De vorming van de Brigade
Congleton
De vorming van de Brigade en de eerste oefeningen (eind 1940–voorjaar 1941)






Prins Bernhard bezoekt de Nederlandse militairen in Congleton. Rechts naast hem staat Dan Charlesworth, de burgemeester van Congleton




Nederlandse onderofficieren in Biddulph




Van Nederlands Legioen naar Koninklijke Nederlandsche Brigade
Terwijl de Nederlandse militairen in Congleton verbleven, werd in Londen uitvoerig gesproken over de bestemming van het Nederlands Legioen. Uiteindelijk werd besloten tot de vorming van een brigade, die aanvankelijk ook als regiment werd aangeduid.
De organisatie werd voorgelegd aan de Inspecteur der Nederlandse Troepen, generaal-majoor G.B. Noothoven van Goor. Hij was naar Engeland uitgeweken nadat hij enige tijd hoofd van de militaire missie bij het Belgische opperbevel was geweest. In oktober 1940 had hij zijn standplaats in Porthcawl verlaten en zich gevestigd in Knutsford, op enige afstand van Congleton.

Het officiële document betreffende de oprichting van de Koninklijke Nederlandsche Brigade. Bron: Nationaal Archief, via M. Elsakkers.
Eind 1940 besloot de Nederlandse regering tot de vorming van een brigade. Op 11 januari 1941 werd de Koninklijke Nederlandsche Brigade opgericht.
Koningin Wilhelmina en prins Bernhard konden zich vinden in het gebruik van het woord ‘Koninklijke’. Voor een verdere toevoeging van een koninklijke naam moest de Brigade echter eerst aantonen dat zij voldoende geoefend was.
De organisatie bestond voorlopig uit een staf en twee bataljons, opgezet volgens de Britse organisatie.
Het 1e Bataljon, onder leiding van majoor Doorman, werd gevormd uit het bestaande 1e Bataljon.
Het 2e Bataljon, onder leiding van majoor De Broeckert, werd samengesteld uit het Depotbataljon en de Compagnie Mobiele Marechaussees. Het was de bedoeling dat deze compagnie per 1 januari 1941 in bataljonsverband zou worden opgenomen.
Daarnaast bestonden plannen om een complete brigade volgens Britse organisatie en een pantserverkenningsafdeling te vormen.
Het eskadron pantserwagens
Een belangrijke stap in de verdere opbouw was de oprichting van het eskadron pantserwagens. De kern daarvan bevond zich in Ranton Abbey. Het eskadron werd eind januari 1941 opgericht. Een groot deel van de Compagnie Mobiele Marechaussees werd bij deze eenheid ingedeeld.
Aanvankelijk stond het eskadron onder leiding van kapitein Kist. Later nam kolonel Phaff het bevel over; hij zou uiteindelijk commandant van de Brigade worden.

Het eskadron pantserwagens opgesteld op de Fairgrounds in Congleton tijdens het bezoek van de minister van Oorlog
Meer informatie over de voertuigen en de motordienst is te vinden op de afzonderlijke pagina Wagenpark (L.A.D).
Kritiek op de organisatie en de geoefendheid
De organisatie was nog lang niet op volle sterkte. Bovendien bestond een deel van het personeel volgens de toenmalige beoordeling uit militairen die minder geschikt waren voor hun functie.
Al in november 1940 hadden jongere officieren in een rekest om verbetering van de troepen gevraagd. Zij uitten kritiek op de leiding en de fysieke geschiktheid van een deel van het personeel. Hun voorstellen waren ingrijpend: geen promotie voor ongeschikte officieren, geen commando voor officieren die waren weggelopen of ongeschikt werden geacht, en verwijdering van militairen die lichamelijk niet geschikt waren.
Ook zetten zij vraagtekens bij het plan om een volledige brigade te vormen. In plaats daarvan pleitten zij voor een infanteriebataljon, een eskadron pantserwagens, scholing ter voorbereiding op de bevrijding, personeel voor verbindingstaken en duidelijk omschreven opdrachten voor commando's. Ook wilden zij dat militairen vaker bij Britse eenheden werden gedetacheerd om ervaring op te doen.
In de periode daarna werd veel aandacht besteed aan conditietraining en exerceren.
Meer informatie over salaris en belasting van de manschappen
Conditietraining en marsen rond Congleton
Het voorjaar van 1941 werd benut om de lichamelijke conditie van de manschappen op peil te brengen. Er werden veel marsen gemaakt in de omgeving van Congleton.

