijna twee jaar. Het kamp wordt deels door de soldaten zelf opgebouwd. “Ik heb nog foto’s van hoe die barakken werden neergezet,” vertelt hij. “Alles werd daar opgebouwd: slaapplaatsen, een sporthal, noem maar op.” Sommige soldaten worden vooruitgestuurd als kwartiermakers. Dat betekent dat ze het kamp voorbereiden voordat de rest arriveert. “Dat was eigenlijk een mooi leven,” zegt hij. “Je had het rijk bijna voor jezelf.” Toch is het leven in een militair kamp ook eentonig. Oosterveld merkt hoe belangrijk contact met burgers — en vooral met vrouwen — is voor het moreel. “Als je alleen maar met mannen zit, verandert de sfeer,” legt hij uit. “Je merkt pas wat je mist als je weer onder de mensen komt.” In sommige gevallen worden soldaten ingekwartierd in huizen of villa’s. Dat maakt het leven direct aangenamer. “Dat was veel gezelliger,” zegt hij. “Dan had je iets van een normaal leven terug.”
Weinig geld, veel vrije tijd
Een groot probleem is het gebrek aan geld. Soldaten krijgen weinig soldij, waardoor ze hun vrije tijd niet altijd kunnen besteden zoals ze willen. “Ik had weinig geld, maar wel veel vrije tijd,” vertelt Oosterveld. Sommigen hebben het beter, bijvoorbeeld marechaussees, die een hogere rang en dus meer inkomen hebben. Maar voor de meeste soldaten blijft het behelpen. Toch zoeken ze manieren om hun tijd nuttig te besteden. Sommigen kopen een fiets, anderen zoeken werk buiten het kamp.
Taal en aanpassing
Aanvankelijk spreekt Oosterveld nauwelijks Engels. Op school had hij het niet geleerd. In Engeland krijgt hij alsnog lessen, onder andere van een kameraad die goed Engels spreekt. Langzaam maar zeker leert hij zich verstaanbaar te maken. “Niet perfect,” zegt hij, “maar genoeg om me te redden.” Die taalvaardigheid zal later van groot belang blijken, vooral wanneer hij in contact komt met de Engelse bevolking.
Discipline en kameraadschap
Wat in deze periode vooral groeit, is het gevoel van saamhorigheid. De mannen zijn op elkaar aangewezen en bouwen sterke onderlinge banden op. Tegelijkertijd blijft de discipline aanwezig. Er zijn regels, controles en wachtdiensten. Maar binnen die structuur vinden de soldaten ook ruimte voor eigen initiatief en soms voor kleine streken. “Je zocht altijd wel een manier om het jezelf wat makkelijker te maken,” zegt hij met een glimlach.
Deze jaren in Engeland vormen een overgangsperiode: weg van de directe strijd, maar nog altijd onderdeel van de oorlog. Het is een tijd van oefenen, wachten en volwassen worden in een vreemd land dat langzaam vertrouwd begint te voelen.
Deze jaren in Engeland vormen een overgangsperiode: weg van de directe strijd, maar nog altijd onderdeel van de oorlog. Het is een tijd van oefenen, wachten en volwassen worden in een vreemd land dat langzaam vertrouwd begint te voelen.
