Pannenborg
Biografieën oud-leden
Interview met veteraan Edu Pannenborg
Engelandvaarder en officier bij de Prinses Irene Brigade
Engelandvaarder en officier bij de Prinses Irene Brigade
Geboren: 5 maart 1922 in Den Haag
Overleden: 11 november 2016 in Geldrop
Interview van Richard van de Velde in 2007 in zijn villa in Geldrop
Inleiding: terugkijken met afstand (na 1945)
Edu op het bordes van zijn villa met zijn hond (Copyright foto R. van de Velde)Wanneer Pannenborg terugkijkt op zijn leven, doet hij dat met een opvallende combinatie van nuchterheid en reflectie. Hij benadrukt dat de oorlog niet alleen een afgesloten hoofdstuk is, maar een ervaring die nog decennia later doorwerkt. “Pas een jaar of tien geleden ben ik me bewust geworden,” zegt hij, “dat bepaalde keuzes in mijn latere leven sterk beïnvloed zijn door mijn tijd bij de Irene Brigade.”
Een sprekend voorbeeld daarvan is zijn beslissing om in 1955 voor Philips in Duitsland te gaan werken. Hij kreeg de opdracht om in Aken een nieuw researchlaboratorium op te bouwen, een unieke kans, maar moreel niet eenvoudig. “Je hebt zelf opgestaan tegen die Duitsers,” zegt hij, “en nou vragen ze je om daar een laboratorium op te zetten.” Uiteindelijk besloot hij toch te gaan. “Een onderneming heeft geen moraal,” redeneerde hij, “en om die Duitsers af te blijven wijzen, daar wordt de wereld ook niet beter van.”
Achteraf zag hij dat zijn oorlogsverleden hem daarbij hielp. “Doordat je bij de Irene Brigade hebt meegevochten, sta je boven elke verdenking.” Dat gaf hem als het ware een moreel fundament om zo’n keuze te kunnen maken.
1943: de keuze om Engelandvaarder te worden
Zijn beslissing om actief deel te nemen aan de strijd kwam in 1943. Tot dat moment zat hij in Nederland en stond hij voor een moeilijke keuze. Het keerpunt kwam toen zijn beste vriend werd opgepakt en gefusilleerd. “Mijn slapie, mijn beste vriend, is gepakt en gefusilleerd,” vertelt hij. “Toen heb ik gedacht: voor het gewapende ondergrondse werk ben ik niet gebouwd.”
Hij stond voor twee mogelijkheden: onderduiken of naar Engeland gaan. Onderduiken betekende veiligheid, maar ook passiviteit. “Als je onderduikt, dan draag je niks bij,” zegt hij. Daarom besloot hij een groot risico te nemen: “Dan ga ik één keer een groot risico aan, dan ga ik naar Engeland.”
1943–1944: de tocht via Spanje en Portugal
De reis naar Engeland verliep via Frankrijk en de Pyreneeën naar Spanje. Hij reisde met behulp van geld dat zijn vader hem had meegegeven. “Mijn vader had daarop geanticipeerd,” vertelt hij, “die had me gouden tientjes meegegeven.”
Via Andorra, een neutraal staatje, kwam hij uiteindelijk in Spanje terecht. Daar werd hij ondergebracht onder wat in het volkenrecht “residence forcée” heet: een verplichte verblijfplaats met beperkte bewegingsvrijheid. “Je zat in het middle of nowhere,” zegt hij. “Je kende de taal niet, het eten was erbarmelijk slecht, en je wist niet hoe je eruit zou komen.”
Na verloop van tijd werd hij naar Madrid overgebracht. Daar kwam hij in contact met het Nederlandse consulaat, dat via allerlei omwegen en zelfs omkoping probeerde vluchtelingen verder te helpen. Uiteindelijk kreeg hij via een constructie met een visum voor Suriname toestemming om Spanje te verlaten.
De laatste etappe voerde via Portugal. Van daaruit vloog hij, begin 1944, naar Engeland. “Ik ben tussen 25 en 30 januari naar Engeland gevlogen,” herinnert hij zich.
1944: aankomst in Engeland en keuze voor de Irene Brigade
Eenmaal in Engeland werd hij, zoals alle Engelandvaarders, ondervraagd en gecontroleerd. Daarna kreeg hij de mogelijkheid om zelf te kiezen waar hij wilde dienen. “Ik heb nooit gehoord dat iemand tegen zijn wil ergens werd ingestopt,” zegt hij.