Dagelijkse conditietraining van de Nederlandse militairen in Congleton. In het midden staat de heer Rienstra.

De tweede sectie van C-Compagnie tijdens een mars in de omgeving van Congleton.

Even uitrusten tijdens een oefening. Op de voorgrond, met de hond, staat F. van Eijck. Zesde van links is de heer Ten Kate; derde van achteren staat J. van Rij. Bron: M. de Jonge
Het bezoek van prins Bernhard
Op 20 en 21 maart 1941 bezocht prins Bernhard de Brigade in Congleton. Hij woonde een oefening bij en sprak met de compagnie over de brand in Ranton Abbey, die enkele weken eerder had plaatsgevonden.
Tijdens zijn bezoek werd hij geconfronteerd met de problemen waarmee de jonge Brigade kampte. De prins schreef enkele dagen later dat de Brigade de naam ‘Prinses Irene’ nog niet verdiende zolang er defaitistische officieren en ongeschikte soldaten rondliepen. Zijn brief had volgens de oorspronkelijke websitebeschrijving wel enig effect.
Minister Dijxhoorn had geweigerd om militairen die lichamelijk minder geschikt waren van hun gevechtsfuncties te ontheffen. Zijn opvolger, minister Van Boeyen, begon daar verandering in te brengen. Minder geschikt en overtollig kader werd overgeplaatst; mannen die in Engeland tot onderofficier of officier waren opgeleid, kwamen ervoor in de plaats.
Een van de militairen verwoordde zijn teleurstelling over het bezoek als volgt:
‘ Wat ons stak, was dat die minister met geen woord repte over de ramp die ons enkele weken daarvoor trof in kasteel Ranton Abbey.’
Prins Bernhard bezoekt de Nederlandse militairen in Congleton. Rechts naast hem staat Dan Charlesworth, de burgemeester van Congleton

Prins Bernhard (midden) inspecteert een gevechtswagen in de omgeving van Leek in Staffordshire
Siem Jol en een collega tijdens activiteiten in Leek. Foto's: S. Jol

Mathijs van Gorp, rechts op de foto, in de omgeving van Leek, eind april 1941. Bron: Cor van Gorp
De ontmoeting van Tony Herbrink met prins Bernhard
Tony Herbrink beschreef in zijn dagboek hoe hij tijdens een oefening onverwacht met prins Bernhard in aanraking kwam. Hij was op dat moment nog maar kort in dienst.
‘Ik mag dan vermelden dat ik toen, precies acht dagen tevoren als dienstplichtig soldaat was ingelijfd bij de brigade. In de namiddag van 16 maart kreeg ik een volledig verslag van hetgeen er was gebeurd op 11 januari, gevolgd door een aan duidelijkheid niets te wensen overlatende opdracht, luidende: “Wee je gebeente als je niet volledig meewerkt om van deze brigade een moordbrigade te maken”.
Ondanks mijn volledige onkunde inzake het gebruik van de bewapening en van tactiek, moest ik toch meedoen in de oefening. Als complete leek vond ik die beslissing vragen om ellende, maar de sergeant gaf duidelijk te verstaan dat hij de dienst uitmaakte en niet ik!
Vroeg in de morgen van 20 maart werd ik door dezelfde sergeant in een opstelling geplaatst achter een heg, met mijn benen in een greppel van een bouwland, met de opdracht een eventueel oprukkende vijand tegen te houden. Op een bepaald moment, ongeveer 11.00 uur, hoorde en zag ik prins Bernhard naderen, lopend in de greppel, waarin ik mijn benen had neergevlijd. De prins was in een druk gesprek met de achter hem lopende generaal Noothoven van Goor. Het onverhoopte gebeurde toen.
Prins Bernhard struikelde over mijn benen en, jawel, ik hoorde hem enige verwensingen zeggen, die ik hier niet zal herhalen. De prins kwam naast mij staan en vroeg hoe lang ik al in dienst was. Waarheidsgetrouw antwoordde ik: “Acht dagen Koninklijke Hoogheid”. Daarop schoot hij in een daverende lach en zei: “Wat stom van mij om dat te vragen. Ik kan zo zien dat je nog niet veel hebt geleerd. Doe maar goed je best, dan kun je over enige tijd best meedoen om de vijand te verdrijven.”’
Bron: dagboek van Tony Herbrink.
Het bezoek van de minister van Oorlog
Op 25 maart 1941 bracht ook de minister van Oorlog een bezoek aan de Brigade. Tijdens dit bezoek zegde hij toe dat de Brigade een vaandel zou ontvangen.