Werken bij de boer in Engeland (zomer 1942)
Tijdens zijn verblijf in Engeland, waar het soldatenleven vaak werd gekenmerkt door wachten en routine, weet Oosterveld op eigen initiatief een heel andere invulling aan zijn tijd te geven. In de zomer van 1942 komt hij terecht bij een Engelse boer; een ervaring die hem altijd is bijgebleven. “Ik had weinig geld en veel vrije tijd,” vertelt hij. “Dus ik dacht: ik ga eens kijken of ik ergens kan werken.” In de omgeving van het kamp liggen verschillende boerderijen. Op een middag stapt hij er gewoon op een af. Daar treft hij twee mannen aan die aan het ploegen zijn. “Ik vroeg of ze werk voor me hadden,” zegt hij. “Maar die boer zei eerst: ik heb al genoeg soldaten.” Toch blijft Oosterveld staan en raakt in gesprek. Zijn kennis van paarden — opgedaan op de boerderij van zijn vader in Nederland — blijkt al snel doorslaggevend. “Ik keek naar die paarden en zei: die is vier jaar, en die ook,” vertelt hij. “Toen keek die boer me eens goed aan.” Om zijn kennis te testen, laat de boer hem de paarden inspecteren. Oosterveld controleert het gebit, een gebruikelijke manier om de leeftijd van een paard vast te stellen en blijkt het bij het juiste eind te hebben. “Van vier tot zes jaar zijn ze op hun best,” legt hij uit. “Dat wist ik gewoon.” De boer is onder de indruk. “Toen vroeg hij: heb je wel eens geploegd?” Oosterveld kan dat bevestigen. Hij komt immers van een boerderij in Nederland, waar met paarden werd gewerkt, zeker omdat brandstof voor trekkers schaars was. De boer geeft hem de leidsels in handen. “Ik mocht het proberen,” zegt hij. “Eerst liep hij nog mee, maar bij het tweede rondje bleef hij staan.” Dat is het moment waarop het vertrouwen wordt uitgesproken: “Wil je dit werk doen?” Oosterveld hoeft niet lang na te denken. “Ja,” zegt hij eenvoudig.
Een zomer lang boerenwerk
Zo begint een periode waarin hij vrijwel dagelijks op de boerderij werkt. De hele zomer van 1942 blijft hij er actief. “Ik heb met alle paarden gewerkt,” vertelt hij. “Ploegen, verzorgen, alles.” Het werk bevalt hem goed. Het is vertrouwd, fysiek en zinvol; een groot contrast met het wachten in het kamp. Bovendien ontstaat er een band met de boer en diens familie. Hij wordt er niet alleen als arbeider gezien, maar ook als iemand die erbij hoort. “Ik ben er later nog eens terug geweest,” zegt hij. “Dan haalden ze thee en zat je samen te praten.” Het verschil met Nederland valt hem op, vooral als het gaat om de Engelse theecultuur. “Dat was daar heel uitgebreid,” herinnert hij zich. “Echt een moment op zich.”
Taal en vertrouwen
Zijn Engels is in die tijd nog niet perfect, maar voldoende om zich verstaanbaar te maken. De combinatie van vakkennis en praktische vaardigheden maakt dat taal geen grote barrière vormt. “Hij zag wel dat ik van de boerderij kwam,” zegt Oosterveld. “Dan heb je elkaar snel begrepen.” Het is juist die gedeelde achtergrond die zorgt voor vertrouwen. Waar andere soldaten misschien moeite hebben om aansluiting te vinden, lukt hem dat moeiteloos. “Daar weten er maar weinig van,” zegt hij over zijn kennis van paarden. “Misschien één procent van de soldaten.”
Een waardevolle onderbreking
De periode op de boerderij betekent veel voor hem. Het geeft structuur, afwisseling en een gevoel van nut in een tijd waarin de oorlog vaak ver weg lijkt, maar toch voortdurend aanwezig is. “In het kamp zat je maar te wachten,” zegt hij. “Hier deed je tenminste iets.” Tegelijkertijd blijft hij soldaat. Het werk bij de boer is tijdelijk en afhankelijk van zijn militaire verplichtingen. Maar juist daardoor krijgt deze periode een bijzondere waarde. Het is een moment van relatieve rust in een verder onzekere tijd; een zomer waarin het leven even bijna normaal lijkt.
Na deze periode verandert zijn situatie opnieuw. Zijn eenheid wordt verplaatst en de oorlog komt weer dichterbij. Maar wat hem vooral zal bijblijven, is dat juist in die vreemde omgeving, ver van huis, iets vertrouwds terugkeerde: het boerenleven.
Na deze periode verandert zijn situatie opnieuw. Zijn eenheid wordt verplaatst en de oorlog komt weer dichterbij. Maar wat hem vooral zal bijblijven, is dat juist in die vreemde omgeving, ver van huis, iets vertrouwds terugkeerde: het boerenleven.