Voor hem was de keuze eenvoudig: hij koos voor de Prinses Irene Brigade. Hij kwam terecht in Dovercourt, waar veel Engelandvaarders waren ondergebracht. Daar merkte hij hoe sterk eerdere ontberingen nog doorwerkten. “Als er op een andere tafel iets overbleef, dan was er altijd iemand die het pakte,” vertelt hij. “Dat gevoel van honger, dat blijft maandenlang.”
Tegelijk was er een gevoel van voldoening. “De satisfactie dat het gelukt was,” noemt hij het. Veel anderen hadden de overtocht niet overleefd of waren nooit aangekomen.
1944–1945: voorbereiding en opleiding
In Engeland volgde een periode van voorbereiding op de invasie. Hij was onder meer betrokken bij werkzaamheden in Narborough, waar kampen werden ingericht. De spanning was groot, maar er was ook veel wachten. “It’s the old army game again: hurry up and wait,” citeert hij later een Britse officier.
Begin januari 1945 kreeg hij de kans om een officiersopleiding te volgen. Deze opleiding was opgezet omdat men verwachtte dat er na de oorlog een tekort aan goed opgeleide officieren zou zijn. Hij werd geselecteerd voor de opleiding tot verbindingsofficier.
De opleiding maakte diepe indruk. “De eerste prioriteit was leadership, de tweede prioriteit was leadership en de derde prioriteit was leadership,” zegt hij.
De kwaliteit van het onderwijs was volgens hem uitzonderlijk. “De Engelsen hadden de beste docenten geselecteerd die ze konden vinden,” vertelt hij. “Wat ik daar geleerd heb, daar heb ik mijn hele leven profijt van gehad.”
1944: Normandië en de eerste ervaringen aan het front
Zijn inzet aan het front begon na de landing in Normandië. Over de overtocht zelf herinnert hij zich weinig, maar de eerste indrukken van de strijd des te meer.
Hij beschrijft vooral de overweldigende kracht van de geallieerde artillerie. “Op de horizon lagen slagschepen,” zegt hij, “met geschut dat kilometers ver kon schieten. Je zag ze niet, maar je hoorde ze. Dat ging maar door.”
Kort na aankomst kreeg hij te maken met voedselvergiftiging, waarschijnlijk veroorzaakt door slechte omstandigheden. “Je hebt echt het gevoel dat je doodgaat,” zegt hij. Na ongeveer een week herstelde hij.
1944: opmars door Frankrijk en België
Tijdens de opmars maakte hij het contrast mee tussen feest en gevaar. In bevrijde dorpen werden de geallieerden enthousiast ontvangen, maar even verderop kon het gevecht losbarsten. “Je reed in een juichende optocht,” zegt hij, “en ineens zat je weer onder vuur.”
Bij een aanval op de colonne bij St. Joris-Winge werden voertuigen geraakt en vielen drie slachtoffers. De chaos en snelheid van dergelijke situaties maakten diepe indruk.
1944: gevechten in Nederland (Dreumel, Tilburg)
In Nederland, onder andere bij Dreumel en later richting Tilburg, maakte hij de oorlog van zeer dichtbij mee. Hij beschrijft hoe een kameraad naast hem werd getroffen. “Hij werd door zijn hoofd geschoten en viel achterover,” vertelt hij.
De spanning tijdens deze gevechten was enorm. “Ik keek op mijn horloge en het was vier uur,” zegt hij. “Ik had vanaf halfzes in de morgen niks gegeten of gedronken. Je zit in een soort trance.”
Ook herinnert hij zich bijzondere momenten, zoals het instorten van een kerktoren in Goirle, die onder vuur kwam te liggen. “Je zag die toren langzaam kantelen,” vertelt hij. “Dat duurde seconden, maar het leek een eeuwigheid.”
Na de oorlog: herinnering en verwerking
Na de oorlog bouwde hij een indrukwekkende carrière op, maar de oorlog bleef een belangrijk referentiepunt. Hij schreef zijn levensverhaal op in achttien hoofdstukken. “Ik heb er tweeënhalf jaar aan gewerkt,” zegt hij. “Voor mijn kleinkinderen.”
Hoewel het nauwelijks werd gelezen, vond hij het belangrijk om zijn ervaringen vast te leggen. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor volgende generaties.
Wanneer hij terugkijkt, overheerst tevredenheid. Hij spreekt met waardering over zijn leven en de kansen die hij heeft gehad. De oorlog was daarin een bepalende, maar niet allesbepalende factor.
Zijn verhaal laat zien hoe ingrijpend die jaren waren, maar ook hoe iemand daarna zijn leven opnieuw vorm kan geven met de ervaringen van toen als blijvende achtergrond.