Het eskadron pantserwagens opgesteld op de Fairgrounds in Congleton tijdens het bezoek van de minister van Oorlog
Overplaatsingen naar Biddulph en Wildboarclough
Op 29 maart 1941 werd de Compagnie Mobiele Marechaussee opgeheven. Het personeel werd vervolgens over verschillende onderdelen verdeeld.
Op 1 april vertrok een aantal onderofficieren en marechaussees naar Biddulph om bij het pantsereskadron te worden ingedeeld. Zij werden ondergebracht in de Albion Mill, een voormalige wolfabriek. Voor het douchen moesten zij naar de oude kolenmijn Victoria Colliery in Knypersley, ongeveer drie kilometer ten zuiden van hun verblijfplaats.

De Albion Mill in Biddulph, waar Nederlandse militairen vanaf april 1941 werden ondergebracht. Bron: Van de Haak.
Nederlandse onderofficieren in Biddulph
Veertien andere onderofficieren vertrokken naar Wildboarclough. Daar werden zij tot 24 juni 1941 belast met de bewaking van Engelse vliegtuigbommen die waren opgeslagen in de voormalige wolfabriek Cragg Mill. Zij verbleven in een voormalig postkantoor, dat eerder onder meer als kantoor en later als dorpshuis had gefungeerd.

L. de Putter (links) arriveert op 11 februari 1941 bij het voormalige postkantoor in Wildboarclough.
Bron: D. de Putter.
Bron: D. de Putter.
Parade en werkzaamheden in het voorjaar van 1941
Op 24 mei 1941 trok de Brigade in parade door Congleton.

Parade van de Prinses Irene Brigade door Congleton op 24 mei 1941. Foto: Coen Hijzeler.
In het voorjaar verrichtten verschillende pelotons daarnaast hand- en spandiensten op boerderijen in de omgeving. Daarmee konden zij hun weekgeld aanvullen.

Nederlandse militairen verrichten in het voorjaar van 1941 werkzaamheden op boerderijen in de omgeving van Congleton. Op de onderste foto staat Eelke Wolters uiterst links bij de boer. Foto: N. Slater. Klik hier voor een video daarvan.
Voorbereiding op het vertrek naar Wolverhampton
De regering had al in september 1940 plannen laten maken voor de bouw van een permanente kazerne. De brand in Ranton Abbey had het ministerie van Defensie in Londen ervan overtuigd dat er haast moest worden gemaakt met betere huisvesting.
De keuze viel op Wrottesley Park, ongeveer acht kilometer ten westen van Wolverhampton in Staffordshire. De Nederlander Henri Wijnmalen, die na een carrière als piloot in Nederland en rijinstructeur in Frankrijk aannemer was geworden in Twyford, kreeg de opdracht om voor Nederlandse rekening met de bouw van het kamp te beginnen.
In Congleton werden Sinterklaas en Kerstmis nog gevierd, maar de verhuizing naar Wolverhampton kwam dichterbij.

Nederlandse militairen op het station tijdens het vertrek uit Congleton naar Wolverhampton. Bron: Ingrid G. Boelhouwer
In mei en juni 1941 verhuisden de Nederlandse militairen uit Congleton naar hun nieuwe legering in Wolverhampton.
Klik hier voor een terugblik van de Congleton Chronicle van 11 februari 1966 over bovenstaande periode.