Liefde in oorlogstijd (1943–1944)
Na zijn periode bij de boer en verdere verplaatsingen binnen Engeland, onder andere naar het noorden en later weer richting het zuiden, breekt er in 1943 een heel andere fase aan in het leven van Oosterveld. Niet militair, maar persoonlijk.
Op zondagavond 25 juli 1943 verandert alles. Hij is die avond in een pub, zoals zovelen van de soldaten in hun vrije tijd. Het is geen bijzondere avond, eerder een beetje saai. “Ik had al een glas bier gehad,” vertelt hij. “En ik dacht: er is hier eigenlijk niks te beleven.” Tot er een groep meisjes binnenkomt. Hij raakt aan de praat met één van hen, Annie Wiliams. Het klikt meteen. “Ik heb haar naar huis gebracht,” zegt hij eenvoudig. Die ontmoeting blijkt het begin van iets blijvends. De jonge vrouw komt uit Ilford, bij Londen, en is tijdelijk in de buurt voor werk. “Ze was nog maar net daar,” herinnert hij zich. Wat volgt is een intensieve week waarin ze elkaar veel zien. “Na die week vroeg ze: kom je bij mij als je verlof hebt?” Dat doet hij. Ondanks de beperkingen van het militaire leven, verlof is schaars en gebonden aan regels, weet hij haar regelmatig op te zoeken.
Handigheid en kameraadschap
Zoals vaker in het leger, worden regels ook creatief geïnterpreteerd. Samen met een kameraad bedenkt hij een manier om vaker weg te kunnen. “Als hij weg wilde, bleef ik in het kamp,” legt Oosterveld uit. “En als ik weg wilde, deed hij hetzelfde voor mij.” Soms ging dat nog een stap verder. “Ik ging dan in zijn bed liggen, met een deken over mijn hoofd,” vertelt hij. “Voor de controle.” Op die manier kon hij ongemerkt afwezig zijn en toch ‘aanwezig’ lijken. “Dat was een sport op zich,” zegt hij met een glimlach.
Een onverwachte wending
Wat het verhaal extra bijzonder maakt, is zijn oorspronkelijke houding. “Ik was van plan om niet verliefd te worden in Engeland,” zegt hij nadrukkelijk. “Ik wilde als vrijgezel terug naar Nederland.” Maar dat voornemen houdt geen stand. “Gelukkig is dat mislukt,” voegt hij eraan toe. De relatie verdiept zich snel. Waar het in Nederland in zijn jeugd allemaal veel formeler en socialer gecontroleerd was, vooral in zijn boerenomgeving, verloopt het hier veel spontaner. “In Nederland wist iedereen het meteen als je met een meisje ging,” zegt hij. “Hier was dat anders.”

Verloving en huwelijk
Op 18 maart 1944 verloven ze zich. Daarmee komt ook een praktisch aspect om de hoek kijken. “Als je verloofd was, kreeg je meer geld,” legt hij uit. “En zij kreeg ook een uitkering.” Dat speelde zeker mee, maar het was niet de enige reden. De relatie was oprecht en serieus. Zijn verloofde Annie besluit bovendien een grote stap te zetten: ze wil na de oorlog met hem mee naar Nederland. “Ze zei: ik ga met je mee,” vertelt hij. Omdat haar moeder al was overleden en de band met haar vader niet hecht was, voelde die keuze voor haar logisch. Op 17 juni 1944 trouwen ze, midden in de oorlog. Dat is kort na D-Day (6 juni 1944), een moment waarop alles onzeker is. “We hebben nog getwijfeld of het wel door kon gaan,” zegt hij. “Maar we hebben het toch gedaan.” Door de omstandigheden is het huwelijk eenvoudig. Sommige geplande getuigen kunnen er niet bij zijn, en hij moet improviseren om iemand als officiële getuige te vinden. Maar het huwelijk gaat door.
Reactie van thuis
Het contact met Nederland verloopt in die tijd moeizaam. Via het Rode Kruis kunnen slechts korte berichten worden verstuurd; maximaal 25 woorden. “Ik heb geschreven dat ik getrouwd was,” vertelt hij. Meer ruimte was er niet. Toch kwam de boodschap over. Hoe zijn ouders precies reageerden, weet hij niet. Communicatie was beperkt en vertraagd. Maar hij vermoedt dat het nieuws onverwacht kwam.
Oosterveld herinnert zich ook het moment van de bevrijding. Op 4 mei 1945 hoort hij in Engeland dat de Duitsers de volgende dag zullen capituleren. “Dat was voor mij lachen en huilen tegelijk,” zegt hij. Kort daarna neemt hij een brief mee van een Engelse kennis, die hij in Nederland persoonlijk bezorgt. Daar treft hij mensen die nog steeds honger lijden, ondanks de bevrijding. Hij helpt hen door voedsel mee te nemen wanneer hij op verlof gaat.
“Ze waren zó blij als ik kwam,” vertelt hij. “Een paar boterhammen of wat chocolade betekende toen ontzettend veel.”

Op 10 april 1945, op zijn verjaardag, brengt Jan als verrassing een bezoek aan zijn ouders
Een belangrijk moment in zijn leven volgt wanneer zijn grootmoeder hem een boerderij toezegt. Tijdens een verlof in april 1945 hoort hij dat hij, als eerste getrouwde kleinkind, op haar boerderij mag gaan wonen. Dat was uitzonderlijk in een tijd waarin veel teruggekeerde militairen niet eens een huis hadden.
“Dat was geweldig nieuws,” vertelt hij. “Mijn ouders hadden de eerste jaren na de oorlog geen woning, en wij hadden meteen een plek.”
Na zijn demobilisatie in september 1945 regelt hij dat zijn vrouw Annie naar Nederland komt. Zij reist per boot en komt aan in Rotterdam. De overgang is groot, maar via contacten, onder andere een Engelse buurvrouw met familie in Nederland, wordt de stap iets minder moeilijk.

Aanvraag repatrieëring

In september 1945 krijgt Jan en zijn vrouw Annie een warm welkom op hun boerderij
Een leven samen
Wanneer Annie uiteindelijk in Nederland aankomt, wordt ze warm ontvangen. Zijn familie heeft zelfs een ereboog gemaakt bij aankomst. Later wordt een groot feest georganiseerd om hun huwelijk alsnog te vieren, aangezien dat in Engeland sober was verlopen. In de koeienstal wordt een feestzaal ingericht, compleet met muziek en dans.
De overgang voor Annie is niet eenvoudig. Ze moet wennen aan een nieuwe taal en cultuur. Bovendien wordt er in dialect gesproken, wat het nog moeilijker maakt. Toch vindt ze uiteindelijk haar plek. In 1946 wordt hun eerste kind geboren.
Wat begint als een toevallige ontmoeting in een Engelse pub, groeit uit tot een huwelijk dat zestig jaar standhoudt. “Bijna zestig jaar,” zegt hij. “Dat zegt genoeg.” Het is een verhaal dat laat zien hoe, zelfs in de omstandigheden van oorlog en onzekerheid, ruimte ontstaat voor iets heel menselijks: liefde, verbondenheid en toekomst.
Herinneringen
Naast persoonlijke herinneringen komt ook de oorlog zelf ter sprake. Hij beschrijft gevaarlijke situaties, zoals patrouilles waarbij kameraden sneuvelden. Soms had hij geluk: een patrouille waar hij eerst bij was, werd later opnieuw ingezet zonder hem en liep toen fataal af.
Ook vertelt hij over een ongeluk met een motor in Zeeland, waarbij drie soldaten omkwamen doordat ze met te veel gewicht over een mijnenpad reden. Hij voelde zich daar lang schuldig over, omdat hij eerder dat pad had vrijgemaakt. Toch relativeert hij dat ook: “In oorlogstijd gebeuren zulke dingen. Soms heb je geluk, soms niet.”
Tot slot reflecteert hij op wat de oorlog hem heeft gebracht. Ondanks alle ellende heeft het hem ook gevormd.
“Het heeft me uit mijn isolement gehaald,” zegt hij. “Ik was een boerenjongen, wist niet beter. Maar door de oorlog heb ik de wereld leren kennen.”